fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Martin Michael Driessen

"Het schrijven confronteert je met je eigen grenzen." Gesprek door Nils von der Assen Foto: Bob Bronshoff

Martin Michael Driessen was dertig jaar opera- en theaterregisseur voor hij romans ging schrijven. Hij was een slow starter – zijn tweede boek verscheen twaalf jaar na zijn eerste –, maar de laatste jaren vloeit de ene na de andere titel uit zijn pen en sleepte hij verschillende nominaties en prijzen in de wacht. De verhalenbundel Rivieren, in 2016 onderscheiden met de ECI Literatuurprijs, getuigde volgens de jury van “een ingetogen grootheid, met schitterende beeldende zinnen en een onbestemde dreiging, en tegelijkertijd van een weldadige tijdloosheid”. Nu is er De heilige, een schelmenroman over een liegende, bedriegende, maar ook aanraakbare negentiende-eeuwse boef. Een gesprek over ‘het vak’, de schelm en Meer voor Mannen-films. ‘Het schrijven confronteert je met je eigen grenzen.’

Karakters: ‘Vanavond in dit theater: Martin Michael Driessen!’ had ik gevat willen openen. Blijkt u op Crossing Border niet in het theater, maar in de bibliotheek geïnterviewd te worden.

Martin Michael Driessen: Aan de andere kant: ik ben niet voor niets opgehouden met theater; ik taal er niet zo meer naar.

De bibliotheek is wat dat betreft dus eigenlijk passender. Hoe groot is die switch geweest? Het schrijven is iets erg persoonlijks, terwijl regisseren…

…oh, maar ook regisseren is enorm persoonlijk, als het goed is – als je het met gevoel en passie en ambitie doet. Dan wórdt het persoonlijk.

Toch is schrijven wezenlijk anders. Als regisseur ben je nog onderdeel van een productie, als auteur sta je er alleen voor.

Dat is inderdaad het grote verschil tussen mijn eerdere leven en wat ik nu doe. Ik ervaar het als een zegen dat ik niet meer zo sterk op andere mensen ben aangewezen om kunst te maken. Als ik het een beetje wrang uitdruk: ik ben blij dat niemand me meer voor de voeten kan lopen bij wat ik probeer te maken. Dat ik niet afhankelijk ben van het falen of het slagen van andere mensen, maar het helemaal aan mezelf te wijten heb als mijn ‘productie’ faalt.

‘Het theater is in sommige opzichten heel wreed en hard, maar schrijven is in zekere zin een harder métier.

Of als-ie slaagt.

Ja. Dan weet ik ook: dit heb ík gemaakt, dit is mijn werk. Maar als schrijver heb je geen verzachtende omstandigheden wanneer het misgaat. In het theater is dat wel zo: denk bijvoorbeeld aan de verschillende wijzen waarop de dirigent, de regisseur, het orkest en de zangers worden beoordeeld bij het slotapplaus, de mate waarin hun bijdrage wordt gewaardeerd. In het theater is het best makkelijk om de schuld bij een ander te leggen – meestal bij de regisseur. Als het team faalt, is de coach vaak de pineut. Het theater is in sommige opzichten heel wreed en hard – door onderlinge rivaliteit en concurrentie –, maar schrijven is in zekere zin een harder métier. Je word echt teruggeworpen op jezelf. Je wordt geconfronteerd met je eigen grenzen.

Maakt dat het extra spannend als er een boek uitkomt?

Dat is zeker spannend, maar je ervaart het elke keer anders. Tegen de tijd dat een boek daadwerkelijk uitkomt, heb je het vaak zelf al lang en breed afgesloten. Bij mijn nieuwste boek ging het weliswaar heel snel – ik had nauwelijks de laatste zin geschreven of het werd al gedrukt –, maar bij de literatuur zit er meestal afstand tussen de prestatie en de beoordeling. Theater is het hier en nu; als het doek valt, hoor je óf applaus óf boegeroep. Dat maakt je kwetsbaar, of juist euforisch: je hebt het nét gedaan, het gebeurt echt op het moment zelf; denk aan scèneapplaus, bravo!’s die geroepen worden. De schrijver moet wachten op z’n sterretjes. Of ik dat directe contact met het publiek mis? Nee, zeker niet. Die afstand doet me juist deugd, die heb ik zelf opgezocht.

De heilige is een schelmenroman over een man die al liegend en bedriegend door het leven slingert. In hoeverre moest u zoeken voor u de stem van Donatien gevonden had? Heeft u er iets van uzelf in kunnen leggen?

Het was verrassend makkelijk. Nadat ik de eerste zin had geschreven, ben ik niet meer opgehouden; er gingen meteen allerlei deuren open. Met Donatien extrapoleer ik heel sterk iets wat kennelijk in me zit; het theatrale, het beweeglijke, het avontuurlijke en misschien ook wel het immorele – de agressie, de begeerte. Ik wil niet zeggen dat ik al die aspecten van mijn persoonlijkheid ook daadwerkelijk uitleef – als ik dat deed had ik nu in de gevangenis gezeten –, maar het zit wel ergens. Het was makkelijk, en toen ik de eerste zinnen hardop teruglas, zoals ik altijd doe, merkte ik gelijk dat ik de stem te pakken had. Hij is een opschepper, een snoever, maar ergens ook aandoenlijk, met kinderlijke driften en begeertes.

Die tegenstelling maakt het personage interessant. Donatien is een schelm, maar ook iemand die voortdurend zoekt naar bevestiging en bescherming van mensen die een vaderrol moeten invullen.

Die zoektocht is zeker een leidmotief. Het boek begint en eindigt met een motto uit het Nieuwe Testament, met God die spreekt tot Jezus die naar de hemel gaat: ‘Dit is mijn geliefde zoon’ – mon fils bien aimé. Wat Donatien ten diepste mist, is erkenning door een vaderfiguur. Daarom is hij zo ontheemd en ontworteld.

Hebt u Joker al gezien? Ook dat is een typisch verhaal van een miskende en kwetsbare figuur die de sturende handen om zich heen kwijtraakt en uiteindelijk ontspoort; ik heb aan uw boek moeten denken toen ik zat te kijken.

Dat hoor ik graag! Erg benieuwd naar de film.

‘Zonder het al te somber te willen stellen: we wéten waartoe mensen in tijden van crisis en paniek in staat zijn.’

Het fascinerende is dat je, tegen de tijd dat je Joker als schietende superschurk tekeer ziet gaan, weet waar hij vandaan komt, hem in zekere zin begrijpt en zelfs ook medelijden voelt. Wat is dat toch, dat we ons maar al te makkelijk verplaatsen in de schelm?

Dit soort figuren zijn denk ik zo boeiend omdat, iedereen iets van zichzelf in ze herkent. Iets anarchistisch bijvoorbeeld, een zekere egomanie… Natuurlijk zijn we in de meeste gevallen onderworpen aan een strikte sociale controle – wat maar goed is ook, natuurlijk –, maar het sluimert in iedereen. Daarom oefenen figuren als Tijl Uilenspiegel en de narren en schurken van Shakespeare zo’n attractie uit. Zonder het al te somber te willen stellen: we wéten waartoe mensen in tijden van crisis en paniek in staat zijn, hoe snel ze onder een bepaald regime ontsporen. Personages als Donatien herinneren ons daaraan.

Uw boeken spelen zich in een historische context af. Had u zelf in een andere tijd willen leven?

Moeilijk te beantwoorden. Iedereen heeft denk ik tijdperken waarmee-ie een bepaalde affiniteit heeft. Dat heeft ook te maken met je eigen vorming en algemene ontwikkeling. Niet voor niets hebben ontzettend veel mensen, ook ik, een sterke voorkeur voor de negentiende eeuw, omdat die bol stond van de vernieuwing, maar op hetzelfde moment ook herkenbaar is. Toen gebeurde het écht. Met de vierde of zesde eeuw na Christus bijvoorbeeld is het een ander verhaal. Om je daar iets bij voor te kunnen stellen, moet je er echt voor gestudeerd hebben. Ik denk dat er vaak sprake is van een narcistische zelfprojectie als mensen op het idee komen dat ze misschien de reïncarnatie van een of andere farao of prinses zijn of zo. De middeleeuwen hadden me wel wat geleken, maar alleen als ik een ridder was geweest natuurlijk – hoog te paard en met een glanzend harnas en op weg om een jonkvrouw te redden. Maar een leven als lijfeigene lijkt me dan weer niks…

Een overpeinzing van Donatien die me uit het boek is bijgebleven, is: ‘Alles wat onontkoombaar is, boezemt angst in. Ook het geluk.’ Hoe zit dat met succes? U bent de laatste jaren mooi onderscheiden voor uw werk.

Alles kan angst inboezemen, ook het mooie. Dat je zo opgaat in een liefde, bijvoorbeeld, dat je bang bent jezelf te verliezen. Of dat je iets waanzinnigs presteert of meemaakt, en denkt: is dit het? Kan het nooit meer beter worden? Hoe hoger je op een koord danst, hoe groter de angst om er vanaf te donderen en alles kwijt te raken. Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn: als ik heel lekker aan het schrijven ben en daar een bepaalde zelfverzekerdheid uithaal, weet ik dat ik op ieder moment de pen kan neerleggen en de volgende keer zó weer kan doorgaan met waar ik mee bezig was. Dan voel ik me heel erg senang, om maar eens een mooi woord te gebruiken.

[In de lobby van het hotel waar we zitten zet de pianist zich aan een stuk.] Luistert u naar muziek wanneer u werkt?

Bijna nooit, een heel enkele keer – als ik probeer een bepaalde stemming vast te houden waarin ik ben, en die ik denk nodig te hebben. Dan zet ik wat rustige adagio’s op of zo.

Wat heeft u tijdens het schrijven wel nodig?

Mijn schrijftafel moet tegen een muur staan. Niet voor een raam, want ik wil alles in m’n verbeelding kunnen zien. Alles wat ik buiten zie, ‘concurreert’ met wat er in mijn hoofd moet gebeuren. En stilte, het moet heel rustig zijn. Ik moet niet gestoord worden, zelfs niet het gevoel hebben dat ik gestoord zou kúnnen worden; daarom staat mijn telefoon ook altijd uit. Dat werkt overigens bij iedereen anders, hè: ik ken ook collega’s die prima werken met reuring om zich heen. Een heleboel grote romans – vooral in die negentiende eeuw – zijn juist in cafés geschreven.

En lezen?

Ik lees altijd heel veel, maar als ik lees terwijl ik schrijf, ben ik strenger dan een orthodoxe jood wanneer het kosjerheid betreft: alleen dingen waarvan ik zeker weet dat ze mijn stijl niet verpesten. Ik krijg een soort bijgelovige angst dat als ik een slecht boek lees, ik besmet word. Eigenlijk is dat ook logisch; als je een groot deel van de dag bezig bent geweest met het maken van – hopelijk – perfecte taal, dan is het toch onverdraaglijk als je in je vrije tijd opeens meuk binnen zou laten? Dat wil je gewoon niet in je hoofd hebben. En het begrip ‘meuk’ neem ik dan heel ruim: áls ik tijdens een schrijfproces ’s avonds nog wat lees, moet het echt van Thomas Mann zijn, of van Gustave Flaubert. Anders neem ik liever een slaappil en doe het licht uit. Maar als ik niet aan het schrijven ben, compenseer ik dat weer; dan vind ik het wél lekker om van die simpele ‘Meer voor Mannen’-films te kijken. Een goeie, ouwerwetse, moralistische actiefilm, lekker Amerikaans moralistisch, daar kan ik echt van genieten. Die zijn natuurlijk niet te versmaden.

Wat doet zo’n film dan met uw systeem; zet-ie de deuren even tegen elkaar open?

Zo’n run of the mill-actiefilm werkt geruststellend – je weet wat er gaat gebeuren, je kent de wetten van Hollywood. Hij bevredigt een zekere hang naar banaliteit en trivialiteit die denk ik in iedereen schuilt; in mij in ieder geval wel. Grote kunst daarentegen is altijd verontrustend. Vanavond word ik geïnterviewd met de IJslandse schrijver Jon Kalman Stefánsson. Die heb ik de afgelopen avonden gelezen, en dat is zó goed dat ik er niet van kon slapen. Dat is wat grote schoonheid bewerkstelligt… zoals een mooie vrouw je ook danig kan verontrusten.

Zijn er nog andere elementen die voor u bij een vruchtbaar schrijfproces horen?

Voor mij is het essentieel dat ik me op een schrijfdag ook lichamelijk inspan. Ik klus heel veel op de woonark waarop ik woon. Daar is altijd wel wat aan te doen, dus ik ben altijd steigers aan het bouwen, aan het renoveren. En het geeft me voldoening om ook iets met m’n handen te doen en me fysiek in te spannen – buiten, maar ook in de sportschool. Eigenlijk ‘schrijf’ ik het meest op de roeibank, daar komen de zinnen en bepaal ik wat ik ga schrijven als ik weer thuis ben.

En komen er op die roeibank alweer volgende werken tot stand? Bent u met iets nieuws bezig?

Zeker. Ik heb een hele wachtrij van ideeën in mijn hoofd, maar heb mezelf nu toch een schrijfpauze verordonneerd omdat ik bang ben dat het te snel gaat. Ik zeg niet ‘te gemakkelijk’, dat is het zéker niet, maar ik heb de afgelopen vier, vijf jaar erg veel geschreven, en ik wil vermijden dat ik me overhaast en me al te snel weer laat meeslepen door een nieuw project. Dus ik neem even pauze en ga heerlijk vertalen: Der Hagestolz – wat zoveel betekent als ‘de vrijgezel’, een prachtige roman van Adalbert Stifter, een Oostenrijkse schrijver uit de Biedermeierperiode. Dat houdt me wel even van de straat.

Meer weten over Martin Michael Driessen?

Martin Michael Driessen (1954) debuteerde in 1999 na een carrière als opera- en toneelregisseur – hij kon dankzij zijn tweetalige opvoeding een opleiding volgen in München en verscheidene gewaardeerde vertalingen van toneelteksten van en naar het Duits op zijn naam zetten – met de roman Gars. In 2012 pas volgde Vader van God en een jaar later Een ware held. Zijn boeken ontvingen veel lof, werden meermaals genomineerd voor verschillende prijzen en vertaald in het Engels, Italiaans, Duits, Hongaars en vele andere talen. In 2015 verscheen de omvangrijke roman Lizzie, waarvoor Martin Michael Driessen samenwerkte met dichteres Liesbeth Lagemaat.

In 2016 verscheen zijn verhalenbundel Rivieren bij Van Oorschot (zijn eerder gepubliceerde boeken verschenen bij Wereldbibliotheek). Rivieren kwam op de shortlist van de Fintro Literatuurprijs stond en bezorgde Martin Michael Driessen de ECI literatuurprijs én ECI lezersprijs. Met zijn roman De pelikaan stond hij op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2018. In oktober 2018 verscheen de verhalenbundel Mijn eerste moord en andere verhalen.

Martin Michael Driessen vertelde op Klara in het programma De liefhebber over zijn muzikaal verleden en gaf de luisteraar een ‘kijkje’ in zijn platenkast. Bekijk hier een fragment waarin Martin Michael Driessen uitweidt over De pelikaan en lees aldaar over zijn bijdrage aan Crossing Border eind 2019.