fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Jeroen Olyslaegers

"Ik ben gefascineerd door het verleden omdat het ons de rare kans biedt om echo’s te vinden in het heden." Gesprek door Leen Verheyen Foto: Stephan Vanfleteren

Jeroen Olyslaegers is een van die schrijvers die vandaag wellicht geen introductie meer nodig heeft. Na eerder al in de prijzen te zijn gevallen met zijn teksten voor theater en de romans Wij en Winst, brak hij in 2016 definitief door bij het grote publiek met Wil. Die roman werd bekroond met de Fintro Literatuurprijs van zowel lezers- als vakjury, de Confituur Boekhandelsprijs, de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Proza, de F. Bordewijk-prijs en de Vierjaarlijkse Prijs voor proza van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren. Recent verscheen zijn langverwachte nieuwe roman Wildevrouw, waarin Olyslaegers een duik neemt in het Antwerpen van de zestiende eeuw. Door de ogen van Beer, een herbergier die door omstandigheden in onfrisse zaken terecht komt, zien we hoe in het florerende Antwerpen de beeldenstorm losbarst en hoe de stad aan innerlijke conflicten ten onder gaat. Volgens menig recensent is Wildevrouw Olyslaegers’ beste roman tot nog toe. Wij gingen met de schrijver in gesprek over de magie van het schrijven, de troost van het verleden en het belang van empathie.

Karakters: Wildevrouw speelt zich af in een boeiende periode uit de geschiedenis, waar tegelijkertijd veel mensen vandaag nog weinig over weten. Je hebt voor je roman samen met je vriend Stef Franck dan ook veel onderzoek gedaan naar de periode waarin het verhaal zich afspeelt. Had je van begin af aan al een duidelijk idee voor ogen van waar je met het verhaal naartoe wou of heeft de roman in grote mate vorm gekregen tijdens die research?

Jeroen Olyslaegers: Beide. Zo’n werkproces is waarschijnlijk het best te vergelijken met vissen. Als je een specifiek plekje aan een rivier uitkiest om te gaan vissen, weet je op voorhand niet wat je te pakken zal krijgen. In mijn geval is die rivier de zestiende eeuw. Stef en ik hebben een plek gekozen aan die rivier en daar een zo wijd mogelijk net uitgegooid. Net zoals een visser gebruik je bij de keuze van die plek je intuïtie. Welke grote vissen er in eerste instantie in dat net blijven hangen, bepalen het verloop van het schrijven. Maar wanneer je begint te vissen vertrek je dus wel al van iets: je hebt een net en je vist op een bepaalde plaats. In het geval van Wildevrouw was dat vertrekpunt het hoofdpersonage. Ik wist dat het een herbergier moest zijn, omdat ik toevallig één belangrijke bron had over herbergen in de zestiende eeuw in Antwerpen. Vervolgens zit er een wildevrouw in dat net die Stef heeft gevonden en dan begint het zich gaandeweg zo te ontwikkelen. Ik heb dus wel een bepaald idee om van te vertrekken en dan begin ik dingen te vissen en begint de plotlijn zich te ontwikkelen.

Het creatief proces is in essentie een magische praktijk. Die praktijk gaat ervan uit dat alles met elkaar verbonden is: alles is één is en die eenheid genereert op zich ook betekenissen. Als magiër kan je die energie oppikken en daar iets mee doen. Als je dat vergelijkt met schrijven, is het zo dat je als schrijver niet naar verhalen aan het zoeken bent. Je maakt jezelf dat wel wijs, maar voor mij zijn verhalen organische dingen die zich proberen te materialiseren door mij. Er zijn ontelbare verhalen en die verhalen zoeken naar een drager of een medium. Dat medium is de schrijver en zo geraken die verhalen gematerialiseerd. Ik kan anders niet verklaren waarom die wildevrouw op ons pad is gekomen. Zij heeft namelijk wel bestaan, maar ze is helemaal verdwenen uit de geschiedenis. Nu heeft ze zich gematerialiseerd door mijn tekst. Dat maakt het schrijven magisch. Het tegenovergestelde idee, namelijk dat van een schrijver die op zoek gaat naar iets en dat vervolgens vindt, slaat volgens mij nergens op.

Het zijn in feite de verhalen die mij kiezen. Het is, denk ik, te vergelijken met het cliché dat het huis voor jou kiest. Jij kiest niet voor een huis, maar je komt op een plek en je voelt je daar goed en welkom. We spreken daar niet over, omdat dat niet past binnen ons rationeel denken. Verliefdheid is net hetzelfde: het idee dat je op zoek gaat naar iemand is in de praktijk van de liefde een totaal krankzinnige gedachte. Blijkbaar word je gekozen voor een bepaald soort liefde. Ook daar praten we niet over, omdat het moeilijk is om daar binnen een rationele samenleving woorden voor te vinden. Maar creativiteit, het gekozen worden en verliefdheid zijn eigenlijk allemaal met elkaar verbonden.

Je hebt samen met Stef Franck ook een website gemaakt, waarop je als lezer historische achtergrond kan terugvinden bij de personages en de gebeurtenissen. Waarom wou je de roman hiermee aanvullen?

We wilden ervoor zorgen dat mensen niet louter naar Wikipedia zouden gaan. Ik sta met mijn onderzoek altijd op de schouders van andere mensen, dus ik vond het belangrijk om de voornaamste bronnen op die website te vermelden. Bovendien heb ik geen geschiedenisboek geschreven, maar een historische roman, waardoor ik af en toe ook een alternatieve geschiedenis vertel. Ik vond het dus niet slecht om ook aan te geven wat de redenen zijn waarom ik bepaalde keuzes heb gemaakt. Bovendien voel je dat er bij lezers een grote interesse is voor geschiedenis, niet alleen in fictie, maar ook in non-fictie, zoals het succes van De Bourgondiërs van Bart Van Loo duidelijk maakt. Daarnaast zijn er ook meer en meer mensen die vreemd genoeg iets graag lezen omdat het echt gebeurd is. Daar speel ik dan graag mee als romancier. Ik geef mensen beide: ik geef dingen die echt gebeurd zijn, maar ik geef ernaast ook een realiteit die ik helemaal heb verzonnen. En ik denk dat het leuk is voor de lezer om zelfs tijdens het lezen de website al te raadplegen. Het zou een wisselwerking kunnen zijn die volgens mij ook echt perfect werkt.

Ik hoorde je in een interview zeggen dat je door het schrijven van Wil ook met een blik van de Tweede Wereldoorlog naar Antwerpen was gaan kijken en dat je het moeilijk vond weer los te komen van die houding. Heeft Wildevrouw bij jou een gelijkaardig effect gehad? Je maakte bijvoorbeeld de vergelijking met de zwarte doos van een vliegtuigcrash, waarbij je de zestiende eeuw als de zwarte doos van het Antwerpen van vandaag kan bekijken. Waar zie jij dat in terug?

De zestiende eeuw is een sleuteleeuw voor Antwerpen en om Antwerpen beter te begrijpen valt het aan te raden die zestiende eeuw te proberen doorgronden. Dat kan natuurlijk maar tot op zekere hoogte, want hoe doorgrond je een eeuw? Ik ben gefascineerd door steden omdat ik die steden op een bepaalde mentaliteit wil betrappen en ik denk dat die mentaliteit een bepaald soort archeologie heeft, een psychoarcheologie. Ik geloof ook nogal erg in psychogeografie, namelijk in de idee dat er van wat decennia of eeuwen geleden in een bepaalde stad of op een plek gebeurd is, een energie blijft hangen. Het is fascinerend om zulke dingen dan juist te weten en te doorgronden. De zestiende eeuw is het begin van de moderne tijd en dan maken we Antwerpen in volle expansie en volle glorie mee. Daardoor ontstaan er natuurlijk, en dat beschrijf ik in de roman, bepaalde spanningen.

Ik ben gefascineerd door het verleden omdat het ons de rare kans biedt om echo’s te vinden in het heden. Dat brengt een soort van troost teweeg, omdat je beseft dat mensen daar zijn doorgekomen. In coronatijden is het beste voorbeeld daarvan de Spaanse griep. Een eeuw geleden hebben mensen dit meegemaakt na de al vreselijke periode van de Eerste Wereldoorlog. Als je dan denkt aan de complexiteit van de huidige situatie en aan de moeilijke afwegingen die we vandaag moeten maken, dan geeft het troost om terug te denken aan de Spaanse griep, omdat je beseft dat je overovergrootouders zoiets hebben meegemaakt en er ook zijn door gesparteld.

Door Wil te schrijven had ik echt een probleem ontwikkeld, omdat ik alleen nog maar de Tweede Wereldoorlog zag in Antwerpen. Dat is krankzinnig. Hoe erg het ook is geweest, die oorlog beslaat maar vijf jaar uit de geschiedenis van de stad. Nu is het al wat meer uitgebalanceerd.

Eigenlijk heb ik de onmogelijke ambitie om op basis van onderzoek dat ik zelf heb gedaan over de geschiedenis van Antwerpen, uiteindelijk tot een moment te komen dat ik bij wijze van spreken alles overschouw. Ik zou de stad echt helemaal willen doorgronden, wat een onmogelijke droom is, maar het zou mij wel fascineren.

Vandaag de dag staan mensen, zeker op sociale media, al snel met een oordeel over anderen klaar. Jouw romans lijken daar tegenin te gaan: in Wil en Wildevrouw beschrijf je de hoofdpersonages met een soort mededogen en lijk je te proberen begrijpen hoe ze tot bepaalde keuzes komen. Door de complexiteit van menselijke beslissingen bloot te leggen, laat je zien dat we ons oordeel soms maar beter opschorten. Denk je dat via die houding de literatuur een belangrijke bijdrage kan leveren aan de samenleving?

Ja, dat opschorten van het oordeel is zeker het belangrijkste. Ik heb dat in de context van Wil al een paar keer gezegd, maar ik denk dat het bij Wildevrouw net zo goed geldt. Het probleem met het moreel oordeel is dat het altijd achteraf komt. Daar zit dus altijd iets hypocriets en dubbelzinnigs aan. Maar ik heb niets tegen dubbelzinnigheid en hypocrisie. Ik vind dat juist fascinerende eigenschappen van de menselijke soort. Ik denk dat we volwassener zouden kunnen omgaan met leugen en waarheid en vooral met de menselijke tragedie, als we die dubbelzinnigheid en hypocrisie meer zouden accepteren als een deel van onze persoonlijkheid of van onze collectieve psyche. Roberto Calasso schrijft in een van zijn laatste boeken over wat hij ‘the unnamable present’ noemt. Hij verwijst daarmee naar de spanning die er bestaat omdat je op het moment waarop je een beslissing neemt geen adelaarsblik of panorama hebt, maar gewoon in de modder van het dagelijks leven staat.

Daarom loop je elke dag de kans om een beslissing te nemen die noodlottig is voor de rest van je leven. Dat is het tragische van de mens die het verleden als bron van kennis heeft, maar daar zelden gebruik van maakt. Integendeel zelfs, we kijken met een soort van morele superioriteit naar het verleden en zeggen dat wij veel verder staan en bepaalde fouten niet zouden maken. Maar ik denk dat dat wat te gemakkelijk is en dat het gevaarlijk is om je zo veilig te voelen over je eigen morele superioriteit. We moeten altijd met een zekere twijfel en een respect voor onze eigen dubbelzinnigheid en onze eigen lafheid naar die zaken kijken. Corona is op dat vlak een absolute test. We denken dat we eenheid hebben, maar we zijn bijna klaar om elkaar in de haren te vliegen.

Als je een roman schrijft, dan weet je dat verhalen een lezer de mogelijkheid bieden om zich te identificeren met het hoofdpersonage. Dat is natuurlijk zeer interessant voor een schrijver zoals ik die gefascineerd is door dubbelzinnigheid. Als ik het goed doe, kan de lezer zich identificeren met een personage dat hij achteraf een klootzak blijkt te vinden. Dat is in Wildevrouw iets minder aan de orde dan in Wil, maar ik heb het ook daarin geprobeerd. Wat verhalen vertellen precies is, is daarom een heel belangrijke morele of filosofische vraag. Er is namelijk iets aan het vertellen van verhalen dat bedenkelijk is op moreel vlak. Een goede schrijver kan je doen meeleven met Hitler. Norman Mailer heeft dat gedaan. Hij heeft geschreven over de kindertijd van Hitler en daar kwam een heleboel kritiek op, omdat mensen vonden dat je Hitler niet menselijk mag maken. Maar het gaat natuurlijk wel over de morele vraag of je die schattige kleine baby in die wieg zou vermoorden als je zou weten dat hij als volwassene miljoenen doden op zijn geweten zal hebben. Ik denk van niet, want als je dat doet en als je die moord pleegt, dan belaad je je met een soort van karmisch gewicht. Niemand zal weten wat je juist gedaan hebt: je bent een babymoordenaar en dus een monster. Zie je wat verhalen vertellen doet? Het kan ons op een heel glijdend vlak brengen. En dat is interessant.

Hoewel Wildevrouw een historische roman is, is hij op een bepaalde manier heel actueel. Je beschrijft een gepolariseerde samenleving waarbij iedereen in zekere zin in zijn eigen bubbel zit en zich opsluit in zijn eigen gelijk. Was die parallel voor jou een belangrijke drijfveer om het boek te schrijven?

Gaandeweg wel. Ik maak daarbij uiteraard ook mijn eigen proces. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de berichten die ik plaats op sociale media waarin ik mij uit over de politiek en de samenleving. Die hebben ook een donkere kant die ik eigenlijk liever niet onder ogen zie: op die manier draag ik misschien ook zelf bij aan die polarisering van de samenleving. Als ik dat verwijt krijg, en dat gebeurt wel eens, dan moet ik even slikken en nadenken. Dat komt natuurlijk omdat ik ouder aan het worden ben. Hoe ouder ik word, hoe meer belang ik begin te hechten aan een plek waar we elkaar kunnen ontmoeten, een centrum. Mensen proberen dat idee van een centrum dan altijd partijpolitiek te interpreteren, maar daar gaat het bij mij niet over. Waar het mij om gaat is dat er een plek zou moeten zijn waar we elkaar kunnen ontmoeten en waar we relatief veilig zijn om dingen tegen elkaar te zeggen. We hebben nood aan een plek waar we lange, hevige en interessante debatten kunnen voeren. Maar het valt mij op dat die veilige plek er simpelweg niet is. Want dat vergt natuurlijk iets waar een heleboel van mijn activistische vrienden niet graag over nadenken, namelijk water bij de wijn doen. Je moet er vanuit durven gaan dat je niet de hele tijd gelijk hebt. En dat is heel moeilijk. Dat centrum is dus hard werken. Het centrum heroveren en het terug introduceren in een samenleving is een gigantische taak, want het vergt een collectief bewustzijn. Wij komen uit een periode van compleet egocentrisme. Het woord samenleving werd niet meer gevoeld en niet meer beschouwd als iets wat belangrijk is.

Met deze pandemie beseffen we ineens dat we met elkaar verbonden zijn. Heel die periode van dat egocentrisme blijkt dus totale hoogmoed te zijn en blijkt het leven op onze planeet extra te bemoeilijken. We zitten dus met een bewustzijnsprobleem op dat vlak. Vanaf het moment dat dat bewustzijnsprobleem duidelijk wordt bij iedereen gaan we misschien terug beginnen nadenken over dat centrum.

Ik heb in Wildevrouw beschreven wat er gebeurt als er helemaal geen centrum meer is en als iedereen zich terugplooit op zijn eigen gelijk en vooral op zijn eigen gevoel van vrijheid. Ik heb een heleboel vrienden die hun persoonlijke vrijheid als heilig beschouwen. Zij vinden dan bijvoorbeeld dat zij recht hebben op een vliegvakantie ook al weten ze dat vliegen niet bijzonder goed is voor het klimaat. Maar nu begint die persoonlijke vrijheid natuurlijk te botsen met iets wat we collectieve vrijheid kunnen noemen. Beide zijn beperkt. Daar gaat Wildevrouw natuurlijk over. En dat lijkt mij dus een heel actueel thema.

Zoals je zelf al aanhaalde, ben je een schrijver met een heel uitgesproken mening over politiek en samenleving en uit je die mening heel actief op sociale media. Toch schuilt een grote kracht van je romans erin dat je je lezers geen mening opdringt, maar hen net zelf laat nadenken en een oordeel laat vormen over wat ze te lezen krijgen. Moet jij jezelf intomen tijdens het schrijven om te voorkomen dat je een boodschap gaat opdringen of loopt dat op een bepaalde manier toch gewoon vanzelf?

Vreemd genoeg gaat dat dus vanzelf. Ik denk dat dat komt omdat de kern van wat ik doe op sociale media en de kern van wat ik doe als romancier eigenlijk dezelfde is, namelijk empathie. Ik heb een groot probleem met onrechtvaardigheid. De kans is groot dat ik mijn redelijkheid verlies en kwaad wordt wanneer ik een onrechtvaardige toestand zie in de samenleving. Op dat moment ben ik dan niet meer geïnteresseerd in wat de tegenpartij nog te zeggen heeft. Ik denk dat dat mijn psychisch manco is. Ik heb een soort van riddercomplex: ik trek mijn harnas aan, zit op mijn paard en wil aanvallen. Dat is niet noodzakelijk een wijze houding tegenover de samenleving en tegenover anderen, maar het heeft wel te maken met empathie. Een roman is een geweldig medium om empathie op te wekken. Ik tracht bij de lezer de empathie op te wekken die ik zelf heb als schrijver tegenover de, voor een groot deel zelf verzonnen, werkelijkheid die ik probeer te beschrijven. Het heeft dus altijd met empathie te maken en dat gaat de laatste jaren inderdaad vanzelf.

De liefde die ik heb voor de mensheid is eigenlijk alleen maar toegenomen de laatste jaren. Hoe meer de mens als soort faalt, hoe meer het mij verontrust, maar vreemd genoeg ook hoe meer mijn liefde stijgt. Er is iets tragisch aan onze soort. Het onvermogen om aan langetermijndenken te doen bijvoorbeeld of het onvermogen om als collectief op te treden tegenover externe of interne dreigingen, wakkert mijn liefde eigenlijk alleen maar aan. Terwijl ik er natuurlijk ook mee het slachtoffer van word. Maar ik denk dat ik het begrijp. Het is mijn werk. Wat ik doe is nadenken over wie we zijn, wat we doen en waarom we tragisch zijn. Vervolgens schrijf ik daar verhalen over.

Meer weten en lezen over Jeroen Olyslaegers?

Wildevrouw is, net als de eerdere romans Wij, Winst en Wil, verschenen bij uitgeverij De Bezige Bij. Daar verscheen eerder ook nog Mount Olympus, to glorify the cult of tragedy (a 24 hour performance), de schriftelijke weergave van de gelijknamige theatervoorstelling van Jan Fabre waaraan Jeroen Olyslaegers een grote tekstuele bijdrage leverde.

Wie na of tijdens het lezen graag dieper duikt in de achtergrondgeschiedenis van Wildevrouw, vindt op deze website een schat aan informatie. Daarnaast maakte de uitgeverij ook een boektrailer waarin Jeroen Olyslaegers vertelt over het vertrekpunt van het boek. 

Naast romans en theaterteksten schrijft Jeroen Olyslaegers ook columns. Afwisselend met Charlotte Van den Broeck en Jamal Ouariachi formuleert hij voor De Standaard der Letteren een antwoord op een eigen actuele vraag in duizend woorden.