fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Herman Brusselmans

"In Vlaanderen liggen de letteren plat op hun gat. De literatuur is letterlijk voor driekwart dood." Gesprek door Stijn Demarbaix Foto: Demarbaix Photography

Herman Brusselmans aan het Nederlandstalige lezerspubliek voorstellen is als een frituur binnenwandelen en vragen of ze mayonaise hebben: totaal overbodig. De Vlaamse schrijver die in 1985 de Vlaamse letteren een kopstoot gaf met De man die werk vond en daarna altijd met haar sjokkedeizen is blijven rammelen, is intussen gecementeerd in het collectieve geheugen. In zijn nieuwste boek Maanlicht van een andere planeet eist de aimabele nietsnut uit De man die werk vond, Louis Tinner, voor de vierde keer de hoofdrol op. En dat doet hij in vintage Brusselmans-stijl: door verveeld sigaretten op te steken, door de barkruk in het ene café iets langer warm te houden dan die in een ander, en door een palet aan mensen te ontmoeten die even gedesillusioneerd zijn door het leven als Tinner zelf.

Zelfs de grootste literaire onwetenden hebben het al wel eens horen waaien over Tinner en personages als Poppy en Eddy, Guggenheimer en Zeik, al was het maar omdat ze op een blauwe maandag op Brusselmans’ Wikipediapagina verzeild raakten na ’s mans optreden in De Slimste Mens ter Wereld of controversiële uitspraken elders. Het toont de veelzijdigheid van de schrijver met Vlaanderens weelderigste haardos, van wie tussen alle grappen, grollen, ongezouten meningen en relletjes door wel eens vergeten wordt dat hij opstaat (rond het middaguur) en gaat slapen (diep in de nacht) met literatuur. Dus stelden wij hem in een Gents parkje op een boogscheut van zijn appartement een handvol vragen over zijn muze, de letteren, aan wie hij ondertussen al 82 (!) keer een bijdrage schonk.

Karakters: Hoe belangrijk is lezen voor je?

Herman Brusselmans: Zeer belangrijk, in die zin dat ik weet dat ik me nooit zal vervelen, omdat boeken bestaan. Ondertussen heb ik een ferme lezerscarrière achter de rug, want ik ben er al op mijn achttiende volop ingevlogen en soms las ik een boek per dag. Met als gevolg dat je na veertig jaar nog maar moeilijk nieuwe dingen ontdekt, ook al zijn er duizenden boeken. Je moet je weg ernaartoe vinden, en dat is tegenwoordig heel moeilijk geworden.

Hoe bedoel je?

Neem boekrecensies bijvoorbeeld, die bestaan niet meer. De Morgen, De Standaard en Humo wijden er nog een paar pagina’s aan misschien, maar that’s it. Je vindt als lezer geen leidraad meer.

Je kan gelukkig nog wel gewoon een boekhandel binnenstappen en een boek vastnemen. Ik kijk dan naar de achterflap en de kaft van een boek. Ook de eerste zin is belangrijk; die moet mij pakken. Als een boek begint met ‘Het regende hard’, dan laat ik het liggen. Ook al is dat eigenlijk bullshit, want dat kan ondanks die ene zin nog steeds een heel goed boek zijn.

Nog enkele goede eerste zinnen tegengekomen?

Onlangs heb ik twee boeken ontdekt die me echt aanstaan: De jaren van Annie Ernaux en De hoogstapelaar van Wessel Te Gussinklo. In de weken, zelfs maanden ervoor is er niets verschenen dat me enorm kon boeien. Dan ga ik voor mijn eigen bibliotheek staan en begin ik te herlezen.

Waar grijp je dan naar terug?

In dit geval naar Au pair van Willem Frederik Hermans, maar vaak ook naar Gerard Reve. De avonden vind ik de perfecte roman. Dat is helemaal mijn straatje: verveling, zeverende mensen, absurdisme. Net als in de liefde moet het er bij een boek voor mij boenk opzitten. Bij Reve was en is dat het geval.

Van Jeroen Brouwers las ik onlangs De laatste deur opnieuw en dat viel me opeens geweldig tegen, terwijl ik dat enorm goed vond toen ik het voor het eerst las. Het toont maar aan hoe je als lezer kan evolueren. De boeken die je op jonge leeftijd leest, grijpen je het meest.

Je spreekt over Willem Frederik Hermans, Gerard Reve, Jeroen Brouwers. Het mag duidelijk zijn: de Nederlandstalige literatuur is belangrijk voor je.

Zeg maar gerust het belangrijkste. Momenteel corrigeer ik mijn volgende boek, De geschiedenis van de moderne literatuur, waarin ik de Nederlandstalige op de voet volg. Het zal een boek van zevenhonderd pagina’s worden, en een mengeling van fictie en non-fictie. Ik vertrek vanuit de feiten en weef er dan een hoop zever omheen. Lezers gaan die ook geloven, omdat ik al lang genoeg in het literaire wereldje vertoef en al heel wat schrijvers ontmoet heb. Als ik dan schrijf: Ik ging met Willem Frederik Hermans een pint drinken – wat ik ook effectief ooit gedaan heb –, dan geloven mensen me. Daar bouw ik dan een heel verhaal rond, een typisch trucje van mij.

Ik schreef al eens De geschiedenis van de Vlaamse letterkunde en Geschiedenis van de wereldliteratuur. Maar dat waren columns uit De Morgen. Dat is al even geleden, dus dan mag je dat opnieuw doen, vind ik. Al heb ik er wel mee geworsteld.

Waarom?

Omdat ik worstel met de literatuur in het algemeen. Ik ben haar beu. In Vlaanderen ligt ze plat op haar gat. Ze leeft veel minder. Je hebt weinig literaire tijdschriften over, recensies zijn er nog amper en op televisie proberen ze om de zoveel jaar een boekenprogramma, maar lukken doet dat nooit. De bestsellerlijsten zeggen alles: daarin staan gemiddeld drie tot vier literaire boeken, die er dan wel maanden in blijven. Ik denk dan aan Marieke Lucas Rijneveld en consorten.

Of neem nu Lize Spit. Een uitschieter in de Vlaamse literatuur. Schreef – wat mij betreft zonder enig specifieke reden – een bestseller met Het smelt. Dan krijg je een column, sta je in Nina, smijt je je lief buiten en heb je er een nieuw, dat Rob van Essen heet en ook schrijver is. Als het eens over literatuur gaat, dan gaat het daarover. Terwijl een hele hoop goeie boeken geen aandacht krijgen.

Ik voel de steeds verder krimpende aandacht voor literatuur zelf ook overigens. Tien jaar gelden stonden mijn boeken veel langer in de bestsellerlijsten en liep de verkoop ook beter. En dan mag ik eigenlijk niet klagen, want van een roman als Maanlicht van een andere planeet verkoop ik nog altijd zesduizend exemplaren. Terwijl een gemiddelde Vlaamse schrijver zo’n tweehonderd boeken verkoopt.

Doordat er al een jaar geen literaire optredens meer zijn geweest, lijkt onze literatuur helemaal geen schwung meer te hebben. Je ontmoet niemand meer. De literatuur is letterlijk voor driekwart dood.

Had je toen je furore maakte in de jaren tachtig hetzelfde gevoel: de literatuur is dood en we moeten hier iets aan doen?

Goh, toen stond ik daar niet zo bij stil. Ik wilde gewoon publiceren. Over schrijvers uit de jaren zeventig wordt wel eens gezegd dat het de stille generatie was, zo stil dat niemand wist dat ze er waren. Je had Louis Paul Boon en Hugo Claus, maar dat waren toen al oude krakers. Wij waren daar dan een antwoord op.

In het geval van Hugo Claus zou je kunnen zeggen dat het grootste nog moest komen met Het verdriet van België.

Natuurlijk, en je had ook Walter van den Broeck, en Hubert Lampo, Ward Ruyslinck en Jos Vandeloo vanop de middelbare school lijstjes. Tom Lanoye, Kristien Hemmerechts en ik staken midden jaren tachtig onze neus aan het venster. Wij brachten leven in de brouwerij, dat wel. Niet dat wij met z’n drieën de Vlaamse literatuur gerehabiliteerd hebben, maar een kleine stukje ervan? Dat misschien wel.

Kan je tegenwoordig nog shockeren in de literatuur?

Zeer moeilijk. Mensen zeggen dat ik shockeer, omdat ik eens ‘kut’ en ‘lul’ schrijf. Dan zeg ik: lees eens Markies de Sade, en dan praten we verder. En lees ook eens heel mijn oeuvre. Seks zit daar amper in. Maar je krijgt dat etiket en je raakt er niet meer vanaf.

Is er een grens in hoever je kan gaan in een boek?

Nee. Als ik een boek schrijf over de Nederlandstalige literatuur en iedereen de grond in boor, is dat dan te ver? Er zullen wel reacties komen als ‘Hoe durft ie, al die arme schrijvers aanvallen die zo hun best zitten te doen?’ Maar zo gaat dat bij al mijn boeken. Als je de dubbele bodem, het lacherige en brallerige niet doorhebt en alles au sérieux neemt, dan ben je niet mijn lezer.

Het zit hem ook in de personages die je creëert. Neem bijvoorbeeld De welwillenden van Jonathan Littell, dat over een majoor in nazi-Duitsland gaat. Dat boek is heel wreedaardig, omdat zo’n personage daar om vraagt. Je kan als normale burgerlijke lul heel ver gaan, zonder dat je zelf compleet gestoord bent. Je kunt met andere woorden alles verzinnen.

Ik zei net dat je nog heel moeilijk kan shockeren, maar eigenlijk kan het heel gemakkelijk. Gebruik bepaalde woorden, en iedereen staat op zijn kop. Of zeg over Amanda Gorman dat het gedicht dat ze voordroeg tijdens de inauguratie van Joe Biden een kutgedicht is. Dat het pure strategie is om een zwart meisje in een geel pakje daar te plaatsen. Dan krijg je de wind van voren.

Heb je geen schrik dat zulke uitspraken je kwalijk genomen kunnen worden?

Alles wat ik denk of schrijf, breng ik toch al in de openbaarheid. Ik ga ook niet op een geheim account memes over zwarte uitgemergelde kindjes zitten te liken. Dat is strafbaar.

Wat ik ook bullshit vind, is dat je bepaalde boeken niet meer zou lezen omdat de schrijver ervan in slecht vaarwater is gekomen. Een treffend voorbeeld is Louis-Ferdinand Céline, de Franse schrijver die een Jodenhater was. Maar toch blijft Reis naar het einde van de nacht fantastisch, vind ik.

Ik doe overigens niet aan sociale media. Ik ben er te oud voor. Mijn lief wordt kwaad als ik dat zeg, maar het is wat het is: ik ben een oude afgeschreven lul.

Dat heb je zelf gezegd, Herman.

Het is zo. Ik begin nu te beseffen dat ik meer plannen heb dan ik ooit zal kunnen uitvoeren. Ik ga honderdtwintig jaar moeten worden om alles te kunnen schrijven. En de zin hebben om te blijven schrijven natuurlijk, en die is nu wat over.

Hoe komt dat?

In eerste instantie omdat ik minder verkoop. In tweede omdat het fysiek niet meer altijd meewil. Vijf uur lang achter een computer zitten is een groot probleem aan het worden.

Het gevoel moet ook goed zitten. Na tachtig boeken denk je toch wel eens: dit heb ik al geschreven. Dus wil ik iets doen dat ik nog nooit gedaan heb. Bijvoorbeeld een roman over mijn jeugd in Hamme en over mijn voorvaders die daar woonden. Dat zou veel opzoekingswerk vergen, terwijl ik normaal opschrijf wat in mijn hoofd zit. Eigenlijk word ik al mottig van het idee dat ik een jaar opzoekingswerk zou doen. Wie ligt er ook wakker van mijn voorgeschiedenis? Maar ik wil eens een boek schrijven dat niet voor te lachen is en mijn lief ziet dat helemaal zitten: samen op de moto naar Hamme, om daar iedereen boven de negentig te vragen of ze mijn grootouders gekend hebben. Het klinkt als een avontuur. Al ben ik zo niet aangelegd. Ik blijf graag binnen mijn eigen brein.

Je hebt Germanistiek gestudeerd en bent onderricht in de academische literatuurwetenschap, in welke mate heeft dat je beïnvloed?

Ik ben er heel veel door beginnen te lezen. Maar ze nemen het daar te serieus en gaan het te ver zoeken. Hugo Claus had daar een leuke anekdote over. Hoe iemand aan kwam zetten met een stapel documenten die een analyse van Omtrent dedee moest voorstellen. Papieren vol schema’s en verwijzingen naar de Bijbel. Terwijl Claus beweerde zelf van toeten noch blazen te weten wat erachter schuilging. Al was Claus ook een filou hoor. In de hoop dat erover gesproken zou worden, stak hij er net dingen in. Om al die literatuurhistorici bij hun pietje te hebben.

Binnen die literatuur die zichzelf te serieus neemt, ben ik grote fan van Saul Bellow. Hij is een Nobelprijswinnaar die je tenminste kan lezen. Vaak gaat die prijs naar een of andere Oekraïense dichteres, omdat het er weer oorlog is. Maar Saul Bellow valt enorm goed te lezen. Hij behoort tot dat clubje van naoorlogse, al dan niet Joodse, Amerikaanse schrijvers als Bernard Malamud, Philip Roth en John Updike. Vooral Henderson de regenkoning vind ik enorm goed, over een Amerikaan die in de jungle belandt en daar aanbeden wordt omdat het opeens begint te regenen wanneer hij arriveert. Het tragikomische dat daarin zit, vind ik fantastisch. Ook Kurt Vonnegut is helemaal mijn straatje: tragikomisch, sciencefiction, absurdisme.

Ik kan me afvragen waarom ze me in een academische context nooit opvoeren, want ik sta ondertussen al wel jaren in die literaire wereld. Maar ik ga ook het zotteke uithangen in De Slimste Mens ter Wereld, en dan kan je geen serieuze schrijver zijn, wordt gezegd.

Als je zelf een academische les zou geven, wie zou je dan opvoeren?

Ik zou ook de geschiedenis respecteren en Shakespeare opvoeren, hoor. Maar ook verguisde auteurs, zoals Céline, en boeken die net uitgekomen zijn de nodige aandacht geven. Lees dit van Dimitri Verhulst of dit van Saskia De Coster. Of lees dat net niet, want het trekt toch op niks. (glimlacht)

Tot slot, wat is de literaire waarde van Herman Brusselmans?

Goh. Ik zou zeggen dat ik apart sta in de literatuur. En dat het zo nu en dan toch eens de moeite is om mijn boeken te lezen. Want als je toch al van alles leest, dan kan je evengoed eens een boek van mij vastnemen.

Meer weten en lezen over Herman Brusselmans?

Hermans Brusselmans ziet in 1957 in Hamme het levenslicht. Hij groeit op in het harde milieu van het Oost-Vlaamse platteland. Zijn vader zit in de veehandel en neemt hem mee naar klanten. Dierenmishandeling zijn daar schering en inslag, en laten een diepe indruk na op de jonge Brusselmans. De jonge schrijver in spe houdt er angstaanvallen aan over, waar hij later ook vaak over getuigt.

In 1985 verschijnt Herman Brusselmans’ eerste succesvolle roman Een man die werk vond, na Germanistiek te hebben gestudeerd aan de Universiteit van Gent en haast profvoetballer te zijn geworden voor het (onlangs ter ziele gegane) Sporting Lokeren – Brusselmans zou later jarenlang een voetbalcolumn schrijven voor Het Laatste Nieuws en een graag gezien gast worden in het voetbalprogramma Studio 1.

Voor De man die werk vond publiceerde Herman Brusselmans al de verhalenbundel Het zinneloze zeilen (1982) en de roman Prachtige ogen (1984), en in 1986 schrijft hij een bijdrage voor de verhalenbundel Mooie jonge goden, Vlaams literair talent, samen met onder andere Tom Lanoye en Stefan Hertmans. Maar De man die werk vond zet zijn literaire carrière echt in gang. Brusselmans publiceert vanaf dan haast elk jaar een boek, met in 1986 Heden ben ik nuchter en twee jaar later Zijn er kanalen in Aalst?, al wordt hij tijdens een interview in 1987 over dat laatste boek toch vooral gevraagd naar De man die werk vond.

Herman Brusselmans zou nog tientallen boeken schrijven, de teller staat momenteel op een getal boven de tachtig. Herman Brusselmans zou ook in nog veel Vlaamse en Nederlandse televisieprogramma’s opduiken, maar zijn meest spraakmakende passages zijn die in De Slimste Mens ter Wereld, waarin hij als jurylid optreedt.