fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Mattijs Deraedt

"Mannen moeten hun ervaringen leren delen. Misschien worden we ons dan meer bewust van het feit dat toxische mannelijkheid een vorm van gedrag is, die ook weer kan worden afgeleerd." Gesprek door Stijn Demarbaix Foto: Olaf Verhaeghe

“Tijdens een rondreis door Italië viel mijn moeder over een paaltje en brak haar schouder. Ik voelde me daar schuldig over, omdat ze naast mij wandelde en ik het gevoel had dat ik haar had kunnen opvangen. Toen ik dat schuldgevoel uitte, zei mijn puberende broer: jij bent toch ook echt de labielste van ons allemaal.” Een anekdote uit de jeugdjaren van Mattijs Deraedt, die hem voor het eerst deed nadenken over de hindernissen die mannen ervaren wanneer ze hun emoties willen tonen. Een gedachte die de kern uitmaakt van Deraedts debuutbundel De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan, die in 2020 bij Poëziecentrum verscheen.

Mattijs Deraedt (1993) is afkomstig uit het pittoreske Moorsele en studeerde Schrijven aan het RITCS in Brussel. Voor zijn debuutbundel bij Poëziecentrum verscheen was hij onder andere actief als copywriter. Momenteel is hij communicatieverantwoordelijke voor het Departement Cultuur, Jeugd & Media van de Vlaamse overheid. Hij zetelde ook in de Vlaamse jury van Write Now en is poëzieredacteur bij het literaire tijdschrift Kluger Hans.

Karakters: Hoe komt het toch dat mannen het zo moeilijk hebben met het tonen van hun emoties?

Mattijs Deraedt: Omdat toxisch mannelijk gedrag verweven zit in onze maatschappij. Kijk maar naar onze huidige wereldleiders, dat zijn mannen die graag met de spierballen rollen. Echte machotypes met toxische trekjes, die zogezegd nooit onzeker zijn. Dat soort beleid link ik aan de visie die we op mannelijkheid hebben. Ook in de media is dat beeld sterk aanwezig, om niet te spreken over de manier waarop de oudere generatie naar mannen kijkt. Het lijkt me gezond voor de maatschappij dat die blik verandert.

Het is overbodig om te zeggen dat je daarmee inhaakt op de actualiteit.

Zeker, en daarmee heb ik niet alleen de MeToo-beweging op het oog. Niet alleen vrouwen zijn het slachtoffer van toxische mannelijkheid, mannen schaden er ook zichzelf mee. De zelfmoordcijfers spreken boekdelen: mannen beëindigen veel vaker hun eigen leven dan vrouwen. Ze verzeilen ook in veel grotere aantallen in de criminaliteit. Het lijkt wel alsof mannen hun opgekropte emoties alleen maar mogen uiten in woede en agressie, hetgeen als ‘mannelijk’ wordt erkend. Mannen zijn daar zelfs trots op: wanneer iemand hen fout bejegent of kwetst, scheppen ze tegen hun vrienden op dat ze zich eens goed kwaad hebben gemaakt. En daarmee is de kous af. Dan vraag ik mij af: is woede werkelijk de enige geaccepteerde manier waarop een man zijn emoties kan uiten terwijl het in essentie gaat om iets dat hem bijvoorbeeld heel droevig stemt.

Dat is een goede vraag. Welke functie vervult je bundel hierin?

Als mijn bundel het debat rond mannelijkheid kan openen, is hij meer dan in zijn opzet geslaagd. Er moet meer gesproken worden over wat het is om een man te zijn. De huidige visie op mannelijkheid is nog steeds nauw. In mijn bundel laat ik zien dat er in werkelijkheid veel mogelijke facetten zijn. Mannen moeten hun ervaringen leren delen. Misschien worden we ons dan meer bewust van het feit dat toxische mannelijkheid een vorm van gedrag is. Mannen worden niet zo geboren, maar zo gevormd. Om een voorbeeld te geven: jongens die vechten om speelgoed worden nog vaak glimlachend bekeken, want ‘boys will be boys’, maar meisjes die dat doen worden terechtgewezen, want zo gedraagt een dame zich niet.

Ben je ook bewust bezig met je eigen mannelijkheid?

Ja, zeker. Het schrijven van deze bundel werkte heel louterend. Ik heb er drie jaar aan gewerkt en merk een duidelijk evolutie in de stem en toon van de gedichten. De afdeling ‘Pantser’ schreef ik toen ik zelf niet goed in mijn vel zat. Ik werd me ervan bewust dat ik gevoelens aan het opkroppen was en dat ik nooit geleerd had hoe ik bepaalde emoties buiten mezelf moest zetten, door erover te spreken met vrienden of familie. Ik ben toen een tijdje bij een therapeut geweest en dat hielp wonderbaarlijk goed. Het leek alsof ik al een hele tijd met mijn vuilnis doelloos rondliep en het daar eindelijk kwijt kon. Sindsdien schaam ik me er niet meer voor om ook met mijn familie, vrienden of vriendin over mijn emoties te praten. Die loutering had overigens ook invloed op mijn schrijven: ik durfde opeens persoonlijke anekdotes over mezelf in mijn teksten te verwerken.

Als ‘Pantser’ een overgangsfase was, dan was de laatste afdeling ‘Ik ben geen premiejager’ de bevrijding. Het is ook de luchtigste en meest zomerse. Eenmaal ik dat pantser doorbroken had, kon ik ongeremd en vloeiend schrijven. Ik was in het reine met mezelf (lacht). Dat is misschien wat groots uitgedrukt, maar zo voelde het wel.

Kan je meer vertellen over je schrijfproces?

Ik schrijf altijd in verschillende rondes; ik laat gedichten een lange tijd liggen en probeer ze later met een frisse blik te herschrijven. Bij De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan schreef ik in periodes: eerst een rustige waarin ik alleen maar notities maakte en ideeën noteerde, dan een intensievere waarin ik in een week of twee een stuk of tien gedichten schreef. Eenmaal ik de juiste mindset heb, kan ik op basis van alles dat ik verzameld of gelezen heb beginnen schrijven en verbinden.

Zoiets kan je maar moeilijk plannen?

Inderdaad. Ik ben niet iemand die zich een dag aan zijn bureau zet en werktuiglijk aan poëzie schrijft. Dan lijkt het of ik de tekst ‘forceer’, om nu een lelijk woord te gebruiken. Ik wandel rond, doe indrukken op en schrijf losse regels in mijn gsm of een boekje. Later puzzel ik alles bij elkaar en werk ik ideeën verder uit.

Zijn er notities die zo goed waren dat ze meteen een plaats in de bundel kregen?

Het gedicht ‘Het echte België’ heb ik in twee minuten geschreven. Ik weet nog heel goed in welke context: ik zat op de verkeerde tram, het begon te regenen en ik was al veel te lang onderweg naar huis. Toen kwam dat gedicht in me op. De tijd die je in een gedicht steekt, heeft weinig te maken met de kwaliteit ervan. Dat hoor je ook bij songwriters, hun wereldhits hebben ze vaak in vijf minuten geschreven.

‘Het echte België’ geeft heel goed weer waar de bundel voor staat op vlak van poëtica: het is dromerig en luchtig geschreven, maar er schuilt ook een diepte in. Het gedicht roept vragen op en heeft verschillende mogelijke interpretaties. Een van mijn vaste meelezers zei dat hij het een politiek gedicht vond, maar ook weer niet. Vele schrijvers zouden dat een vage opmerking vinden, maar ik vond hem net heel leuk. Mijn poëzie mag niet te expliciet zijn. Ondanks mijn ambitie om tot debat aan te zetten, wil ik aan niemand mijn mening opdringen. De lezer moet er uiteindelijk het zijne mee doen.

Gedichten die je eerder publiceerde waren hermetischer. Wat heeft je ertoe aangezet om luchtiger te gaan schrijven?

Dat klinkt misschien een beetje gek, maar mijn vorige job als copywriter heeft daar een belangrijk aandeel in gehad.

Veel schrijvers zouden net claimen dat literatuur en copywriting mijlenver uit elkaar staan.

Het is uiteraard niet hetzelfde, maar het een kan het ander wel beïnvloeden, net als bij schrijvers die ook journalist zijn.

Ik schreef tijdens mijn studie vrij academisch. Maar bij copywriting gaat het om het beknopte: je schrapt je hulpwerkwoorden, maakt je zinnen korter en schrijft to the point. Dat ik met minder franjes schrijf, zie je in de bundel. Ik lees overigens zelf graag niet al te wollige literatuur. Literatuur met een zware, complexe schrijfstijl. Ik vind het fijn als ik eerder het gevoel heb naar iemand te luisteren die in een natuurlijke taal zijn verhaal doet. Want met zo’n taal is het volgens mij evengoed mogelijk om diepgang te creëren.

Een literaire inspiratiebron was de Nederlandse dichter Ingmar Heytze, die met enkele van zijn gedichten in Het Liegend Konijn indruk op mij heeft gemaakt. Zijn schrijfstijl is heel direct. Het lijkt op parlando. Toen ik dat las, wilde ik dat ook doen.

Toch zijn de thema’s zwaar. Naast toxische mannelijkheid krijgt ook sterfelijkheid een prominente plaats in je bundel.

Precies. De dood heeft me altijd gefascineerd. Als kind was ik er echt bang voor. Ik weet nog heel goed wanneer ik voor het eerst begon na te denken over de dood: in het vijfde leerjaar, toen we getuigenissen lazen over bijna-doodervaringen. Echt een heftig thema voor kindjes van die leeftijd, bedenk ik me nu (lacht). Ik was er alleszins niet goed van. Het besef dat mijn ouders en ikzelf op een dag zouden sterven, hield me nachten wakker. In het gedicht ‘Moorsele’ verwijs ik naar die jonge versie van mezelf, en probeer ik de paniek die ik ervoer bij het denken aan de dood, fysiek tastbaar te maken door het voor te stellen als een zwart lint dat stolt in de keel.

In ‘Bavikhove’ heb ik het over de overleden grootvader van mijn vriendin. Hij koos voor euthanasie, wat het afscheid heel heftig maakte. Erover schrijven werkte in zekere zin therapeutisch en heeft mij weer over de dood aan het denken gezet: ik zie hem niet langer als een lege vlakte, maar als een schaduw van iets dat graag in de zon was blijven staan, een beeld dat de titel van de bundel is geworden.

Soms heb ik het gevoel dat het best bizar is dat ik nu al zo bezig ben met de dood. Ik ben 27 jaar en van plan om heel oud te worden, waarom zou ik er nu al zoveel aandacht aan besteden? Ik ben benieuwd hoe ik erop ga terugkijken wanneer ik zelf een bepaalde leeftijd heb bereikt.

Misschien kan je er dan een reflectie op schrijven?

Ja, wie weet, met antwoorden op de vragen die in deze bundel naar voren komen. Ik ga er toch nog geen plannen voor maken.

Meer weten en lezen over Mattijs Deraedt?

Ruim voor zijn debuutbundel De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan bij Poëziecentrum verscheen, vonden de gedichten van Mattijs Dereadt weerklank in het Nederlandstalige literaire landschap. De jonge dichter publiceerde een groot aantal gedichten in verscheidene literaire tijdschriften, zoals Het Liegend Konijn, De Revisor, Op Ruwe Planken en Kluger Hans.

Op The Low Countries verscheen van Mattijs Deraedt een Engelstalige versie van het gedicht ‘Brussel’, dat in het Nederlands in De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan is opgenomen. Datzelfde gedicht las Deraedt in een video-opname voor, dat je hier kan bekijken. Over hoe de dichter de lockdown naar aanleiding van het coronavirus in 2020 ervoer, lees je op Poëzie-centraal.

Mattijs Deraedt werd in 2017 derde in de schrijfwedstrijd Write Now, één van de meest prestigieuze schrijfwedstrijden voor schrijvers tussen 15 en 24 jaar in het Nederlandse taalgebied. In 2020 zetelde hij in de Vlaamse jury van de wedstrijd en gaf hij schrijftips aan alle deelnemers.

Ook werden er enkele gedichten en korte verhalen van Mattijs Deraedt gepubliceerd op het digitaal cultuur magazine De Optimist waaronder ‘Bizon’ en ‘Kader’.

Mattijs Deraedt is overigens niet de enige dichter waar Karakters aandacht aan schonk. Zo spraken we al met Radna Fabias over Habitus, met Asha Karami over Godface en met Elfie Tromp over Victorieverdriet. Karakters publiceerde ook uitgebreide portretten over vermaarde dichters als Dante Alighieri en Malcolm Lowry.