Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Richard Powers

'Ik wil verhalen vertellen die laten zien waarom wij zijn wie wij zijn' Gesprek door Nicole Lucassen Foto: Joost Weddepohl

De Amerikaanse romanschrijver Richard Powers (1957) onderzoekt in zijn werk veelvuldig de effecten van moderne wetenschap en technologie. Waar hij eerder stilstond bij genetica, artificiële intelligentie en virtuele realiteit, behandelt hij in zijn nieuwste roman Tot in de hemel (2018, uitgeverij Atlas Contact) ecologie en de onterechte positie die de mens zichzelf heeft toegekend in de wereld: boven al het andere dat leeft.

Gekleed in een geblokt overhemd (met korte mouwen, begin november) en zijn voeten gestoken in sportschoenen, beantwoordde Powers enkele vragen die wij hem stelden tijdens Crossing Border Festival in Den Haag. Over zijn schrijverschap, maar vooral over de wel heel bijzondere protagonisten van zijn nieuwste roman.

Karakters: Waarom schrijft u?

Richard Powers: Als je dat aan een schrijver vraagt, vooral aan een schrijver van fictie, zal hij je een verzinsel vertellen, haha! Er dragen te veel gebeurtenissen en oorzaken aan bij – mensen die je in je leven een richting op hebben geduwd, die je probeert te behagen, aan wiens verwachtingen je wilt voldoen… Misschien hoop ik wel dat de vrouw waar ik verliefd op was toen ik zestien was de krant leest met daarin de bespreking van mijn boek. Maar elke eenvoudige uitleg over waarvoor je het doet beslaat slechts zo’n klein gedeelte van het echte verhaal, dat het de waarheid te kort doet. Hoe dan ook denk ik dat het belangrijkste onderdeel van mijn relatie tot schrijven is dat wanneer ik het niet doe, ik me gereduceerd voel, en mijn aandacht afneemt. En wanneer ik het wel doe, voel ik me veelomvattender, meer in staat om dingen te zien, meer levend en verbonden met dingen die niet mijzelf zijn. Ik ervaar een onmiddellijke verruiming van geest wanneer ik me afvraag hoe het is om een tijdje niet mezelf te zijn, hoe het is om de wereld door de ogen van een ander persoon te zien. Of, in het geval van dit boek, van een andere soort.

Als u schrijft, gebruikt u dan een pen of een computer?

Dat is een interessante vraag, door de jaren heen heb ik veel verschillende relaties met het schrijfmedium onderhouden. Ik heb een tijd lang vooral spraak gebruikt, waarna een computer vervolgens mijn zinnen converteerde naar tekst, omdat deze werkwijze me in staat stelde de stemmen van mijn personages en vertellers daadwerkelijk te horen. Daarnaast heb ik met de hand geschreven op papier en het vervolgens naar de computer getranscribeerd, ik heb natuurlijk getypt, ik heb handschriftherkenning op de computer gebruikt… Elk medium biedt andere mogelijkheden en ik kan naar waarheid zeggen dat ik ze graag afwissel, afhankelijk van de passages die ik schrijf. Als het een langzame, uitgebreide, lyrische beschrijving van de levende wereld is, dan moet ik de bergen in gaan en zitten, omringd door deze dingen – en schrijven. Misschien resulteert dat in slechts tweehonderd woorden in vier uur tijd, omdat met de hand schrijven nou eenmaal langzaam gaat en je tijd nodig hebt om rustig te zitten en te zien, te onthouden en transcriberen. Als ik schrijf over vijf mensen in een stad op een feestje, die grappen maken over elkaar en elkaar proberen de loef af te steken, moet ik zo snel werken als ik kan. Zij gaan immers zo snel als zij kunnen en ik moet proberen in die mentaliteit van snelle, stedelijke ‘hipheid’ mee te gaan. De verschillende schrijfvormen zijn prachtige hulpmiddelen om je in de juiste stemming en hoedanigheid te brengen, afhankelijk van wat je wilt beschrijven.

Laten we het hebben over uw laatste roman, Tot in de hemel. Deze roman combineert wetenschap met menselijkheid, een fenomeen dat we in veel van uw werk zien terugkeren. Waarom is dat?

Dat zijn behoorlijk grote onderdelen van ons bestaan, haha! Weet je, iedereen schrijft er uiteindelijk over, hetzij vaak indirect. Dat is natuurlijk ook waardevol, maar wat ik altijd heb willen doen is een verhaal vertellen dat zowel persoonlijk is als sociaal, en de mens op hetzelfde moment overstijgt. Ik wil verhalen vertellen die laten zien waarom wij zijn wie wij zijn, op grond van allerlei processen en relaties waar we ons vaak niet eens bewust van zijn. Als we de mens dieper willen doorgronden, moeten we ook kijken naar hoe de mens door elk decennium van ons bestaan heen is veranderd. Onze middelen zijn veranderd, net als de relatie tot het niet-menselijke. Met Tot in de hemel heb ik dat grotere verhaal van het niet-menselijke willen overbrengen naar het kleinere verhaal van onze psychologie en sociologie.
     Ik geloof dat iedereen weet dat we tot iets groters behoren en dat we daar allemaal plezier uit halen. Maar helaas vergeten we dat te gemakkelijk in de drukte van ons huidige bestaan. Wanneer iemand een boek van de plank pakt en begint met lezen, zoekt diegene het plezier door tijdelijk niet zichzelf te zijn en in een ander te veranderen. Wanneer je grotere elementen een rol geeft, vraag je je lezer om simpelweg nog ietsje verder te gaan, om dat plezier op een nog grotere schaal te ervaren. Als je een ogenblik de tijd neemt om je in te leven in het leven van een andere man of vrouw, die misschien tien jaar eerder leefde of tien jaar later geboren is, of in Frankrijk woont in plaats van in Nederland, of van een ander ras is of uit een andere sociaaleconomische klasse komt – zou je dan niet ook genieten van het vergroten van je empathisch vermogen buiten het menselijke bestaan? En in aanraking te komen met een wereld die heel anders is dan je eigen wereld, maar die heeft bijgedragen aan wie jij uiteindelijk geworden bent? Voor mij is dat een van de krachtigste dingen die een roman kan doen.

En wanneer – of hoe – kwam je precies op het idee om bomen protagonist te laten zijn in je werk?

Dat is een ingewikkeld verhaal en het gaat eigenlijk verder terug dan ik doorgaans vertel. Ik woonde in Noord-Californië, in Silicon Valley, het hoofdkwartier van alle hightechbedrijven die de huidige wereld hebben gecreëerd: Google, Apple, Facebook, Netflix, Intel… Al deze bedrijven die de wereld veranderen bevinden zich op dit kleine plekje en bouwen samen aan de toekomst. En vlak boven Silicon Valley bevinden zich bergen bedekt met een secundair sequoia-oerbos. Op een dag wilde ik de toekomst ontvluchten en zwierf ik rond tussen de sequoia’s toen ik een oerboom tegenkwam van wel honderd meter hoog en een omtrek van minstens dertig meter. Een ontzagwekkend grote boom van bijna 2000 jaar oud – bijna zo oud als het christendom! Vreemd genoeg was deze boom ontkomen aan de massale houtkap die heeft plaatsgevonden om San Fransisco en uiteindelijk Silicon Valley te bouwen. Een gedachte overviel me. Voordat wij deze bomen wegkapten moest deze hele berghelling bedekt zijn met dit soort bomen! Op een of andere manier waren die bomen geofferd voor onze menselijke ontwikkeling. En ik dacht bij mezelf: nooit heb ik een boek gelezen dat heeft geprobeerd die werelden met elkaar te verbinden. Dat heeft geprobeerd te zeggen dat wij een wereld hebben gecreëerd dankzij deze andere wezens die ons toelieten. Vervolgens wilde ik een aantal verhalen vinden die deze wezens terug naar het centrale toneel konden brengen, in het centrum van ons verhaal en wie wij zijn.

Misschien kunt u iets meer vertellen over dat aantal verhalen en de bijzondere structuur van de roman?

Ik wist dat ik een grote, sociale roman wilde schrijven. Een roman met een veelheid aan personages die erg van elkaar verschilden maar op een of andere manier van elkaar afhankelijk zouden zijn – soms direct, soms indirect. Aanvankelijk dacht ik dat de beste manier om de narratieve logica van het verhaal te behouden gewoon chronologisch was en het veranderen van de wereld te beschrijven aan de hand van een keten van gebeurtenissen. Toen ik deze structuur teruglas, kon ikzelf niet eens volgen wie wat overkwam! Toen besefte ik dat ik alle achtergrondverhalen moest lospeuteren en voor elk personage een miniatuurwereld moest creëren, een kort verhaal waarin de logica van hun leven, hun hoop en angsten en het verhaal dat ze over zichzelf vertellen zich ontwikkelt tegen hun gehele achtergrondverhaal – tot het cruciale moment waarop alle personages samenkomen. Het is een sprong in het diepe om zo’n structuur aan je lezers voor te schotelen. In feite krijg je pas na zo’n 160 pagina’s het gevoel dat al deze korte verhalen uiteindelijk met elkaar in verbinding staan, op het moment dat de verteller het verhaal binnenstapt en laat zien waar elk personage zich op datzelfde moment bevindt. Op exact dat moment, besefte ik: ik heb een gigantische boom gemaakt. Deze acht verhalen zijn slechts de afzonderlijke ‘wortels’ die samenkomen in een ‘stam’: het hoofdverhaal dat de poging beschrijft van deze mensen om de laatst resterende sequoia’s te redden. Uiteindelijk worden de personages op catastrofale wijze weer uit elkaar geblazen en zendt het centrale verhaal elk individu weer naar hun eigen afzonderlijke takken (de ‘kroon’). Ze volgen opnieuw hun eigen individuele levens en eigen wegen, maar in feite maken ze nog steeds deel uit van hetzelfde ecosysteem, dezelfde gedeelde gemeenschap. Het laatste deel van het verhaal heet ‘zaden’: de lange termijn implicaties van deze mensen die verbonden zijn op een manier die niet altijd zichtbaar is. Welke zaden zaaien zij voor de volgende generatie?

Tot in de hemel is te lezen als een aanklacht tegen de moderniteit, ten minste met betrekking tot de progressie die we hebben gemaakt als soort in de afgelopen decennia en de impact die deze progressie heeft op de aarde en het feit dat we het contact verloren zijn met andere levende wezens. Hoe rooskleurig ziet u de toekomst nog?

Een vraag naar hoop. Ik zeg altijd: hoop waarop? Want als je me vraagt of wij zullen overleven, dan is het antwoord: in onze huidige vorm, met onze huidige culturele houding ab-so-luut niet. Er is geen hoop voor tot wat we onszelf gemaakt hebben. Je hebt geen grote verbeeldingskracht nodig om te weten dat we niet kunnen blijven doen wat we nu doen. Geen enkele hoop voor deze individualistische, kapitalistische, materialistische en consumerende manier waarop wij leven. En het is angstaanjagend om te denken dat we op een of andere manier uit deze wereld worden verdreven, ofwel vrijwillig op een intelligente manier, of een enorme rampspoed van geweld, dood en vernietiging zal het ons opdringen. Er is geen hoop om zo verder te gaan.
     Maar of heb ik hoop voor ‘leven’? Bomen bestaan al bijna 400 miljoen jaar. Ze overleefden elke massale uitsterving die de planeet in al die tijd heeft doorgemaakt. Wat je wilt weten is of wij op een of andere manier nog onderdeel uit zullen maken van het leven. Ik denk van wel. Bewustzijn, intelligentie, is een van de meest verbazingwekkende dingen die de evolutie heeft bedacht. Als je eraan denkt dat een levend wezen de toekomst kan modelleren en de vragen stelt die wij nu stellen? Het is een verbazingwekkend geschenk en bevat de bijna onbeperkte mogelijkheid om gedrag aan te passen. Als je eenmaal in staat bent om na te denken over de toekomst, ben je in staat om jezelf te veranderen in iets dat kan leven – en overleven – in die toekomst. Dus ik wil zeggen: ja, er is hoop. Ofwel de menselijke intelligentie zal een manier vinden om zijn eigen relatie met de levende wereld te veranderen, of het zal zelf een opvolger creëren of evolueren naar een andere vorm van intelligentie die in staat zal zijn om op deze wereld te leven op een duurzame en leefbare manier. Is het denkbaar dat dat niet gebeurt? Ja. De wereld heeft eerder massale uitstervingen gekend dus het is mogelijk dat onze soort volledig zal worden geëlimineerd. En toch, denkend aan het tijdsbestek van bomen, komen we ook dan waarschijnlijk terug in een andere vorm.
     Het meest waarschijnlijke scenario is echter dat we na een zware beproeving weer terugkeren naar een nederige manier van leven in harmonie met het niet-menselijke, waarbij de onderlinge afhankelijkheid wordt aanvaard en erkend. Ik weet niet hoe we dat punt gaan bereiken, maar we zijn in staat om het te bereiken. Het is de vraag of we onszelf dat toestaan…

Zijn mijn antwoorden te lang?

Nee hoor, ze zijn prachtig. Een gekke laatste vraag. Wat is je favoriete boom?

Dat is een leuke vraag. Er zijn bomen waar ik tegenwoordig heel veel van houd, die ik zes jaar geleden niet eens zou kunnen aanwijzen. Maar de realiteit is dat mijn favoriete boom degene is waar ik op dat moment voor sta. Dat klinkt misschien ontwijkend, maar als je eenmaal boombewustzijn hebt en je naar een boom kijkt – maakt niet uit wat voor boom -, zal het je elke keer weer verbijsteren. Het geven van jouw aandacht maakt op dat moment, nu, die specifieke boom jouw lievelingsboom. Wie zou ik moeten zijn om voor die boom een wonder te zijn? Dat is het doel.

Heel erg bedankt!

Graag gedaan.