Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Radna Fabias

‘Ik zie mezelf als schrijver liever niet als deelnemer in een groot politiek discours. Dat is een vorm van zelfbescherming, wellicht zelfs een vorm van zelfbedrog.' Gesprek door Alma Schuringa Foto: Wouter le Duc / Illustratie: Jonathan De Vos

Jarenlang schreef Radna Fabias (1983), zonder lezend publiek. Met de publicatie van haar debuutbundel Habitus (februari 2018, bij De Arbeiderspers) veranderde dat; ze sleepte de C. Buddingh’-prijs in de wacht, en ontving vele, lovende recensies. Onze redacteur interviewde haar tijdens Crossing Border in een tl-verlichte vergaderruimte van het Mercure-hotel in Den Haag.

Karakters: Is het gek dat het werk nu niet meer van jou alleen is, maar ook van de lezer?

Radna Fabias: Het is gek. Het is vreemd dat het zo hard is gegaan, sinds de bundel in februari verscheen. Ik ben nog steeds bezig om het te verwerken. Het is ook tof. De bundel wordt gelezen.

Ben je met een publiek bezig tijdens het schrijven?

Dat kan ik niet. Met wie ben ik dan precies bezig? Ik ben mijn eerste lezer. Dat is gek om te zeggen, want schrijven is wel communiceren – je probeert, met de middelen die je hebt, de informatieoverdracht zo goed mogelijk te sturen, voor zover je dat kunt sturen. En bij poëzie is dat nog ingewikkelder, omdat het doorgaans gelaagd is en op zoveel manieren geïnterpreteerd kan worden.

Waarom leent poëzie zich daar zo goed voor, denk je?

‘Ik wilde niet dat dat gedicht een soort brochure zou worden voor een tropisch eiland, en ik hoopte dat je het door de hele bundel heen zou blijven voelen.’Misschien omdat poëzie uitnodigt om aan de taal zelf te rommelen en die te bevragen en misschien überhaupt om dingen te bevragen? Wat ik fijn vind aan poëzie is de wijze waarop het daarin kan gaan over ervaringen, emoties en waarnemingen die niet makkelijk, niet met taal zoals we die in het dagelijks leven hanteren, gecommuniceerd kunnen worden. Bijvoorbeeld een sfeer of de gelijktijdige aanwezigheid van verschillende emoties. Ervaringen, waarnemingen, emoties zijn veel rijker, complexer en genuanceerder dan hoe we ze in het dagelijks leven geneigd zijn te bespreken. Een dichter kan dat tonen, kan die grijze gebieden onderzoeken, kan vrij van het alledaagse gebruik van woorden graven en schuiven en kijken naar de manier waarop taal betekenis krijgt, of hoe taal soms klank is, of ritme of oordeel of een bron van miscommunicatie. Of een wapen.

Tijdens het schrijven van het openingsgedicht in de bundel wilde ik bijvoorbeeld een sfeer overbrengen, ook al is sfeer lastig om in woorden te vatten. Ik wilde niet dat dat gedicht een soort brochure zou worden voor een tropisch eiland, en ik hoopte dat je het door de hele bundel heen zou blijven voelen. Die sfeer, al die beelden, alle tegengestelde gevoelens bij die beelden, het ritme van die plek. Dat kon ik alleen in een gedicht verwerken. Of misschien in een reeks essays, maar dat zou weer een hele andere benadering zijn. Cerebraler waarschijnlijk. Dat is weer een andere uitdaging.

Je bundel gaat over grote thema’s. Zie je je werk als onderdeel van een maatschappelijk debat?

Ik zie mezelf als schrijver liever niet  als deelnemer in een groot politiek discours. Dat is een vorm van zelfbescherming, wellicht zelfs een vorm van zelfbedrog. Als ik mezelf wel zo zie, merk ik dat er verlamming optreedt. Tegelijkertijd: ik wil schrijven over wat mij aangaat, over wie en wat ik ken en die zaken raken wel degelijk aan onderwerpen die actueel zijn in dat debat.  In de aanloop naar Crossing Border sprak ik met Édouard Louis, die daar heel radicaal in is. Hij is heel erg schrijver, maar tegelijkertijd bijna een politicus. En sowieso een activist. Zijn schrijverschap is gekoppeld aan een groot maatschappelijk besef – voor hem is er niet zoiets als een lyrisch ik, er is geen verteller: hij is het altijd zelf en hij klaagt onbeschaamd aan.

Die positie vind ik heel mooi, maar die delen we niet. Ik vind het heel prettig om zo’n stem te horen, maar lukt me vooralsnog niet om tijdens het schrijven op die wijze met iets als de schuldvraag om te gaan. En ik bewaar in mijn eigen werk het liefst enig onderscheid tussen lyrisch ik en schrijver.  Natuurlijk: er zit van alles van mij in het werk, maar zo één op één is het niet te lezen. En daarbij: hoewel ik zijn werk heel erg waardeer en activisme nuttig vind, vermoed ik ook dat activisme een ander soort taal nodig heeft; een taal die leidt tot actie. Een taal die ontstaat uit stellingname. Ik geloof niet dat ik die taal lever.  Ik ben betrokken, maar vanuit die betrokkenheid produceer ik vooralsnog meer vragen dan stellingen. Mijn ogen bewegen zich al snel naar de plekken waar de dingen vertroebelen, naar de grijze gebieden.

Zijn die beter te vangen vanaf de zijlijn?

Ja, ik geloof dat je op een andere manier kijkt als je een beetje op een afstand staat. Ik denk dat dat ook wel leesbaar is in de bundel: zowel in de afdeling die hier gesitueerd is als in afdeling die zich meer in de Cariben afspeelt.

Is je beschouwende blik op de Cariben erg veranderd sinds je in Nederland woont?

Ik ken de versie van toen ik daar opgroeide en elke keer dat ik terug ga, zie ik die versie vervormen. Omdat de plek verandert, maar ook omdat ik zelf verander.  Édouard Louis beschreef dat ook treffend: alle dingen die je gevormd hebben buiten de plek waar je vandaan komt, komen daar niet zo goed aan. Het is heel lastig om daarover te communiceren. Ik herinner me een gesprek over de Poëtica van Aristoteles dat ik als studieboek had meegenomen. Ik was toen bezig met mijn scriptie. Iemand vroeg me: ‘wat ben je aan het lezen?’ en ik merkte dat ik de taal niet kon vinden. Op dat soort momenten wordt het heel erg voelbaar: het verschil tussen het referentiekader van de ander, en het nieuwe wat ik toen tot me nam. Zo’n superdode Griek, hoe ga je daarover vertellen op die plek? Daarnaast merkte ik dat de taal me ook letterlijk ontglipte. Ik ken geen academische woorden in het Papiaments, omdat ik ze nooit gebruikt heb. Dat zijn momenten waarop het heel erg voelbaar is dat je blik altijd op minstens twee plekken zit. Dat doet veel met hoe je naar die plekken, de ander en jezelf kijkt.

Ik kan me voorstellen dat dat omgekeerd ook vervreemdend moet zijn geweest, toen je op de HKU in een totaal nieuwe omgeving terechtkwam.

Dat was ook een vreemde tijd. Ik was de enige die hier niet vandaan kwam en ik werd er heel moe van dat ik mezelf steeds moest uitleggen. Achteraf gezien was het ook wel nuttig, maar toen had ik er veel minder plezier in. Ik weet nog dat het op een gegeven moment stilviel terwijl ik een tekst voordroeg, en dat ik toen dacht: ‘oh, ja, dit is natuurlijk niet vanzelfsprekend.’ Niet vanuit de geleefde werkelijkheid en sociaaleconomische achtergrond van mijn studiegenoten, maar wellicht ook niet in literair opzicht. En soms voelde dat dan als aapjes kijken. Dat lag voor een deel bij mij – ik was jonger en bozer en zoekende – maar het lag ook zeker aan aannames. En de misplaatste conclusies die mensen soms vanuit hun eigen referentiekader geneigd zijn te trekken. Een studiegenoot zei toen eens: ‘Voor jou is niets vanzelfsprekend.’ Dat klopte wel, denk ik. Migratie, of het nou daadwerkelijke landverhuizing of iets als klassenmigratie is, zorgt voor herhaaldelijke confrontaties met ‘het vanzelfsprekende’. Bij jezelf en bij anderen.

Je bundel Habitus gaat ook veel over aannames en regels. Probeer je jezelf tijdens het schrijven aan regels te houden?

Aanvankelijk, in het stadium waarin ik verzamel, is dat niet het geval. Maar zodra ik begin met ordenen, met het zoeken naar een eenheid, zijn er superveel regels. Ik probeer voorbij de losse gedichten naar andere betekenisdragers te kijken. Een titel, bijvoorbeeld. Voor het geheel, maar ook voor de losse gedichten. En de afdelingen. De volgorde. Woordvelden. Overgangen. Mijn redacteur begon eens over een volgorde die meer is dan de som der delen. Ik vond ook dat er verbanden gelegd moesten worden. Al die regels en al dat schuiven en schrappen moesten ertoe leiden dat alles in elkaar ging haken, zodat er uiteindelijk een landschap zou ontstaan dat hopelijk groter zou zijn  dan de losse scènes waaruit het was opgebouwd.

Je gedichten zijn erg zintuiglijk; op mij als lezer kwamen ze soms bijna over als een lichamelijke ervaring. Welke rol neemt je lichaam in tijdens het schrijfproces?

Er komt veel via mijn lichaam binnen. Ik schrijf in de bundel bijvoorbeeld over kou. Dat was een nieuwe lichamelijke sensatie, iets waarvan ik voelde dat het mijn lichaam werd aangedaan. Dat soort waarnemingen zijn bijna een soort van shocks, wat net zo goed geldt voor wanneer ik iets heel moois waarneem. Wat ik zintuiglijk waarneem, komt op een andere manier binnen dan een gedachte, of een idee. Het materiaal dat op die manier ontstaat vind ik heel fijn, hoewel het soms ook lastig is om daar iets van te maken. Maar het is spannend materiaal: het pulseert. Alleen al als je even door de stad loopt en je registreert alles wat je ziet en hoort en voelt. Je voelt dat mensen tegen je aanlopen en de ondergrond waar je op loopt. Je ruikt dingen. Je hoort dieren, mensen, apparaten, voertuigen. Al die zintuiglijke informatie. Het bewegen van dat alles. Het ritme. Mijn lichaam en wat ik aan mijn lichaam hang, bepalen ook voor een deel hoe anderen zich tot me verhouden. Ik wil proberen een deel daarvan een plek te geven in mijn werk.  Het is ook een manier om specifiek te worden. Zo kan ik bijvoorbeeld over vrouw-zijn schrijven, of over hoe het kan zijn om een zwarte vrouw te zijn. Althans: een versie van die ervaring.