fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Ibe Rossel

"Ik hoop een andere manier van lezen voor te stellen." Gesprek door Anna Jacobs

In Shakespeare kent me beter dan mijn lief geeft Ibe Rossel oude teksten een nieuwe lezing. In vijf essays leren we hoe we uit de klassieken van de Westerse literatuur handige levenslessen kunnen destilleren: negentiende-eeuwse huwelijksromans dialogeren met hedendaagse liefdesaffaires, jaloezie in renaissancedrama’s leert ons omgaan met afgunst tegenover liefdesrivalen en sommige werken uit de canon tonen wat je vooral niet moet doen voor een geslaagd leven. Shakespeare kent me beter dan mijn lief is voor literatuurkenners, op zoek zijn naar een verfrissende lezing van bekende werken, maar ook een opstapje voor wie onbekend is met de klassieken. We gingen in gesprek met Rossel over haar schrijfproces, haar visie op de canon en het kluwen van fictie en autobiografie.

Je debuut, Shakespeare kent me beter dan mijn lief, leest ongelooflijk vlot. Uit opmerkingen over het ontstaansproces van het boek begrijp ik dat het schrijven ervan veel minder soepel verliep. Ik las in De Standaard dat je je huilbuien tijdens het ontstaan van het boek hebt geturfd. Kan je iets vertellen over je schrijfproces?

Ibe Rossel: Ik ben begonnen met Shakespeare kent me beter dan mijn lief vlak nadat ik mijn thesis had ingediend. Dat was niet zo’n goed idee. Ik heb op de universiteit altijd academisch moeten schrijven en in die periode is het schrijven voor mezelf een beetje verwaterd. In het begin was het wroeten om uit de academische vorm te raken en de juiste toon te vinden voor mijn essays. Het heeft lang geduurd om die vlotheid te bereiken. Er zijn schrijvers die zeggen: ‘Ik schrijf ongelooflijk graag. Ik doe het iedere dag, uren aan een stuk.’ Ik haat schrijven. Ik het vind het leuk om na te denken en die gedachten uit te drukken in geschreven woorden. Maar schrijven om te schrijven? Niets voor mij.

Het was ook moeilijk om de balans te vinden tussen het literaire – levenslessen van dode auteurs – en het toegankelijke. Op een gegeven moment kwam de suggestie om ieder hoofdstuk af te sluiten met een rubriek ‘Wat hebben we geleerd’. Dat werd iets té toegankelijk voor mij. Ik ben Piet Huysentruyt niet. Ik wou een werk waar ik als literatuurstudent trots op kon zijn.

In het boek beschrijf je hoe mensen rond je het gevoel krijgen dat ze met jou over literatuur moeten praten. Je vrienden beginnen meer te lezen en je dates vragen boekentips. Een krant kopt ‘Ibe Rossel wil literatuur weer hip maken’. Ben je op missie?

Niet echt. Mensen vragen me inderdaad voortdurend waarom ik het belangrijk vind om de jeugd opnieuw te doen lezen. Ik vind dat helemaal niet belangrijk. Je bent niet per se een beter mens omdat je leest. Net doordat mensen zich proberen te verantwoorden voor het feit dat ze niet lezen, blijkt dat er een soort schuldgevoel aan verbonden is. Alsof je moet lezen om een geslaagd mens te zijn. Het is net dat ‘moeten’ dat afschrikt.

Ik wil vooral meegeven dat lezen een optie is. Ik haal er veel plezier uit en ik denk dat andere mensen er ook veel plezier uit zouden kunnen halen. Het is voornamelijk dat leesgenot dat ik naar voren wil schuiven. Ik heb het gevoel dat lezen bij jonge mensen al is afgeschreven nog voor ze het geprobeerd hebben. De drempel moet verlaagd worden. Er wordt vaak op een zeer elitaire, bijna pretentieuze manier over literatuur gesproken. Ik hoop een andere manier van lezen voor te stellen. Eén waarbij je niet verhinderd wordt door je gebrek aan kennis over de historische en sociaal-culturele context en waarbij je zelf mag bepalen wat er staat en wat je eruit wil halen.

Je schrijft over belangrijke, canonieke werken. Toch duiken er af en toe verzuchtingen op over ‘de zoveelste witte man’ en krijgt de lezer de indruk dat je de vrouwelijke personages en schrijfsters op de voorgrond wil plaatsen. Hoe gaan we om met de canon en de oververtegenwoordiging van witte mannen daarin?

Ik vrees dat de canon kan niet meer volledig omgegooid kan worden. Het zijn heel invloedrijke teksten geweest die als kapstok hebben gediend om andere literaire teksten aan op te hangen. Het is als een Jengatoren: je kan de basis er niet uithalen, want dan zakt het geheel in elkaar. Dat is niet per se slecht nieuws. We moeten de canon, volgens mij, van buitenaf proberen te veranderen. Dat wil ik ook doen met Shakespeare kent me beter dan mijn lief: ik wil de canon toegankelijker maken. Alle nieuwe lezingen van de klassieke teksten, bijvoorbeeld vanuit een postkoloniaal of een genderperspectief, zijn verrijkingen. Al die nieuwe perspectieven kunnen naast elkaar bestaan. Maar de kern zal niet veranderen.

Omdat ik zo intensief bezig ben geweest met de klassiekers, heb ik er een beetje een afkeer van gekregen. Ik heb veel nieuwe literatuur gelezen dit jaar. Tijdens een interview waarin ik sprak over mijn leesjaar, werd er opgemerkt dat ik boeken met ‘heel relevante thema’s’ koos en vroeg de interviewer me of ik dat bewust deed. Ik doe dat helemaal niet bewust! Ik vind het gewoon fijn om over nieuwe onderwerpen te lezen. Ik ben de boeken geschreven door witte, heteroseksuele mannen over klassieke heteroseksuele relaties beu. Het lijkt alsof ik dat al driehonderd keer heb gelezen. Mijn boekenkast is dus vanzelf diverser geworden. Ik ga ook meer op zoek naar vertalingen. Er is zo veel goeds geschreven in het Tsjechisch, Duits, Slovaaks … Op die manier breng ik ook meer diversiteit in mijn leesgedrag.

Je debuut is doorspekt met ironie en zelfspot. Heeft ironie een belangrijke plaats in je schrijven?

Ironie gebruik ik vooral om me in te dekken. Ten eerste vind ik het moeilijk om kwetsbaar te zijn in een boek. Pas in het laatste essay durf ik heel persoonlijke dingen te zeggen. Ten tweede was ik ook bang om pretentieus of arrogant over te komen, want ik spreek natuurlijk over klassiekers en literaire kritiek. Om die redenen zit er veel spot en voornamelijk zelfspot in het boek.

Door over jezelf te schrijven, laveer je tussen feit en fictie. Je zei in een interview met Wim Helsen in Winteruur dat je soms dingen zegt of doet om er later een goed verhaal over te kunnen schrijven. Kom je daar niet mee in de problemen?

Ja, ik kom daarmee in de problemen! Onlangs had ik bijvoorbeeld ruzie met mijn lief. Het was heel dramatisch. We stonden om vier uur ’s nachts op het verlaten terras van de Quick, ter hoogte van de C&A, en ik dacht: als ik nu word gedumpt, dan kan ik hier een fenomenaal stuk over schrijven. Gedumpt ter hoogte van de C&A! Over zoiets fantaseer ik al terwijl de ruzie nog bezig is. Dat is niet gezond.

Als ik een belevenis van vrienden of kennissen verwerk, dan verhul ik de identiteit altijd. In Shakespeare kent me beter dan mijn lief zijn alle namen anders, personages zijn van gender gewisseld en hetero- en homoseksuele relaties zijn door elkaar geklutst. Meestal kunnen enkel de mensen die het zelf beleefd hebben, herkennen dat het over hen gaat. Ik vraag het ook aan de personen in kwestie… Als het al geschreven is. (lacht) Maar het blijft een afweging.

Je houdt van narratief en de lezer merkt dat je je duimen en vingers aflikt bij boeken met complexe verhaallijnen, uitgewerkte personages en ingewikkelde intriges. Zou je je ooit willen wagen aan niet-autobiografisch werk?

Ik zou ja willen zeggen, maar ik weet dat het nee is. Wanneer het gaat over een roman zonder autobiografische of meta-elementen, dan gaat het over pure verbeeldingskracht. Je moet in staat zijn om een volledige wereld te scheppen. Als kind heb ik nooit gespeeld of verhalen verzonnen. Ik ben heel snel beginnen te lezen. Pure verbeeldingskracht en ongeremde fantasie hebben nooit in mij gezeten. Ik denk ook dat ik al te veel op een academische manier met literatuur ben bezig geweest om me nog te wagen aan een onbevangen, fantasierijk werk. Het is vreselijk om jezelf te kunnen analyseren terwijl je een “vrije indirecte rede” of ander literair trucje toepast. Mijn tweede boek, waar ik nu aan bezig ben, zal meer verhalend zijn. Het gaat over mijn familiegeschiedenis. Ik ben dus nog steeds erg aanwezig. Ik zou het wel heel graag kunnen, een volledig fictioneel werk schrijven.

Het boek heeft het over hedendaagse fenomenen, zoals ghosten door niet meer te antwoorden op berichtjes of etiquette op datingapps. Hoe reageert de oudere generatie op die zeer generatiegebonden problemen?

Voor mij voelt het boek heel universeel aan. Terwijl sommigen vinden dat het voor ‘een jonger publiek’ bestemd is. Pardon?! (lacht) Uiteindelijk klopt het wel: het gaat echt over mijn leefwereld, mijn generatie. De oudere generatie geeft niet zozeer inhoudelijke commentaar op het werk. Ze zijn eerder verbaasd over wat ik als ‘jong meisje’ al bereikt heb. Ze zouden eens moeten weten waar al mijn vrienden rondom me mee bezig zijn. Onze generatie is heel creatief. Iedereen zit in een of ander collectief, iemand is, bij wijze van spreken, strings aan het breien, de ander schildert of maakt meubels. Ik heb het geluk en de kansen gehad om een platform te krijgen, maar zo uitzonderlijk ben ik niet.

Ik werd ook geconfronteerd met de oudere generatie en hun idee over welk soort boek een jonge vrouw kan of mag schrijven. Onlangs was ik op een literatuurevenement en mijn lief was mee. Ik had duidelijk een auteursbadge aan, maar toch vroeg iemand: ‘Wie van de twee is de auteur?’

En jij, Ibe, noem jij jezelf al een auteur?

Sinds kort ben in kleine zelfstandige in hoofdberoep. Het moet nu wel. Ik heb een mooie werkbeurs gekregen van Literatuur Vlaanderen voor het volgende boek en ik krijg hier en daar freelance opdrachten. Het is toch confronterend om vast te stellen dat het zelfs in het ideale scenario knokken blijft. Ik vind dat jammer voor al het talent dat ik rond me zie. Ik heb de chance dat alles me voor de wind gaat, maar het blijft een onzeker bestaan. Maar om op de vraag te antwoorden: ik ben technisch gezien auteur, ja. Mijn vriend zegt dat ik schrijfSTER ben. Dat bevalt me wel. Het is opnieuw een beetje ironisch.’

Meer weten en lezen over Ibe Rossel?

Wie benieuwd is naar Shakespeare kent me beter dan mijn lief kan een exemplaar bestellen via de onafhankelijke boekhandel Buchbar. Wanneer je je boeken aanschaft via die weg, steun je tegelijkertijd de werking van Karakters, en kunnen we wekelijks artikelen blijven publiceren.

Rond de verschijning van Shakespeare kent me beter dan mijn lief was Ibe Rossel even niet meer weg te denken uit de media. Ze was te gast in onder andere Winteruur van Wim Helsen en in Culture Club op Radio 1.

Voor De Standaard schreef Ibe Rossel een serie artikelen onder de titel ‘Kleine cursus’ volledig in het verlengde van haar debuut. Alle artikelen zijn hier volledig te lezen.