fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Rob van Essen

“Lezers worden steeds kritischer over wat schrijvers verzinnen en laten scènes die ze niet bevallen liever links liggen.” Gesprek door Stijn Demarbaix Foto: Henri Verhoef

Google Rob van Essen en je stuit op onnoembaar veel krantenkoppen die de Libris Literatuur Prijs vermelden. Alsof de Van Essen van voor dit wapenfeit niet meer is en de Librisprijs een compleet nieuwe schrijver heeft gebaard. Maar dan zou de Google-zoekmachine een loopje nemen met de geschiedenis. Al meer dan twee decennia lang is Van Essen een belangrijke stem in literair Nederland, met Visser (2008) en Hier wonen ook mensen (2014) als exponenten van zijn uiteenlopende oeuvre – niet toevallig twee boeken die eveneens in de prijzen vielen, we compromitteren ons op gelijke wijze als de Google-zoekmachine. Maar dus, Rob van Essen als de ‘cultschrijver’ die een grote prijs wint en nu naar het literaire sterrendom wordt gekatapulteerd met De goede zoon (2018), een sciencefiction-reisverhaal dat bevolkt wordt door ironische robots en zelfrijdende auto’s annex detectiveverhaal zonder plot annex relaas over een overleden moeder. Faut le faire. Wat denkt ‘ie zelf van al die heisa?

Karakters: We beginnen meteen met de olifant in de kamer, dan hebben we die gehad …

Rob van Essen: Ik voel je al komen.

… die Libris Literatuur Prijs. Je won hem in mei. Hoe kijk je daarop terug?

Heel positief, uiteraard. Door die prijs is De goede zoon op plaatsen terechtgekomen waar het anders nooit zou zijn gelezen. Dat vind ik heel prettig. De roman voelt zich overigens niet op al die nieuwe plaatsen thuis. Zo zijn er leesclubs die elk jaar de winnaar van de Librisprijs doornemen. Wanneer ik dan een interview met die leden heb, laten sommigen merken dat ze het maar een raar boek vonden. Ik vind dat voor het boek pleiten: het kan mensen verrassen. Blijkbaar verwachten lezers dat een prijswinnaar een generieke roman is die ze aankunnen, maar dit boek lost die verwachting niet in. Ja, dat vind ik echt heel prettig.

Wordt er anders naar je gekeken nu je een grote prijswinnaar bent?

Ja, dat denk ik wel. Ik werd altijd een writer’s writer genoemd en die heeft een hoge gunfactor. Die ben ik nu wel kwijt, want ik ben niet meer de schrijver die 3000 boekjes verkocht per roman. Er zal ook kritischer gekeken worden naar mijn volgende boek. Dat is dan maar zo. Het is godzijdank niet mijn tweede boek.

Ben je blij dat je nu die prijs wint en niet bijvoorbeeld tien jaar geleden, toen Visser op de shortlist van de Librisprijs stond?

Nou kijk, als je in een tijdmachine zou stappen, tien jaar teruggaat en me dat zou vragen, zou ik wel antwoorden: “Over tien jaar pas?” (lacht). Maar ik ben blij dat ik langzaam een carrière heb kunnen opbouwen.

Iets wat je vriendin Lize Spit niet gegund is.

Dat is zo. Ik kon altijd in relatieve stilte aan mijn romans schrijven, terwijl zij bij haar tweede boek al het gevoel heeft dat iedereen zit mee te kijken. Dat is enerzijds positief. Het wil zeggen dat heel wat lezers fan waren van Het smelt (2016) en uitkijken naar het nieuwe boek. Anderzijds zijn er mensen die met argusogen volgen of ze het wel kan waarmaken. Lize is bovendien een economische factor geworden voor haar uitgeverij en dat verhoogt de druk. Met het winnen van die Librisprijs en het feit dat mijn boek beter is gaan verkopen, merk ik dat ik dat nu ook geworden ben.

Misschien een iets of wat onbeleefde vraag, maar wat doe je met de 50.000 euro aan prijzengeld die opeens op je bankrekening komt te staan?

Ik heb er nog niet zo gek veel mee gedaan. Ehm … Ik heb nieuwe schoenen gekocht!

De schoenen die je nu aanhebt?

Ja, deze, en die doe ik ook nooit meer uit! (lacht uitbundig). Nee, wat je met dat geld krijgt is schrijftijd. Ik hoef voorlopig geen boeken te vertalen, redactieklussen te doen of les te geven aan de schrijversvakschool.

Laten we overgaan op De goede zoon. Je gaf het al aan: het is een gek boek. Knack schrijft: ‘Het valt moeilijk samen te vatten en laat zich ook niet zomaar in een hokje stoppen.’ Toch ga ik jou vragen dat te doen.

Ja dat begrijp ik, dat is een vraag die ik vaak krijg. De kern van het boek is een roadtrip van twee voormalige leden van de geheime dienst, die het geheugen van een man moeten rechtbreien omdat zij dat ooit voor hem verzonnen hebben. Met die opzet ben ik een hele tijd bezig geweest, vijf jaar zelfs, ik kwam er maar niet uit. En dat gaat heel cru klinken, maar toen mijn moeder in het begin van 2018 stierf, kwam het boek pas samen. Ik liet ook de moeder van de verteller sterven, hij was toch al sterk gaan lijken op een oudere versie van mezelf, en opeens viel alles op zijn plaats: de verteller had nu een reden om terug te kijken op zijn leven en op die roadtrip te vertrekken. Het boek werd meteen veel voller. Hoewel ik er vijf jaar over heb gedaan, heb ik het grootste deel geschreven in de drie maanden na de dood van mijn moeder.

Heeft het schrijven aan dit boek je dan ook geholpen om dat overlijden te verwerken?

Dat heeft het zeker. Al helemaal toen ik een therapeutische stem van een zelfrijdende auto creëerde, waarmee de hoofdpersoon een vraag-antwoordspel aangaat. Een enorm bevreemdend personage is het, die auto. Hij kwam vanzelf het verhaal binnenrijden en ging met me op de loop. Ik dacht: ik kijk wel waar het uitkomt.

Het hoofdpersonage beleeft een innige nacht met die auto…

Toen ik die scène schreef, had ik al wel een voorgevoel dat ik daar alleen in zou staan. Al hoopte ik dat lezers het zouden pikken. Een aantal hebben me verteld dat ze het een prikkelende scène vonden. Het werkt dus wel. Anderen knappen er dan weer op af. Laatst zei een oudere vrouw van een leesclub tegen me: ‘Die seksscène is goed geschreven, dat moet ik u nageven, maar waarom met een auto? Niet een vrouw? Desnoods een man?’ Dat laatste mocht dan weer wel, weet je (lacht). Ze was een beetje kwaad, maar ook dat vond ik dan weer prettig. Dat mag, de lezers een beetje kwaad maken. Al is het niet zo dat ik die scène heb geschreven om mensen te provoceren. Het kwam voort uit het contact dat die man met die auto had.

Lize Spit zei in een interview met De Morgen: ‘Alle mannen schrijven moederboeken.’ Je spreekt je vriendin niet graag tegen?

Dat zei ze nadat ze mijn boek gelezen had, hoor (glimlacht). Het was nooit mijn bedoeling om een moederboek te schrijven, het is zo cliché om zo’n boek te schrijven nadat je moeder overleden is. Maar ik was er al aan bezig zonder dat ik het wist. Ik ben wel blij dat het een heel raar moederboek is geworden, dat niet zo snel op de lijst met moederboeken zal komen te staan. Er is dus toch een originele manier om erover te schrijven.

Met die sciencefiction-elementen geef je er inderdaad een vreemde draai aan. Wat wil je met die futuristische elementen zoal zeggen over het heden?

Ik kondig bijvoorbeeld het einde van de literatuur aan, waarbij schrijvers niets meer mogen verzinnen en alle lezers alleen nog over zichzelf willen lezen. Dat is nu al gaande. Lezers worden steeds kritischer over wat schrijvers verzinnen en laten scènes die ze niet bevallen liever links liggen. Ze worden niet meer graag met iets naar geconfronteerd. In Visser randt de hoofdpersoon bijvoorbeeld een meisje aan. Nu de roman heruitgegeven wordt, heb ik de indruk dat die scène veel harder aankomt dan tien jaar geleden. Het feit dat de schrijver de macht heeft om dat soort beelden in het hoofd van de lezer te plaatsen, stuit op weerstand.

Wat opvalt is dat je er in De goede zoon geen zwartgallige toekomst van maakt. Het blijft lichtzinnig.

Het is dan ook een ad-hoctoekomst, ik heb niet een heel systeem ontworpen, dat was te zwaar geweest. Ik ben gewoon met een aantal futuristische elementen gaan spelen. Het idee bijvoorbeeld dat robots en kunstmatige intelligentie zich op een gegeven moment zover ontwikkelen dat ze ons gewoonweg niet meer interessant gaan vinden. Wij zijn dan niet langer de baas en ook niet ondergeschikt, maar irrelevant geworden. Dat kan zomaar gebeuren en dat heb ik in dit boek proberen uit te werken.

Terug naar de wereld van vandaag: in welke mate beïnvloedt Lize Spit jouw werk?

Dat is nog te vroeg om te zeggen. Al heeft de omgeving Brussel, waar ik nu dus vaak vertoef, indruk op mij gemaakt. De stad komt al terug in een verhaal dat ik schreef voor De Gids en zal ongetwijfeld nog opduiken. Ik vind dat een heel interessante stad.

In welk opzicht vind je dat?

Vergeleken met Brussel is Amsterdam zo keurig en aangeharkt. De armoede is in de Nederlandse hoofdstad meer weggestopt, terwijl die in Brussel gewoon binnen de kleine ring zit. Alles is er veel meer in your face dan in Amsterdam. Ook qua architectuur is het een wilde stad, je ziet wat er allemaal afgebroken en weer opgebouwd is. Daarom is Brussel niet bepaald een mooie stad, maar ze is wel dynamisch. Het is wennen voor een Nederlander om er rond te lopen. En dan heb je ook nog de tweetaligheid. Mijn Frans is niet echt goed, dus ik ben in de bib Franstalige boekjes gaan halen om mijn niveau op te krikken. Ik wil niet dat Brusselaars mij in het Engels aanspreken, want ik koester toch de illusie dat ik er geen toerist ben.

In Humo gaf je aan dat je De Kapellekensbaan (1953) van Louis Paul Boon zou willen herlezen. Zijn er nog Vlaamse klassiekers die je eens zou willen vastnemen?

Ja, sowieso, want ik heb niet veel Vlaamse auteurs gelezen. Willem Elsschot kent iedereen in Nederland, maar ik ben nooit zo’n groot fan geweest van zijn uitgebeten, korte stijl. Alhoewel, Lijmen/Het been (1923/1938) vind ik anderzijds wel prachtig hoor. Maar wat ik nog wil lezen, eens denken. Het verdriet van België (1983). Daar lijkt het me wel tijd voor. Ik zag Hugo Claus ooit voordragen op een jubileumavond van De Bezige Bij. Dat was al aan het einde van zijn leven, hij schuifelde het podium op, maar wat een stem. Fantastisch was dat wanneer hij een gedicht voordroeg. Volgens mij heeft Lize Het verdriet van België thuis liggen. Dat wordt hem.

Onberispelijke keuze, bedankt Rob van Essen!