fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Jón Kalman Stefánsson

"Leven, dood, God, tijd, herinnering: voor mij zijn dat geen grote thema’s, maar de meest gewone onderwerpen die er zijn." Gesprek door Stijn Demarbaix Foto: Einar Falur Ingólfsson

De lobby van het Mercure Hotel in Den Haag. 13u45. We wachten op ‘de reus van de moderne IJslandse literatuur’ en Nobelprijskandidaat, Jón Kalman Stefánsson. Met een bang hartje, want door zulke adelbrieven gaat onze fantasie met ons op de loop en zien we Stefánsson voor ons als een arrogante schrijver met rocksterkapsones die te laat aankomt op elk interview, zijn interviewer met pseudo-intellectuele rimram overbluft en het na een kwartiertje afbolt omdat hij de vragen beu is. Een beeld dat niet kan kloppen, want een narcistische driftkikker zou nooit romans kunnen schrijven die zich laten typeren door een poëtische beschrijving van het uitgestrekte IJslandse landschap en de innerlijke gevoelswereld van in zichzelf gekeerde personages. Of een boek als Het verhaal van Asta (2017), waarin een oude man van een ladder valt en stervend op het trottoir begint te vertellen over zijn dochter Asta, die het in haar leven niet altijd gemakkelijk heeft gehad.

De werkelijkheid wint het van de verbeelding wanneer de deuren van de lift openschuiven en Jón Kalman Stefánsson stipt op tijd in de lobby verschijnt. Voor ons staat een minzame IJslander, die met zijn zachte stem verzoekt of hij eerst nog een biertje kan bestellen voor ons gesprek begint, om de dorst te lessen die een reis uit IJsland teweegbrengt. Natuurlijk kan hij dat. Vervolgens zet hij zich aan een tafeltje, nipt van zijn glas en kijkt ons vriendelijk aan, klaar om de eerste vraag te beantwoorden.

Karakters: Laten we beginnen met IJsland, dat alomtegenwoordig is in je werk. Is opgroeien in IJsland anders dan op het Europese vasteland?

Jón Kalman Stefánsson: Dat is moeilijk te zeggen, aangezien ik mijn jeugd alleen daar heb doorgebracht. Al ligt IJsland wel afgelegen en heeft het geen buurlanden. Zeker het IJsland van mijn jeugd lag ver weg van alles. Het was niet de gewoonte om zomaar de grenzen over te steken, reizen was duur en er kwamen veel minder toeristen langs. Je krijgt dan een beetje het gevoel dat je geen deel uitmaakt van de wereld. Typisch iets voor eilandbewoners, waarschijnlijk.

Heeft dat gevoel invloed gehad op je schrijven?

In zekere zin wel, je vindt dat terug in mijn boeken. Anderzijds heeft het buitenland, en daarmee bedoel ik dan buitenlandse auteurs, ook heel wat invloed op me gehad hoor. Toen ik startte met schrijven, ging IJsland zich steeds meer openstellen. Niet dat literatuur zich overigens iets aantrekt van grenzen. Dat is er zo geweldig aan. Zelfs de auteurs van onze saga’s, de grote IJslandse literatuur uit de twaalfde en dertiende eeuw, keken over de landsgrenzen heen en lieten zich beïnvloeden door buitenlandse schrijvers. Die invloed heeft er mee voor gezorgd dat die saga’s zo goed zijn.

Voor je professioneel begon te schrijven, werkte je onder meer in een visfabriek en een slachthuis, en was je een tijdje metselaar.

Ik was vijftien toen ik met school stopte. Ik had geen idee wat ik met mijn leven wilde aanvangen en had niet het gevoel dat ik ergens bij hoorde. Het heeft even geduurd voor ik door had wat werkelijk in mijn bloed zat: schrijven. Nu ik erop terugkijk, ben ik blij dat ik die weg ingeslagen ben. Zeker de periode bij het visbedrijf heeft indruk op me gemaakt en komt vaak in mijn romans aan bod. Er wordt nu heel anders in de vis gewerkt dan toen ik er nog aan de slag was. Dat geeft me het gevoel dat ik iets ervaren heb dat nu tot het verleden behoort. Daarover schrijven, vind ik leuk.

Probeer je dan de herinnering aan het verleden te conserveren door dat verleden te beschrijven?

Zoiets ja. Zeker als het gaat over de herinnering aan overledenen. Volgens mij sterft iemand tweemaal: de eerste keer een fysieke dood en een tweede keer wanneer die vergeten wordt. Daarom is het de plicht van de levenden om de doden te herinneren en hun verhalen te vertellen. Want het leven is een constant gevecht tegen de dood, en als de mens zich bezighoudt met herinneren, wint het leven.

‘De dood is zo onlosmakelijk verbonden met ons leven, dat je niet een of andere speciale pief moet zijn om erover te praten.’

Die grote universele thema’s als het leven en de dood markeren je oeuvre.

Ik vind het altijd een beetje raar als iemand dat zegt. Leven, dood, God, tijd, herinnering: voor mij zijn dat geen grote thema’s, maar de meest gewone onderwerpen die er zijn. Spreken over pakweg een glas melk of de dood is toch hetzelfde? De dood is zo onlosmakelijk verbonden met ons leven, dat je niet een of andere speciale pief moet zijn om erover te praten. Evenmin heb je er geleerde of moeilijke woorden voor nodig. De dood is overal en houdt de mensheid al vanaf het begin in de ban. Het is zowel iets groots als iets heel gewoons. In mijn ogen schrijf ik dus over de meest alledaagse dingen.

Wil je die grote, alledaagse thema’s op die manier eerder relativeren?

Dat niet per se. Ik schrijf gewoon op de manier hoe ik de wereld zie en hoe ik over het leven denk. Dat is de enige manier waarop ik kan schrijven.

Dus je gaat die thema’s niet opeens opzijschuiven en, ik zeg maar, een detectiveverhaal schrijven?

(lacht) Ik ben er zeker van dat ik dat niet zou kunnen. Ik zou dolgraag kortverhalen schrijven, maar ook dat is niet mijn talent. De Franse Nobelprijswinnaar Patrick Modiano kan dat fantastisch. Zijn boeken zijn kort en gebald, en spelen zich af in enkele straten van Parijs. Het zou een ramp worden als ik dat zou proberen te imiteren. Hij kan dat zo goed, omdat dat zijn manier van denken is. Hij voelt de wereld zo aan. Ik niet. Je schrijft hoe je bent.

Je gaat ook nooit een poging wagen? Wie weet valt het goed mee.

Ik ken mezelf goed genoeg om te weten dat het niets voor mij is. Maar ik tracht er natuurlijk naar niet altijd hetzelfde te schrijven. Ik vergelijk mezelf graag met een muzikant die aan een piano gaat zitten en begint te spelen. Diep vanbinnen weet hij wat hij gaat spelen, maar hoe het er precies zal uitkomen en hoe het gaat klinken is voor hem een even grote verrassing als voor de luisteraar.

Je schrijfproces is dus erg intuïtief?

Dat kan je wel zeggen, ja. Ik start en laat me leiden door mijn gevoel, dat me overigens altijd op een dwaalspoor brengt. Ook bij dit boek (wijst naar een exemplaar van Het verhaal van Asta dat op het tafeltje ligt). Vaak heb ik vijftig procent van wat ik schreef moeten wegkieperen. Voor een aantal weken volg ik een idee, tot ik erachter kom dat het verhaal, dat de tune die ik volg op niets uitdraait. Dan moet het weg.

Kan je een specifiek voorbeeld geven voor Het verhaal van Asta?

Vooral met het begin van het boek had ik moeilijkheden. Het duurde even voor ik de juiste tune gevonden had. Zo wilde ik het verhaal eerst laten starten in Oslo, in plaats van in Reykjavik. Ik had in een krantenartikel gelezen dat in 1980 in heel Noorwegen was afgesproken om vijf minuten het werk neer te leggen en stilte te houden uit solidariteit voor de arbeidersstaking in het Poolse Gdansk. Hoe mooi, maar ook naïef is het om te denken dat vijf minuten stilte een impact zou hebben op iets dat meer dan duizend kilometer verderop gebeurt? Hoe dan ook wilde ik Het verhaal van Asta tijdens die minuten stilte laten starten. Ik had al een honderdtal pagina’s geschreven, maar langzamerhand voelde ik aan dat er iets niet klopte. De muziek, om het zo te zeggen, zat niet juist. Toen ik de minuten stilte overboord smeet en IJsland als decorum nam, kwam er ritme in.

Het verhaal van Asta is niet alleen het verhaal van het personage Asta. Ook haar familie komt ruimschoots aan bod.

Ik realiseerde me dat het onmogelijk zou zijn haar verhaal te vertellen zonder de mensen rondom haar uit te diepen. Een levensverhaal is nooit van iemand alleen en het start ver voor iemand geboren is. Te beginnen bij de ouders. Toen ik eenmaal doorhad dat het verhaal van haar ouders cruciaal zou zijn voor Asta, was ik vertrokken. Dat was de tune die ik moest volgen.

‘Ik heb altijd al de drang gehad om de wereld te redden. Van wat weet ik niet precies. De duisternis of het fascisme misschien?’

Je blijft zinspelen op muziek. Luister je er ook naar terwijl je schrijft?

In de eerste versies, die ik met de hand schrijf, is stilte van belang. Wanneer ik wat ik geschreven heb op de computer uittyp, durf ik wel wat muziek opzetten. Op voorwaarde dat het muziek is waar niet in wordt gezongen, dat zou me afleiden. En ook niet al te swingende muziek. Eerder mellow jazz en klassieke muziek die niet al te veel op en neer gaat.

Tot slot: hier en daar wordt gefluisterd dat je een kandidaat bent voor de Nobelprijs voor Literatuur. Wat denk je daar zelf van?

Zo’n prijs zou vooral heel wat financiële problemen oplossen (lacht). Nee, uiteraard zou ik het winnen van de Nobelprijs heel leuk vinden. Ik heb altijd al de drang gehad om de wereld te redden. Van wat weet ik niet precies. De duisternis of het fascisme misschien? Hoe dan ook probeer ik met mijn boeken van de wereld een betere plek te maken. Dat klinkt allemaal een beetje naïef, ik weet het. Ik ben er me eveneens van bewust dat ik met mijn boeken geen invloed uitoefen op het politieke systeem. Maar als mijn romans in een persoon iets teweegbrengen, al is het maar bij één lezer, win ik. Dus stel dat ze aan mij de Nobelprijs uitreiken, dan bereiken mijn boeken meer lezers en is er een grotere kans dat ik in iemand iets teweegbreng. En wie weet kan ik zo de wereld toch een beetje redden (glimlacht). We zien wel wat er gebeurt.