Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Marek Šindelka

"Ik vergelijk boeken weleens met vampiers. Om ze te kunnen schrijven, vragen ze je bloed, je emoties en je zintuigen." Gesprek door Alma Schuringa Foto: Willemieke Kars

Marek Šindelka (1984) wordt beschouwd als het wonderkind van de Tsjechische literatuur. Hij debuteerde met de dichtbundel Strychnine (2006) en publiceerde tot op heden vijf romans en een hele resem korte verhalen. In het Nederlands verschenen bij Das Mag achtereenvolgens Anna in kaart gebracht (2016) en Materiaalmoeheid (2018), waarvoor Šindelka de Magnesia Litera, de belangrijkste literaire prijs van Tsjechië, ontving. Veel eerder verscheen bij Voetnoot al de novelle Polaroid (2012), waarin een jongeman in een prullenbak een mislukte polaroidfoto van een meisje en die hem aanspoort om naar het meisje op zoek te gaan. Tijdens zijn laatste bezoek aan Amsterdam gingen we met hem in gesprek.

Karakters: Je laatste roman, Materiaalmoeheid, vertelt het verhaal van twee broers, die samen naar Europa proberen te vluchten. Hoe ontstond het idee voor om een roman over dat onderwerp te schrijven?

Marek Šindelka: De periode waarin ik Materiaalmoeheid schreef, werd gemarkeerd door de twee dingen die naast elkaar zouden opgroeien: de geboorte van mijn dochter en de vluchtelingencrisis.

Vanaf het moment waarop mijn dochter ter wereld kwam, realiseerde ik me dat ze onmiddellijk tot de elite van deze planeet zou behoren. Dat ze met haar paspoort overal ter wereld welkom zou zijn. Terwijl op hetzelfde moment, ergens anders op de wereld, een kind zonder diezelfde privileges werd grootgebracht − als een schaduwversie van mijn eigen kind. Door dat beeld werd ik ontzettend geraakt en ik voelde me er op een bepaalde manier verantwoordelijk voor. Toen ik las over het verschrikkelijke ongeluk in Oostenrijk, waarbij een groep vluchtelingen in een vrachtwagen de verstikkingsdood tegemoet reed, kwamen al die beelden op de een of andere manier samen.

Hoe uitte zich dat?

Als een stortvloed aan emoties; verdriet, een soort rare melancholiek, woede en schaamte. En daar moest ik op een bepaalde manier mee zien te dealen. Zo begon ik met schrijven. Aanvankelijk was ik van plan een inktzwart boek te schrijven, dat zich enkel in het binnenste van de vrachtwagen zou afspelen. De laatste paar minuten van de mensenlevens die zich daar bevonden. Maar dat idee moest ik gaandeweg aanpassen. Het was te ondragelijk. Ik was simpelweg niet in staat om het te schrijven.

Toch schuw je zware en claustrofobische passages niet, in de uiteindelijke versie.

Hoewel ik begrijp dat niet iedereen de intensiteit ervan aankan, heb ik daar heel bewust voor gekozen. Materiaalmoeheid moet iets aanwakkeren in de lezer. Literatuur kan namelijk een bepaalde betrokkenheid creëren die via andere media veel minder goed overkomt. Het biedt de ruimte aan menselijke ervaringen die normaal gesproken onder de oppervlakte liggen. In de politiek zie je vaak alleen de toppen van die ijsbergen, terwijl literatuur erin slaagt om diep onder de zeespiegel te geraken. Het dompelt je onder in een situatie, dwingt je om voor een ander te voelen. Alsof je je in een levensechte droom bevindt waar alles tastbaar, zichtbaar en hoorbaar is. Dat gevoel, het gevoel dat al je zintuigen worden aangesproken, was wat ik met de tekst wilde bereiken.

Dat is angstaanjagend goed gelukt, terwijl de levensverhalen van de personages relatief ver van je afstaan. Hoe verhoud je je als schrijver tot die afstand?

Ik heb van tevoren veel research gedaan en de verhalen van ervaringsdeskundigen verzameld. Dat zijn verhalen die, voor de mensen die ze mee hebben gemaakt, vaak gelden als het belangrijkste wat ze bij zich dragen. Verhalen die ze eindeloos hebben moeten herhalen bij alle checkpoints die ze op hun reis hebben gepasseerd. Verhalen die aan moeten kunnen tonen hoeveel iemand iemand geleden heeft om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Verhalen die compleet afgestompt raken naarmate ze steeds weer opnieuw worden verteld.

‘We leven in een broedmachine van luxe en verliezen daarin de notie van hoe het voelt om te leven.’

Ik wilde proberen om die verhalen over te brengen, maar voelde me tijdens het optekenen ervan geregeld een soort aasgier, een ramptoerist. Om die reden heb ik expliciet gekozen voor fictie als medium. Ik heb dat gevoel tevens geconfronteerd in het boek zelf door in een van de hoofdstukken te beschrijven hoe een groep westerse ramptoeristen die oorlogsgebieden intrekken om ‘souvenirs’ te verzamelen. Helaas is dat geen fictief gegeven. In de Verenigde Staten bestaat een reisbureau dat uitsluitend tochten organiseert naar locaties waar afschuwelijke dingen zijn gebeurd of nog steeds gaande zijn. Een van de personages baseerde ik bovendien op een man die regelmatig dit soort reizen onderneemt. Op de schoorsteenmantel van zijn villa, waar hij woont met zijn vrouw en twee kinderen, staan menselijke resten en kogels ‘uitgestald’. Ik werd misselijk toen ik me in hem verdiepte. Hij wordt regelmatig uitgenodigd voor televisie-interviews maar reflecteert daarin geenszins op de situatie.

Dit stuitende voorbeeld staat echter niet op zichzelf, het is slechts het product van een universele trend. De obsessie met beeldmateriaal en de drang om in een zo hoog mogelijke resolutie, zo dicht mogelijk in de buurt van rampen te komen. Om zo maar iets te kunnen voelen. Dat is een hele duistere kant van de westerse samenleving. We leven in een broedmachine van luxe en verliezen daarin de notie van hoe het voelt om te leven.

In een andere scène beschrijf ik een fotograaf die een vrijwilliger sommeert om telkens opnieuw hetzelfde flesje water aan iemand te overhandigen. En dat alleen maar om een zo goed mogelijke foto te kunnen schieten. Die passage voelde voor mij als een soort bekentenis waarin ik mijn eigen positie aankaart; een positie die zowel kwetsbaar als problematisch is. Er had namelijk net zo goed een schrijver kunnen staan. Ik besef dus heel goed dat ik me op glad ijs bevind wanneer ik schrijf over mensen uit andere culturen. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om onze eigen cultuur een spiegel voor te houden.

Is dat waarom je ervoor koos om vooral vanuit de lichamelijke ervaring te schrijven? Om de afstand tussen jou en de personages te verkleinen?

Precies. Het lichaam is een universeel, menselijk gegeven. Ieder mens zit vast aan een lichaam, als een pantser dat ons omhult. Het definieert ons. Het is het eerste wat we bezitten wanneer we geboren worden en uiteindelijk ook het laatste. Bij de mensen wiens verhalen ik optekende veranderde het lichaam in een last. Een last omdat je het lichaam als een vracht over landsgrenzen heen moet zien te transporteren om zo uiteindelijk een nieuw leven te kunnen beginnen. Uiterlijke kenmerken worden gereduceerd tot bewijsmateriaal, die zich tegen je eigen aanwezigheid uitspreken. Het lichaam vormt een probleem en wordt op die manier als het ware losgekoppeld van het individu.

‘Als schrijver kun je gemakkelijk verdwaald raken in je eigen labyrint. Dat is het moment waarop depressies de kop op steken en de gedachte dat je nooit iets van waarde zal kunnen schrijven.’

Welke rol speelde het lichaam tijdens het schrijven? Gold het schrijfproces voor jou ook als een lichamelijke ervaring?

Absoluut. Ik vergelijk boeken weleens met vampiers. Om ze te kunnen schrijven, vragen ze je bloed, je emoties en je zintuigen. Je moet iets inleveren om in het verhaal te kunnen investeren. Tijdens het schrijven zat ik vaak zwetend boven mijn laptop gebogen, alsof ik zware fysieke arbeid aan het leveren was. Maar vooral daarna, toen alles al op papier stond, had het schrijfproces zijn weerslag op mijn lichaam. Bij het verschijnen van het boek las ik een hoofdstuk voor op de boekpresentatie. Het moment dat ik stopte met lezen en de microfoon uitzette, voelde ik een scherpe pijn in mijn nek en keel opkomen. Toen ik thuiskwam bleek ik bijna veertig graden koorts te hebben. Ik heb drie weken volledig uitgeput in bed gelegen. Het verhaal zat in mijn botten en organen en het moest er op een bepaalde manier uit.

Hoe slaag je erin om jezelf aan het werk te houden terwijl die vampier je ondertussen leegzuigt? Ik kan me voorstellen dat gevoelens van hopeloosheid een werkproces niet ten goede komen.

Dat is niet eenvoudig maar het is belangrijk dat je je niet volledig door dat gevoel laat verslinden. Als schrijver kun je gemakkelijk verdwaald raken in je eigen labyrint. Dat is het moment waarop depressies de kop op steken en de gedachte dat je nooit iets van waarde zal kunnen schrijven. Ik ben op zulke momenten constant bang dat ik iets essentieels ben kwijtgeraakt. Maar uiteindelijk komt er altijd iets tot stand. Zij het op een voor mijzelf vaak onnavolgbare manier dat je het beste kan vergelijking met een duister alchemistisch proces dat moet worden aangezwengeld met een heleboel koffie (Lacht). Soms vraag ik me naderhand af wie er nu eigenlijk aan het werk was. Was ik dat? Of iets of iemand anders?