fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Nicole Krauss

"In een kortverhaal moet elk woord op de juiste plaats staan of het verhaal verliest zijn effect." Gesprek door Silke Currinckx Foto: Goni Riskin

Een bejaarde vrouw wordt bezocht door haar vroegere echtgenoot aan wie ze geen enkele herinnering heeft. In een pension in Zwitserland ontdekken drie tienermeisjes hun aantrekkingskracht op mannen. Een Joodse geleerde staat op het dak met zijn pasgeboren kleinkind. Het zijn slechts enkele situaties die Nicole Krauss (1974) onder de loep neemt in haar nieuwe boek. Een man zijn is Krauss’ eerste verzameling kortverhalen. Verschillende verhalen werden al eerder gepubliceerd in tijdschriften als The New Yorker, Esquire en The Atlantic. De tien verhalen, geschreven in de loop van maar liefst twintig jaar, geven een goed beeld van de prestaties waar de schrijfster zoal toe in staat is. De verhalen van Nicole Krauss zijn impressionistisch en schetsend, ze laten de lezer soms verwonderd achter. Toch voelen haar schetsen erg intiem, de personages voelen aan als oude bekenden. Die intimiteit is ook het doel dat Nicole Krauss wil bereiken met schrijven. Ze verwoordt het zelf nog het beste: ‘Tijdens het lezen treed je binnen in een wereld zonder muren, waar intimiteit geen enkel probleem vormt.’

Nicole Krauss is een Amerikaanse schrijfster van Israëlische afkomst. Ze studeerde aan Stanford, waar ze nauw samenwerkte met de Russische dichter Joseph Brodsky. In 2002 debuteerde ze met de roman Man komt kamer binnen, die lofuitingen ontving van niemand minder dan Susan Sontag. Daarna publiceerde ze nog drie romans: De geschiedenis van de liefde (2005), Het grote huis (2010) en Donker woud (2017). Haar romans zijn in meer dan vijfendertig talen vertaald, en The New Yorker gaf Krauss een plaatsje in de lijst ‘20 writers under 40 to watch’. Momenteel woont Nicole Krauss in Brooklyn met haar twee zonen.

Karakters: Je hebt reeds vier succesvolle romans gepubliceerd, maar met Een man zijn waag je je voor het eerst aan kortverhalen. Hoe voelde het om deze nieuwe vorm te exploreren?

Nicole Krauss: Voor mij voelde het uitbrengen van een bundel kortverhalen als een groter risico, zeker in Europa. Misschien ben ik fout, maar ik heb de indruk dat kortverhalen minder populair zijn bij jullie? Amerika heeft natuurlijk een aparte literaire traditie waarin kortverhalen een grotere rol spelen, misschien daarom. Veel schrijvers beginnen hun carrière met het schrijven en publiceren van kortverhalen, maar slechts weinigen keren ernaar terug. Bij mij is het omgekeerde het geval, ik heb de schoonheid van kortverhalen pas laat ontdekt. Ik wilde altijd poëzie schrijven, dus ik had niet gedacht dat ik überhaupt romanschrijver zou worden. Als jongvolwassene schreef ik tien jaar lang uitsluitend gedichten; pas op mijn 25ste waagde ik me aan een roman. Ik wilde uitproberen of ik er het talent voor had, maar gaandeweg werd ik volledig verliefd op de mogelijkheden die proza me bood. Terwijl ik aan mijn romans werkte experimenteerde ik tussendoor ook met kortverhalen. Ongeveer de helft van de verhalen in Een man zijn heb ik gelijktijdig geschreven met Donker woud, de rest van de verhalen kwamen er later bij. Enkel het verhaal ‘Toekomstige noodgevallen’ heb ik bijna twintig jaar geleden geschreven, vlak na 9/11. Ondertussen ben ik ook van kortverhalen gaan houden, ze hebben een speelsheid en intensiteit die moeilijker vol te houden is in een roman. Het einde van een kortverhaal moet landen als een Olympische schaatser, het moet perfect zijn. Elk woord moet op de juiste plaats staan of het verhaal verliest zijn effect.

De bundel heet Een man zijn, maar de meeste verhalen zijn uit het perspectief van een vrouw geschreven of gaan eerder over de relaties tussen man en vrouw.

Dat klopt, het is veel meer dan een studie van mannen. In het Nederlands werkt de titel minder, maar in het Engels heeft hij twee betekenissen: wat het betekent om een man te zijn, maar ook wat het betekent om mens te zijn. Voor mij wordt mens-zijn gekarakteriseerd door een voortdurend conflict tussen twee polen. Enerzijds hebben mensen nood aan onafhankelijkheid, vrijheid, individualiteit. Anderzijds kan je niet bestaan zonder in relaties te treden, of dat nu met familie, partners of vrienden is. Hoe kunnen die verandering en geborgenheid samen bestaan? Een tweede vraag die me interesseert is hoe onze omgeving ons probeert te definiëren aan de hand van allerlei identiteitscategorieën. Dat kan man of vrouw zijn, Joods of christelijk, wit of zwart, … Hoe moet je omgaan met deze maatschappelijke definities? Maar nog belangrijker: hoe verzet je je ertegen? Neem nu als voorbeeld het eerste kortverhaal, ‘Zwitserland’. Hierin kijkt een vrouw terug op een ontmoeting die ze dertig jaar eerder had met een vrouw, Soraya. Als jong meisje zag zij in Soraya een vrouw die zelf haar eigen seksualiteit en kracht bepaalde, iemand die zich niet liet bepalen door vooroordelen over vrouwelijke seksualiteit. Vrouwen worden zo vaak gedefinieerd door het verlangen dat mannen voor hen voelen. Ouders verbieden hun dochters om ’s nachts over straat te wandelen. Hierdoor behoeden ze hen voor gevaar, maar tegelijk nemen ze hen hun vrijheid af. Dat is een centraal vraagstuk voor veel personages in de verhalen: ga ik me laten definiëren door wat de maatschappij van me verwacht? Kan ik de categorie waarin men me plaatst herdefiniëren, en wat zijn de limieten hiervan?

Bijna alle personages in je verhalen zijn van Joods-Amerikaanse afkomst. Hoe beïnvloedt die dubbele afkomst hun ervaring van de wereld?

Als Israëlisch-Amerikaans schrijver heb ik me nooit thuis gevoeld op één plaats. Voor mij is thuis een vervlechting van verschillende plaatsen. Dat diasporische gevoel is een typisch Joodse ervaring, maar het is ook de ervaring van elke migrant. Iedereen die ooit zijn thuisland heeft verlaten voor een ander land weet hoe het is om verdeeld te zijn tussen culturen. Voor mij zijn beide culturen even belangrijk, ik wil niet ‘integreren’. De hele Amerikaanse identiteit is gebouwd op de legende van zelfdeterminatie, het idee dat je jezelf kan uitvinden. Alles is mogelijk, je kan van nergens komen en aan de top raken. De negatieve zijde daarvan is dat we een erg ontwortelde natie zijn. Maar weinig mensen blijven in hun geboortedorp, want dat wordt gezien als stagneren. In Amerika moet je voortdurend in beweging blijven, terwijl de Israëlische cultuur veel meer nadruk legt op geborgenheid, op familiale banden. In Israël kan je niet ontsnappen aan je familie of aan je geschiedenis, hoe graag je ook wil. Beide culturen hebben hun eigen gevoelsstructuur, maar ze zijn allebei deel van me.

Toen mijn zoon jonger was wilde hij avonturier worden. Hij wilde de wereld rond reizen met een rugzak, zonder een thuis om naar terug te keren. Op een dag vroeg hij me: ‘Mama, waarom wil niet iedereen een avonturier zijn?’ Ik antwoordde hem dat elke mens zich op een spectrum bevindt tussen nieuwheid en stabiliteit. Mensen hebben coherentie en orde nodig, maar soms passen we niet meer in de vormen die we voor onszelf gecreëerd hebben. Je kan deze vorm afgooien, waarna je een onzekere periode van vormeloosheid ervaart vooraleer je een nieuwe vorm vindt. Dat is een angstaanjagende ervaring, maar ze is noodzakelijk. Hoe minder angst je hebt om je vorige vormen te vernietigen, hoe meer ruimte er is om te groeien als persoon. Always leave an open suitcase at the door, right? Zelf kan ik niet leven zonder deze figuurlijke open koffer. Ik ben er te nieuwsgierig voor, ook al is het soms destructief. Tegelijk ken ik heel wat mensen die hun koffer liever op zolder opbergen en de deur op slot doen. Ze zijn tevreden met wat ze hebben en willen niet geplaagd worden door gedachten over hoe het anders zou kunnen zijn. Natuurlijk kunnen mensen hier ook in veranderen. Sommigen leven decennia lang met een gesloten koffer, maar beginnen op latere leeftijd opnieuw. Dat is een dynamiek die ook terugkeert in mijn verhalen. Voor mij is schrijven ook een manier om vrijheid te vinden. Hoe vaak ik ook verhuis of verander, ik heb maar één leven en dat is het. Maar in mijn werk kan ik dingen ervaren die ik anders nooit zou meemaken, een leven betreden dat ontoegankelijk is voor me.

In het verhaal ‘Toekomstige noodgevallen’ verplicht de overheid de aanschaffing van gasmaskers in de nasleep van 9/11, maar de parallellen met de coronapandemie zijn natuurlijk opvallend voor een lezer in 2020.

Ik weet het! Het was zo vreemd voor me om terug te keren naar dat verhaal terwijl we nu verplicht mondmaskers dragen om niet besmet te raken. Ik schreef het verhaal in 2001, drie maanden na 9/11. Ik dacht toen veel na over de voelbare angst die in de atmosfeer hing. Je voelde gewoon dat dingen niet meer hetzelfde zouden zijn in Amerika. ‘Toekomstige noodgevallen’ gaat over de angst voor het inademen van giftige stoffen, waardoor iedereen verplicht een gasmasker moet aanschaffen. Ik denk dat de angst in de atmosfeer die ik toen metaforisch wilde uitdrukken in mijn verhaal zich heeft doorgezet in onze levens nadien. Na 9/11 werden mensen voor het eerst echt geconfronteerd met het deel van de ijsberg dat zich onder water bevindt, maar ook met de reikwijdte van globale conflicten. In mijn verhalen wil ik steeds onderzoeken welke impact dit soort gebeurtenissen hebben op de levens van individuele mensen. De actualiteit staat niet buiten ons, ze infiltreert in onze levens en de manier waarop we met elkaar omgaan. Dat zie je natuurlijk nog het best tijdens deze hele pandemie waarin mensen nieuwe manieren moeten bedenken om hun relaties te onderhouden.

In ‘Toekomstige noodgevallen’ vraagt het hoofdpersonage zich af of ze bij haar oudere vriend moet blijven. Een andere klassieke vraag: should I stay or should I go? Ze zit vast tussen het verlangen naar stabiliteit en haar groei als persoon. Uiteindelijk kiest ze om te blijven, een keuze die voortkomt uit angst voor een instabiele toekomst. Elke beslissing brengt een risico met zich mee, want je weet nooit wat de toekomst brengt. En je kan jaren later soms je hoofd breken over of een keuze wel de juiste was, maar je kan niet buiten je keuzes staan.

Een terugkerend thema in je verhalen zijn de toevallige ontmoetingen tussen mensen, die nietszeggend lijken maar toch een grote invloed uitoefenen. In het verhaal ‘Ershadi zien’ raakt het hoofdpersonage bijvoorbeeld geobsedeerd door de Iraanse acteur Homayoun Ershadi, die ze steeds opnieuw lijkt te zien.

Wat me zo raakt in toevallige ontmoetingen is de impact die mensen op elkaars leven hebben, zelfs al gaat het maar om een korte ontmoeting. Ik voel me soms ontzettend zwaar omdat ik alle mensen waarmee ik ooit intiem ben geweest met me meedraag. Al deze mensen zijn een deel van wie ik ben, zelfs degenen die nu niet meer in mijn leven zijn. De mensen waar je je aan hecht nestelen zich in je herinnering, ze vormen wie je bent. Ik ben vooral geïnteresseerd in die echo’s, in de manier waarop vroegere ervaringen blijven resoneren in het heden. Het gebeurt soms dat je iets meemaakt, maar dat deze ervaring pas jaren later kan rijpen in zijn volle betekenis. De ontmoeting tussen het hoofdpersonage in ‘Zwitserland’ en Soraya is jaren geleden, maar pas als volwassen vrouw begrijpt ze de relevantie ervan ten volle. Ik ben nu 46 jaar, je kan me gerust een vrouw van middelbare leeftijd noemen. Ik heb veel geleefd, ik heb zo veel relaties gehad, maar ik voel nog steeds de echo’s van vroegere ervaringen en ik neem hen met me mee. In Een man zijn schrijf ik over de levens van jonge en oude mensen, mannen en vrouwen, en ik laat hun ervaringen met elkaar in dialoog gaan.

In het verhaal ‘De echtgenoot’ wordt een oude vrouw bezocht door een man die beweert dat hij haar vroegere echtgenoot is. De vrouw heeft geen enkele herinnering aan hem, maar toch accepteert ze hem in haar leven zonder vragen te stellen.

Inderdaad, voor deze oude vrouw doet de waarheid van haar herinneringen er minder toe. Ze weet dat haar feitelijke echtgenoot jaren geleden overleden is, maar toch laat ze deze vreemde man toe in haar leven. Dat lijkt wat vreemd, maar ik vind het ook mooi. Soms komen mensen gewoon onaangekondigd je leven binnen, we kunnen hun aanwezigheid niet verklaren. Op die momenten word je als mens voor een keuze gesteld. Je kan wantrouwig zijn en jezelf beschermen of je kan het nieuwe omarmen en zien wat er gebeurt. Toen ik jong was wenste ik dat ik op een dag een complete vreemdeling zou ontmoeten. Deze onbekende persoon zou meteen vertrouwd voelen, we zouden het gevoel hebben dat we elkaar al jaren kenden. Ik droomde van een connectie waarbij je niet eerst alle smalltalk moet hebben die bij het leren kennen hoort, want je begrijpt elkaar intuïtief. Het klinkt misschien alsof ik liefde op het eerste gezicht beschrijf, maar het gaat niet zozeer over liefde, al kan het er een deel van zijn. Pas jaren later besefte ik: dat verlangen naar connectie, dat is wat fictie is! Op het moment dat je een boek begint te lezen kruip je in de wereld van de personages. Je slaapt in hun bed, je vertoeft in hun hoofd. Fictionele personages kunnen zo echt en intiem voelen, ze voelen soms echter aan dan de mensen rondom je. Ik wil ook dat mijn lezers zich verbonden voelen met de personages in mijn verhalen, dat er een persoonlijke band ontstaat.

Op een metaniveau is dat ook de band die ik als schrijver met mijn lezers wil. Ik leg mezelf bloot in mijn verhalen en lezers herkennen zich erin, wat een zeer intieme band doet ontstaan tussen schrijver en lezer. Tijdens het lezen treed je binnen in een wereld zonder muren, waar intimiteit geen enkel probleem vormt. Natuurlijk is er altijd een barrière tussen schrijver en lezer aangezien ze enkel kunnen communiceren via de tekst. Toch kan die barrière ook verdwijnen met momenten, zeker wanneer een verhaal iets uitdrukt waarvoor je zelf de woorden niet vindt.

Misschien kunnen teksten net daardoor zo een effectieve manier van communicatie zijn.

Ik geloof heel sterk in de connecties die teksten kunnen creëren tussen mensen. Het moment waarop je ontdekt dat jij en iemand anders van hetzelfde boek houden ontstaat er een moment van connectie, want beide personen hebben vertoefd in de wereld van dat boek. Lezen is een activiteit die je alleen doet, maar ze kan ook mensen samenbrengen. Misschien is die dimensie wel extra relevant in deze tijden, nu we allemaal zo geïsoleerd leven. Voor mij is de zoektocht naar intimiteit en connectie in elk geval een levenslange investering geweest, zowel in mijn leven als in mijn werk. Hoe diep kan ik gaan met mensen? Hoe diep kunnen ze mij affecteren?

Ervaar je die intimiteit ook met je lezers? Want ik kan me voorstellen dat je als wereldberoemde schrijfster niet de tijd kan nemen voor elk van je lezers.

Ik vind de interactie met lezers altijd moeilijk. Als een lezer naar mij toe komt voor een handtekening en wil uitdrukken wat het boek voor hen betekent, kunnen ze daar niet uitgebreid de tijd voor nemen. Tegelijkertijd kan ik hen als schrijver niet de appreciatie geven die ik wil, wat ik enorm jammer vind. Onlangs dacht ik na over hoe vreemd het eigenlijk is om een boek te publiceren. Je spendeert zo veel tijd alleen met de tekst, je kent hem zo goed, maar dan moet je hem loslaten in de wereld en verlies je de controle erover. Ironisch genoeg voel ik me het eenzaamst wanneer ik een boek net uit handen heb gegeven. Dit gevoel van verlies wordt echter meteen vervangen door een veel positiever sentiment. Voor mij is de connectie tussen schrijver en lezer namelijk nooit enkel theoretisch. Behalve mijn familie ken ik zowat alle mensen die in mijn leven zijn dankzij het feit dat ik schrijfster ben. Ik laat mijn boeken los op de wereld en zij trekken mensen aan, mensen die nu nog steeds een belangrijke rol in mijn leven spelen. Voor mij is schrijven altijd een manier geweest om mensen te bereiken die ik normaal niet zou kunnen bereiken.

Meer weten en lezen over Nicole Krauss?

Nicole Krauss debuteerde in 2002 met de roman Man komt kamer binnen waarmee ze meteen succes behaalde en onder andere genomineerd werd voor de Los Angeles Times Book Award. Haar grote doorbraak kent Nicole Krauss echter met De geschiedenis van de liefde, haar tweede roman uit 2005, die een absolute bestseller werd en uiteindelijk ook werd verfilmd.

Intussen publiceerde Nicole Krauss vijf romans en een verhalenbundel. Al haar werken werden naar het Nederlands vertaald en verschenen in het Nederlands. Zo verscheen in 2010 Het grote huis, in 2014 Clair-obscure en in 2017 Donker woud.

Naast schrijfster, is Nicole Krauss ook een echte literatuurliefhebber. Al tijdens haar studies publiceerde ze artikelen over schrijvers en dichters als Rainer Maire Rilke, Zbigniew Herbert en Joseph Brodsky in diverse literaire tijdschriften. Voor de BBC produceerde ze in 1999 een portret van Brodsky voor de radio, met wie ze vaak correspondeerde. Ook organiseerde Nicole Krauss verschillende lezingen, onder anderen met de schrijvers Susan Sontag, Derek Walcott en Jonathan Franzen.

Ook vandaag levert Nicole Krauss nog regelmatig bijdragen voor diverse (literaire) tijdschriften. Zo schrijft ze regelmatig essays en verhalen voor The New Yorker, Esquire en Harper’s.

In het verleden schreef Nicole Krauss ook poëzie, die onder andere verscheen in The Paris Review. Maar nadat ze haar thesis over Joseph Cornell in Oxford had verdedigd, stopte ze daar abrupt mee. Krauss noemde het ‘een onmogelijke zoektocht naar poëtische precisie’.