fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Niña Weijers

"Ik ben altijd gefascineerd geweest door het kubistische verlangen om alles gelijktijdig weer te geven." Gesprek door Floortje Grooten Foto's: Senna Leezenberg

Net sta ik omhoog te kijken naar het Witsenhuis, de schrijversresidentie die een centrale plek vormt in Kamers antikamers, als Niña Weijers vrolijk komt aanlopen met haar teckel Jerôme. Het is alsof ze zojuist een rondje door het Oosterpark heeft gelopen met M, de vriendin waarmee het hoofdpersonage in Weijers’ laatste roman regelmatig van gedachten wisselt tijdens hun wandelingen in het park – een personage waarin de recensenten graag schrijfster Maartje Wortel herkennen.
Hoewel die recensenten, zoals ik tijdens onze begroeting, allerlei biografische waarheden in Kamers antikamers zien, is de roman nog meer een tentoonstelling van alle mogelijkheden van een mens – of die mens nu de schrijfster is of niet. Weijers vertelt namelijk steeds een ander verhaal over dezelfde mensen, of hetzelfde verhaal over andere mensen. Daarvoor wisselt ze regelmatig van stijl, perspectief en tijd, overigens zonder onbegrijpelijk te worden.

Op de bovenste verdieping van het Witsenhuis (‘Marie Kondo zou hier werkelijk niets op af te dingen hebben, zei M.’) vertelt de schrijfster dat ze een vreemde week heeft gehad. Ze ‘was ineens op tv’ en sprak de avond ervoor nog bij Jinek over de finale van De Slimste Mens. ‘Het is wel een beetje een afleidend circus,’ voegt ze eraan toe.

Karakters: In Kamers antikamers noem je dat soort optredens ‘schrijvertje spelen’, toch?

Niña Weijers: Dit was nog gekker, dit was meer ‘quizkandidaat spelen’. Het heeft met het schrijven zo weinig te maken. Hoewel ik normaal gewend ben aan een relatief klein publiek, ben je met zo’n goed bekeken programma wel ineens van iedereen en kan iedereen wat over je zeggen. Je wordt op heel andere criteria beoordeeld dan normaal. Maar ik vond het heel leuk om te doen.

Kamers antikamers is een boek dat de hele tijd weerstand biedt aan zichzelf, de hele tijd zichzelf bevraagt als verhaal, als boek.’

In Trouw schreef Rob Schouten over Kamers antikamers: ‘Weijers wil iets groots, iets moeilijk grijpbaars (…)’. Hoe zie jij dat?

Ik vond dat heel mooi geformuleerd. Het is sowieso mijn ambitie om ergens over te schrijven waar je moeilijk bij kunt, om wat voor reden dan ook. Een vriend noemde Kamers antikamers een masochistisch boek, omdat het een boek is dat de hele tijd weerstand biedt aan zichzelf, dat de hele tijd zichzelf bevraagt als verhaal, als boek. Ik wilde over een gefragmenteerd ‘ik’ schrijven, denk ik. ‘Alle mogelijke levens’ is de tagline van het boek geworden, maar voor mij gaat het uiteindelijk meer over de vraag: wat als het bewustzijn, het ik, verschuift?

En het is inderdaad wat moeilijker om aan zoiets te beginnen dan aan een verhaal dat van A naar B gaat. In Kamers antikamers zitten juist veel perspectiefwisselingen, alles verschuift de hele tijd een beetje. Ook stilistisch: elk hoofdstuk is nét anders.

Schouten schreef ook dat dit een fundamentele menselijke ambitie is.

Ja, dat je jezelf wilt begrijpen. Hoewel ik in bepaalde situaties of bij bepaalde mensen, anders ben, heb ik niet het idee dat de ene versie minder waar is of leugenachtig. Het zijn allemaal aspecten van mij. Veel mensen denken: in de kern ben ik dít, en als dít of dát zou gebeuren, dan gedraag ik me zó. Natuurlijk kun je bepaalde waarden en principes hebben, maar ik geloof dat je niet kunt weten hoe je reageert in sommige situaties, als je bepaalde mensen tegenkomt. Of misschien ben ik gewoon heel weinig principieel.

In je vorige boek, De consequenties, spelen kubistische gedachten een rol en Picasso hangt hier ook boven jouw bank. Zou je Kamers antikamers een Picasso in geschreven vorm kunnen noemen?

In De consequenties wordt gerefereerd aan Les Demoiselles d’Avignon, de Picasso die over het algemeen wordt beschouwd als het eerste schilderij in de kubistische traditie. Ik ben altijd gefascineerd geweest door dat kubistische verlangen om alles gelijktijdig weer te geven. In Kamers antikamers heb ik dat ook willen doen. Ik snap het verlangen van die avant-gardisten uit de twintigste eeuw heel goed: ze wilden kunst maken die tijd op een radicaal andere manier benaderde. Heel letterlijk iemand tegelijkertijd frontaal, van de zijkant en van de achterkant afbeelden. Dat je probeert een gelijktijdigheid te laten zien – ook omdat ik dat zelf in zekere zin zo ervaar. Lineaire tijd is zo dwingend; alles gaat altijd maar vooruit. Terwijl gedachten en je geheugen eigenlijk heel anders werken. Je verbindt dingen met elkaar die niks met elkaar te maken hebben, je vervormt dingen. In mijn hoofd zit helemaal niet zo’n duidelijke tijdlijn. Wat ik interessant vind, is hoe bepaalde herinneringen veranderen, omdat je er steeds weer iets anders aan koppelt. Je vervormt ze om ze te laten passen in het verhaal dat je dan weer hebt gemaakt van jezelf.

In het boek voer je jouw redacteur dan ook op om te vertellen dat wat je hebt opgeschreven niet klopt met de werkelijke tijdlijn.

Precies, maar het is natuurlijk ook een boek over het schrijven van fictie; wat je verzint en wat je in je verhaal past.

Is dat ook kritiek op de waarde die lezers en recensenten hechten aan hoe boeken kloppen met de werkelijkheid?

Natuurlijk, en dat was ook grappig aan de recensies over dit boek: recensenten gingen heel erg op zoek naar wat het boek níet is, en wat het had kunnen zijn. Ze probeerden om er alsnog een soort lineair verhaal van te maken dat het gewoon niet is. Wat ik wel jammer vond aan de ontvangst van Kamers antikamers is dat het werd neergezet als een plotloos, experimenteel boek. Voor mij is het geen experimenteel boek en ‘plotloos’ klinkt alsof je driehonderd pagina’s over een grasspriet schrijft.

En dan leggen sommige besprekingen ook nog eens (onterecht) de link met jouw eigen leven.

Zo zie je goed dat het spel dat ik, bewust, heb gespeeld – sommige dingen líjken autobiografisch, sommige zijn het ook deels – helemaal mis kan gaan. Een recensent schreef dat de verteller op een gegeven moment een ‘vechtrelatie’ krijgt met haar beste vriendin M. Dit is niet het geval. Daarna schakelde hij de ‘M’ uit het boek helemaal gelijk aan Maartje Wortel — ergens begrijpelijk, want onderdeel van het spel — en vervolgens trok hij zijn verkeerde lezing door naar de werkelijkheid. Vol overtuiging schreef hij op zijn literaire roddelsite dat ik een vechtrelatie had gehad met Maartje Wortel.

Zo heeft het slechte lezen ineens veel gevolgen voor de werkelijkheid. Ik vond het wel grappig, en ergens toepasselijk. Het boek is ook een commentaar op de vraag: wat is autobiografisch schrijven en wat niet, en hoe makkelijk kun je dat zo maar over de werkelijkheid heen leggen?

‘Mijn eerste probeersels van fictie waren een soort mal van theorie waar dan een verhaal in gepropt werd.’

Je hebt literatuurwetenschap gestudeerd, toch? Klopt het dat de literatuurwetenschapper steeds meedacht bij het schrijven van Kamers antikamers?

Nou, ik heb die literatuurwetenschapper juist moeten lozen voordat ik überhaupt kon schrijven. Ik vond literatuurwetenschappen heel leuk om te studeren trouwens, ik was dol op al die theorieën. Wij kregen op de UvA alleen maar poststructuralisten – althans die zijn me het meest bijgebleven. Ik was twintig en het was zo’n radicaal nieuwe manier van denken. Mijn eerste probeersels van fictie, korte verhalen, waren een soort mal van theorie waar dan een verhaal ingepropt werd. Schrijven is een heel intuïtieve aangelegenheid, en dat heb ik met veel moeite geleerd.

Ik denk wel dat ik de literatuurwetenschap altijd meeneem. Eerst dacht ik: o, daar kan ik echt niet mee wegkomen, een boek schrijven over iemand die een boek probeert te schrijven en dan ook nog een spel met fictie en werkelijkheid. Dan wordt het te theoretisch, te klein en benauwend. Maar ja, je moet altijd het boek schrijven wat zich aan je opdringt. Tegelijkertijd heeft mijn manier van schrijven met dat wetenschappelijke weinig van doen. Ik laat me meevoeren met hoe het boek verloopt. Ook bij De consequenties wist ik van tevoren niet precies hoe het zou eindigen.

Even iets anders: de titel doet denken aan Virginia Woolf. Heb jij daar ook over nagedacht?

Nee, A Room of One’s Own is gek genoeg helemaal niet mijn associatie geweest. Ik weet niet precies hoe ik hierop kwam, misschien doordat ik een heel ruimtelijk gevoel had tijdens het schrijven. Daarbij staat het boek vol dualiteiten: het gaat over conflict, innerlijk conflict, de contrasten waar je als mens uit bent opgebouwd. Waar je naar opzoek bent: aan de ene kant rust en veiligheid, en aan de andere kant avontuur en spanning. Een verlangen naar eenzaamheid en tegelijkertijd naar verbinding. Autonomie en je juist ergens aan overgeven. Die dualiteiten waren voor mij continu in werking, daar zat de kracht.

Zijn er kunstvormen of -werken buiten de literatuur waar je veel inspiratie uithaalt?

Een grote inspiratie voor dit boek was de polaroid van Robby Müller die bewerkt op het omslag staat. Hij was cinematograaf en filmde onder andere voor Wim Wenders, Jim Jarmusch en Lars von Trier. Hij heeft bijvoorbeeld Breaking the Waves en Paris, Texas gefilmd. Müller maakte tijdens zijn werk vaak polaroids. Hij was beroemd omdat hij filmde met puur de omstandigheden die voorhanden lagen. Hij had een hekel aan kunstlicht.

Een tijdje geleden was er in filmmuseum Eye een retrospectief over zijn films, waar ik de polaroid van die kamer zag. Dat was zó het beeld wat ik voor ogen had bij dit boek, zo de sfeer… In Kamers antikamers gaat het veel over licht, lichtval, hoe licht op dingen valt, of niet.

Sowieso sla ik altijd wel aan op beeldend werk. Het is een soort opening naar een andere manier van kijken. Tijdens het schrijven heb ik ook veel gehad aan een boek van Sally Mann – er zit ook een citaat van haar in Kamers antikamers – en aan uitspraken van Emmet Gowin over fotografie.

Daarnaast heb ik heel veel zitten schrijven op het album Singularity van Jon Hopkins. Dat album heeft iets heel kosmisch met een mooie opbouw. Die muziek kan ik nu minder goed horen, omdat ik niet meer in de sfeer van dat boek zit. Per boek heb ik wel een plaat die ik graag op repeat zet, of een paar misschien.

Nog één citaat, tevens uit Trouw: ‘Weijers werd in één klap de vaandeldraagster van een generatie jonge vrouwelijke schrijvers die gevoeligheid paart aan zelfbewustzijn, fantasie aan diepzinnigheid.’

Dat is natuurlijk een heel groot compliment, maar ik voel mezelf niet echt een vaandeldraagster. Het gaat voor mij wel om die gevoeligheid en intuïtie, en het zijn inderdaad denkende boeken. Dat doe ik niet expres, maar dat is een beetje hoe mijn geest werkt.

Maar die groep vrouwen is toch iets toevalligers dan hoe mensen dat doen voorkomen, hoewel ik sommige van hen graag zie. Het is waar dat vergeleken met andere momenten in de geschiedenis er nu inderdaad veel jonge schrijvers vrouw zijn. En dat is heel heugelijk en fijn, en het verandert het landschap, hoe er over literatuur gepraat wordt, wat voor literatuur er geproduceerd wordt. Media vinden het natuurlijk heerlijk om dat te ‘framen’ als een groep, een generatie.

Als je op een fysieke tijd en plaats samenkomt – net zoals Willem Kloos en de tachtigers die hier in het Witsenhuis samenkwamen – is er natuurlijk altijd sprake van wederzijdse beïnvloeding. Er is een gesprek gaande, en er is een soort tijdsgeest en een bewustzijn. Maar als het erop neerkomt, lijkt Hanna Bervoets’ werk of wat Maartje Wortel schrijft toch totaal niet op dat van mij? Niemand denkt ooit: nou, ik ga eens even een boek schrijven over de tijdsgeest, of: ik ga eens even de stem van de generatie verkondigen.