Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Rachel Kushner

'Ik heb uiteindelijk moeten afzwakken hoe ernstig de situatie in de gevangenis is om het realistisch te maken.’ Gesprek door Floortje Grooten Foto's: Kasper van Steveninck

Tijdens het lezen van Club Mars liggen lachen en huilen dicht bij elkaar. Rachel Kushner geeft een stem aan de vrouwen die weggestopt zijn door het Amerikaanse systeem. Hun toekomst is tussen vier muren, hun heden wordt door de mannelijke bewakers vergald, maar ook hun verleden is vaak gitzwart – niet zelden door toedoen van een man. Kushner schuwt niet om deze beklemmende wereld te vullen met humor en ook de mannelijke kant te belichten. Ze wil de werkelijkheid laten zien, niet haar mening verkondigen. Karakters sprak met de Amerikaanse auteur tijdens haar tour langs Europese lezers en gevangenissen.

Karakters: Je zei over je vorige boek De vlammenwerpers: ‘Some artist are never not being an artist.’ Ben jij altijd de schrijver?

Rachel Kushner: O, nee. Dat denk ik niet. Op dit moment ben ik de rol van de auteur aan het vervullen, iets totaal anders. Ik ben niet aan het schrijven, maar over mezelf aan het praten, wat compleet bizar en onnatuurlijk is. En, weet je, soms ben je gewoon aan het leven.
Wanneer ik een roman schrijf, doordringt het mijn leven op zo’n niveau dat het een soort filter vormt over het leven. Alles gaat pulseren met betekenis, alsof het me aanwijzingen geeft waarover het boek gaat, wat erin moet. Ook als ik lees, films kijk, praat met vrienden ben ik constant de romanschrijver, zelfs tijdens privémomenten. Nu, als de auteur op een vreemde tour waarop ik een soort van gedwongen word om me in de publieke ruimte te begeven, voelt alles een beetje ongepast. Je hebt een Faustiaanse deal met je uitgevers gesloten: na publicatie moet je meewerken en het boek promoten. Zij werken hard en ik wil graag mijn steentje bijdragen, maar het is altijd zo ongemakkelijk. Het boek moet op zichzelf staan. Al dat aanvullende materiaal dat je moet zien te leveren, lijkt haast te suggereren dat het boek op zichzelf niet genoeg zou zijn.

In Club Mars spreekt hoofdpersonage Romy tegen ene ‘jou’. Had je daarbij iemand in gedachte?Ik zie fictie juist als een manier om over anderen na te denken en door hun ogen te kijken.

Nee, niet een specifiek persoon. Het komt door Romy’s toon, dat is een spreekstem. Wanneer het boek begint heeft ze twee keer levenslang plus zes jaar gekregen, een buitengewone en extreme veroordeling. Romy probeert haar verhaal te vertellen over hoe hier ze terecht is gekomen, voor zichzelf en aan iedereen die maar wil luisteren.
Ik denk dat het in de menselijke natuur zit om alles logisch te beredeneren, altijd proberen te verklaren welke gebeurtenissen in je leven tot het moment hebben geleid waar je nu bent – zodat het onvermijdelijk lijkt. Wat je ook meemaakt, je denkt altijd: dit is waar ik naartoe ben geleid. Romy zit bij toeval in dit Amerikaanse systeem. Als ze Nederlands was geweest, had ze waarschijnlijk maar acht jaar gekregen. En toch maakt haar menselijke instinct om haar levensloop als onvermijdelijk te beschouwen het allemaal iets minder verschrikkelijk. De ‘jij’ tegen wie ze spreekt is iedereen die getuige wil zijn van Romy’s verhaal, zoals zij het had willen vertellen in de rechtbank – wat ze niet mocht van de pro-deoadvocaat.

Je groeide op in San Francisco. Heb je de ongure buurt van de striptent Club Mars zelf gekend?

Romy woont zelfs in mijn oude wijk. Ze maakt mee wat mijn vrienden en ik om ons heen zagen.
Ik wist dat ik over een persoon wilde schrijven die levenslang had gekregen. Dat vind ik zo’n abstracte straf, dat je moet betalen met je léven. Maar ik moest tegen het feit ingaan dat ik zelf nooit levenslang naar de gevangenis zou gaan. Daarbij wilde ik ook dat ze echt schuldig zou zijn, en niet zomaar iemand die onterecht beschuldigd was. Dat zou de situatie in de Verenigde Staten niet eerlijk weergeven. Maar ook de mensen die werkelijk gewelddaden hebben gepleegd, mogen niet alleen gedefinieerd worden door de ergste daad die ze ooit hebben begaan.
Omdat ik haar wilde begrijpen, en niet brutaal over een willekeurige vrouw van een voor mij onbekende achtergrond wilde schrijven, heb ik als inspiratie voor Romy mijn jeugd in de jaren tachtig in San Francisco gebruikt. Normaal ben ik niet zo geïnteresseerd in mezelf. Ik zie fictie juist als een manier om over anderen na te denken en door hun ogen te kijken. Maar ik ontdekte, samen met mijn beste vriendin van vroeger, dat het goed was dat ook die tijd werd gedocumenteerd. Hoewel zij het soms heel pijnlijk vond om die stukken te lezen.

Maar wat er in de gevangenis in Club Mars gebeurt is té onwerkelijk.

Ik heb geen levens gekopieerd, maar alles wat in het boek staat, gebeurt in het echt. Dat het onwerkelijk lijkt, ligt er niet eens zozeer aan dat je Nederlands bent. Mijn redacteur zei het ook: ‘Ik weet dat je heel fantasierijk bent, maar dat je ze emoe laat eten op Thanksgiving … En dat de vrouwen maar 1400 calorieën per dag krijgen omdat de gevangenis ooit is aangeklaagd, dat gaat wel een beetje ver.’ Dus ik zei: ‘Dat zijn beide juist details uit de echte gevangenis.’ Ik heb uiteindelijk juist moeten afzwakken hoe ernstig de echte situatie is om het realistisch te maken.
Door mijn werk voor een mensenrechtenorganisatie heb ik veel vrienden die vastzitten. Theresa Martinez bijvoorbeeld, nu vrij, was 23 jaar opgesloten in de grootste vrouwengevangenis van de wereld. Zoals een dokter of engineer alles over zijn vak weet, is haar expertise die specifieke gevangenis. Ik heb haar ingehuurd als consult en de gevangenis in Club Mars grotendeels gebaseerd op wat zij vertelde. Theresa was daar bijvoorbeeld ook verteld dat ze hiv-positief was en kreeg twaalf jaar lang zeer sterke hiv-medicatie. Ze moest met de mentale gevolgen dealen: in de gevangenis keert iedereen zich dan van je af, het is net alsof je continu besmettelijk bent. Toen ze vrijkwam bleek dat ze niet hiv-positief was. Het bedrijf dat de test had gedaan, bleek óók de medicatie aan de gevangenis te verkopen. Als ik dit in het boek had gestopt, was het net alsof ik de lezer probeerde te manipuleren om kritiek te hebben op de gevangenis in het algemeen. Terwijl ik het voornamelijk heb geschreven voor mensen die een leven hebben zoals dat in de roman.

De mannen in Club Mars zijn geen lieverdjes.

Ik houd van alle mannen in het boek. Omdat ik gedeeltelijk man ben, denk ik. Ik geloof dat alle vrouwen masculiene eigenschappen hebben, die zelfs in deze tijd nog niet geheel worden erkend. Maar bij het schrijven van fictie bevind ik me in een vrije ruimte waarin ik mijn echte ik kan zijn, die, zo blijkt, een veel minder genderbepaalde persoon is. Ik zei tegen mijn man: ‘Er is niemand in de wereld die van hem houdt. Niemand.’Het is niet dat ik een masculien persona aanneem om vanuit een man te kunnen schrijven, maar mijn eigen gevoeligheid en humor worden verdeeld over verschillende delen, in verschillende personages. Het is een soort buikspreken: ik ben Romy, maar ook Doc en Kurt. Misschien is het makkelijk voor me om in deze personages te kruipen doordat ik niet snel oordeel. Ik ben gewoon geïnteresseerd om tot de juice te komen, de essentie van hoe zij de wereld zien.
Voor het personage Doc was ik geïnspireerd door een ontmoeting in een gevangenis met een voormalig politieagent die levenslang had gekregen. Ik stond samen met hem in zijn cel, die héél klein was. Zijn herinneringen aan zijn Harley Davidson hingen achter hem aan de muur. Hij groeide een plantje in een pot en had een hagedis in een doos. Hij verliet die cel nooit: als hij buiten kwam, zou hij als voormalig agent gelijk vermoord worden. Zijn toekomst was hier leven en hier doodgaan. Ik voelde zijn essentie zó sterk in dat kamertje, als een soort vochtigheid in de lucht waarin ik ondergedompeld werd. Het was genoeg om een heel personage omheen te bouwen. Hij is grappig, ik vind hem heel leuk. Dat verbaast sommige lezers. Een dame vroeg me: ‘De scènes met Doc zijn zó verontrustend, was het moeilijk voor je om dat te schrijven?’ Ze vroeg het als of iemand met een pistool me had gedwongen die stukken te schrijven. Maar nee, ik heb het écht expres geschreven.
Van personage Kurt Kennedy [de stalker van Romy, red.] wist ik pas later dat ik vanuit zijn perspectief wilde schrijven, omdat ik alleen de kant van het slachtoffer ken. Maar ineens had ik de gedachte dat hij haar niet achternazit om haar bang te maken, of haar pijn te doen. Hij denkt echt dat hij haar nodig heeft. Dat was geen voor de hand liggende gedachte voor mij. Ik dacht: mensen moeten dit ook weten.
Ik zat ooit in het vliegtuig naast een man die veel op Kurt leek. Hij dronk twee flessen wijn uit zijn rugzak leeg en nam allerlei pillen, viel in slaap of deed vervelend, precies zoals Kurt. Toen we waren geland, wankelde hij voor ons uit, en zei ik tegen mijn man: ‘Er is niemand in de wereld die van hem houdt. Niemand.’ Het was genoeg om om hem te geven, ook al was hij een miserabel persoon aan wie ik net veertien uur was blootgesteld. De belichting van deze mannelijke kant maakt het morele kader van de roman hopelijk wat minder helder, en meer zoals het leven zelf nou eenmaal is: enorm complex.