Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Philippe Claudel

'Misschien heb je problemen in je leven, maar overweeg het probleem van de migrant eens.' Gesprek door Emerald Liu Foto: David Balicki

Sinds zijn grote doorbraak in 2003 met Grijze zielen – die bekroond werd met de Prix Renaudot – geldt Philippe Claudel als een ijkpunt voor de hedendaagse Franse literatuur. Een status die hij sindsdien alleen maar wist te verstevigen, want met onder andere Het verslag van Brodeck en Het kleine meisje van meneer Linh schreef Claudel intussen al meerdere moderne klassiekers. Dit najaar verscheen dan weer Archipel van de hond, een roman waarin eilandbewoners in aanraking komen met drie aangespoelde migrantenlijken. Aanleiding genoeg voor onze redacteur om met Claudel in gesprek te gaan wanneer hij op bezoek is in Gent.

Karakters: Je hebt ooit gezegd dat je meestal een verhaal begint te bedenken in termen van beelden. Welk beeld inspireerde je om de pen voor Archipel van de hond op te pakken?

Philippe Claudel: Misschien was het de visie van een eiland. De visie van de eerste scène is een strand. Het regent, grijze lucht, het zou er koud kunnen zijn. Een strand zonder mensen behalve één oude vrouw met een hond. En dan plotseling met de aankomende golven spoelen er lichamen op, zwarte lichamen. En dat was het begin. Ik wilde namelijk een wetenschappelijk experiment maken. Je neemt een kleine gemeenschap. En je observeert wat er gebeurt. Het is net als in de chemie. Ik vind het fijn om een nieuw protocol van menselijke chemie te verzinnen wanneer ik schrijf. Er is een visuele scène in de rechtszaal en ook aan het einde van de roman met de oude visser. Het was zo visueel. Het was als die film van Visconti (La terra trema uit 1948, red.) een documentaire over het vissen. Deze archaïsche manier van vissen. Om te vissen op tonijn, rond de Middellandse Zee, in Sicilië, is er deze historische manier van vissen met een zwaard en netten en de zee… Zo blauw, maar dan plotseling rood van bloed.

‘I hate and detest Sicily in so far as I love it, and in so far as it does not respond to the kind of love I would like to have for it.’ Een dubbel gevoel voor je eigen land ervaren is iets wat de Siciliaanse auteur Sciascia in deze zin beschrijft, wat is jouw mening hierover? En hoe zouden de eilandbewoners zich hiertegenover verhouden?

Voor mij is het belangrijk om een specifieke aardrijkskunde van de literatuur uit te vinden, wanneer je een roman schrijft, vertel je een verhaal, maar tegelijkertijd bouw je een universum, het is heel opwindend om een nieuwe wereld te creëren en ik ben een liefhebber van landschappen, en één van de grootste genoegens tijdens het schrijfproces is om landschappen op te bouwen. Vooral met deze roman, toen ik had besloten om dit verhaal op een eiland te laten plaatsnemen, koos ik ervoor om een klein eiland ergens in de zee te maken, dicht bij de Middellandse Zee, maar nooit krijg je de echte naam te weten. Ik wilde een klein eiland, heel geïsoleerd van het vasteland en met een kleine vissersgemeenschap. En een ander punt was om in dit landschap een vulkaan te hebben, omdat het constant een gevaar vormde tijdens het schrijfproces, gezien het net is als wanneer je vuur in handen hebt. Met vuur kun je koken, maar tegelijkertijd kun je het gebouw ook platbranden en zaken vernietigen, mensen bijvoorbeeld. Het moest een verhaal creëren, een legende, een geschiedenis. Misschien is het landschap, het eiland de protagonist. En het is net een geheime tuin, net als een illusie, afgesloten van de buitenwereld en diens problemen, de kleine cirkel van het eilandcomfort.

Het thema van de vluchteling is iets wat in je roman Het kleine meisje van meneer Linh (2005) ook aan bod komt, maar de toon is daar beslist minder somber. Zou je zeggen dat deze verandering in toon jouw visie op de maatschappij en de wereld van vandaag weerspiegelt?

Het was misschien vijftien jaar geleden, toen ik probeerde om in sommige romans de moeilijkheid van het migrant-zijn te beschrijven. Het kleine meisje van meneer Linh gaat over een oude man die ontsnapt is na de oorlog en probeert zijn leven te herbouwen. Ik ben erg geobsedeerd door dit thema, vooral de laatste vijf of zes jaar, en ik probeer een stem te geven aan deze preoccupatie en hoe het mogelijk is om naar Frankrijk, Gent, Berlijn te gaan – je hebt een rijk en bewaard Europa – en tegelijk heel dichtbij heb je de Middellandse Zee en dit grote drama en tragedie. En ik beschouw het als de missie van de schrijver om een onderzoek te doen naar de menselijke natuur en hoe disfunctioneel de samenleving is. Maar tegelijkertijd ben ik een schrijver, geen psycholoog, niet een socioloog of een historicus, ik ben maar een schrijver. En ik vind het leuk om verhalen te verzinnen.

In dit boek probeer ik verschillende boeken te vermengen, die van misdaadromans en die van legendes van mythen. Omdat ik me een echte misdaadroman voorstel, die een eerste plaats delict is, drie dode mensen, en er is geen echte onderzoeker maar een leraar. Het is een plezier om deze twee verschillende stijlen te combineren met dit boek dat ik aan de lezer voorstel om zichzelf te inspecteren en het te lezen als een lezer. Een hoofdpersonage is de priester, de burgemeester, de leraar, maar ook de lezer is er één. En ik probeer de lezer te vertellen dat die in deze kleine gemeenschap zit. Het eiland is dan Europa, Frankrijk, België. Ik probeer de lezer zichzelf te laten bekijken als in een spiegel. Misschien heb je problemen in je leven, maar overweeg het probleem van de migrant eens.

Het grootste probleem van vandaag de dag is dat mensen uit rijke landen té egocentrisch zijn. En ze zijn gewoon bezig met kleine materiële problemen en hoe we ons rijke leven kunnen behouden. Vooral in Frankrijk; er is elke week wel een staking, een manifestatie in de straten. Het is een probleem dat rijke mensen hebben, het is geen essentieel probleem. En de reden waarom ik de dimensie van de parabel voor het probleem wilde gebruiken was omdat ik wil dat ze hun ogen openen en met andere ogen de wereld om zich heen zien.

Ik weet dat het een oud gevecht is. Sommige lezers willen vandaag gewoon entertainment. Ze willen iets lichts lezen, een liefdesverhaal, een fantastisch verhaal – gewoon om te ontsnappen, voor de lol. Ik ontmoet veel lezers van over de hele wereld sinds vele jaren. Heel vaak hoor ik nu ‘O, ik hou van je romans, maar het is een beetje té donker, te zwaar. Is het onmogelijk voor je om een grappig verhaal te schrijven?’ En ik antwoord hun dat het doel van literatuur geen entertainment is. Het is niet om grappige verhalen naar voren te brengen. Als je Montaigne, Faulkner, Dostojevski leest… dat zijn geen grappige verhalen. En ik vertel dat de schrijver een verplichting heeft om met diepte de samenleving, de mens en de geschiedenis te observeren. En hij moet de lezer een weergave geven die als een spiegel kan dienen. En soms is het een ongemakkelijk beeld. Een ongemakkelijke spiegel.

Je debuutroman opent in Gent en speelt zich af in de Ardennen als een soort ode aan je liefde voor deze regio’s. Als trotse Gentenaar maakt me dat natuurlijk heel gelukkig. Kun je uitleggen waarom deze stad tot je spreekt?

Ach, weet je, dat is een lang verhaal, want ik ben geboren en woon tot op heden nog in een kleine stad in de buitenwijk van Nancy, het noordoosten van Frankrijk. En de landschappen, de sfeer, het weer, het leunt heel dicht bij de Vlaamse landschappen. En ik voel me zelf ook op mijn gemak als ik in Gent ben, in Brugge, in Antwerpen. Ook in Nederland, in het noorden van Duitsland. Ik hou ervan om te gaan naar het zuiden van Europa, maar het is niet míjn plek. Ik ben een groot fan van Italië, Sicilië en Puglia, enzovoort. Maar het is niet mijn thuis.

En voor mij zou het heel gemakkelijk zijn om hier te wonen. Toen ik rond de twintig en dertig jaar oud was kwam ik heel vaak naar Brugge, Gent, Brussel omdat ik een groot fan ben van schilderkunst. Vooral Vlaamse schilderkunst, Noord-Europese schilderkunst. En één van mijn grootste passies tijdens deze periode was het schilderij van Van Eyck. In het begin van mijn eerste roman is er een verwijzing naar een beroemd schilderij in Saint Bavon – ‘als ich can’ – het is een zin die hij soms in zijn schilderijen schrijft. Als ik kan. Ik vind deze zin leuk. Het is niet té arrogant; het is tegelijkertijd arrogant maar ook bescheiden. Ik probeer in zekere zin mijn best te doen, en tegelijkertijd ben ik misschien de enige die dat kan doen. Het is een heel vreemde en dubbelzinnige zin. Ik vond het leuk om een soort eerbetoon te brengen aan Van Eyck, aan de landschappen, aan het gebied van Gent. Een eerbetoon aan het weer, ook aan de schrijvers. Ik hou vooral van de Franstalige Belgische schrijver, auteur van Bruges-La-Morte, Georges Rodenbach. En ik herinner me dat ik erg teleurgesteld was destijds, toen ik deze roman in 1999 schreef, had ik de hoop dat het door velen in België zou worden gelezen. Vooral in Gent. (lacht)

Wat lees je op dit moment?

Lezen is altijd reizen, momenteel lees ik een schrijver uit IJsland, Jón Kalman Stefánsson. Het is een verhaal dat zich afspeelt in IJsland tijdens de winter. Er is de sneeuw, een visser, het is erg donker en grijs, maar het is perfect voor mij.