fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Ferdinand Lankamp

"In goede literatuur worden geen keuzes gemaakt die puur het doel hebben om een bepaald effect te sorteren op het publiek." Gesprek door Alma Schuringa Foto: Martijn van Gelder

Ferdinand Lankamp (1989) groeide op in Voorschoten en studeerde geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Hij was drie jaar lang redacteur bij digitaal-cultureel magazine De Optimist en publiceerde onder meer in Mare, Kluger Hans en deFusie. Zijn debuutroman Uiterste dagen, waarvoor hij de sporen van zijn Finse overgrootvader natrok, verscheen vorige week bij uitgeverij Atlas Contact.

Karakters: Je bent van oorsprong historicus, en debuteert nu als schrijver van historische fictie. Hoe verhouden de historicus en de schrijver zich tot elkaar?

Ferdinand Lankamp: Ik denk dat geschiedenis, zeker voor jonge academici, echt een discipline is. Het is een vak met bepaalde regels en een methodiek. Historici speculeren wel, maar ze moeten dat altijd heel erg terughoudend doen. En ze moeten daarin continu een soort schroom bij zichzelf betrachten. Voor een literair schrijver geldt dat niet. Ik vond het heel fijn om iets te kunnen schrijven over geschiedenis zonder dat ik een uitgebreide methodologische verantwoording hoefde af te leggen. Het masker van historicus heb ik op een gegeven moment dan ook vrij bewust laten vallen. Ik vind het heel interessant om mensen te bekijken in een ander tijdvak, en daar vervolgens over te speculeren aan de hand van fictie. Uiteindelijk kun je daar dan misschien uit destilleren wat de mensen van toen nog gemeen hebben met de mensen van nu. Maar om dat te kunnen doen moet je wel een situatie schetsen die klopt, of zou kunnen kloppen. En daar komt de historicus heel goed van pas.

Ben je tijdens het schrijven erg bezig met de waarheid? Geloof je in een waarheid?

Ik geloof wel in een waarheid, maar ik denk dat geschiedschrijving hooguit pretendeert om waarheid te benaderen. Literatuur is wat dat betreft tegelijkertijd vrijer en intiemer. Je kunt je als literair schrijver schaamteloos inleven in andermans psyche, en op die manier veel dichter op de mensen gaan staan. Als literair schrijver ben ik heel nadrukkelijk op zoek naar een soort gemeenschappelijke deler van mensen, terwijl dat bij geschiedkundig schrijven veel minder het geval is. Daarin is die zoektocht naar de gemeenschappelijke deler implicieter aanwezig, omdat je alleen op zoek bent naar dat wat aannemelijk is. In het boek noem ik het voorbeeld van een koning die zich na het overlijden van zijn zoon tien dagen in zijn kamer opsluit. Als je dat ergens ziet staan en er zit geen voegwoord of verbindingswoord tussen, dan ben je geneigd om automatisch een verband aan te brengen. Maar op basis waarvan breng je dat verband aan? Vaak is dat het idee dat we hebben van mensen: als iemand zijn zoon verliest, zal hij wel kapot zijn van verdriet. Maar is dat altijd zo geweest, dat ouders ontzettend rouwen om hun kind? Of was dat anders in tijden waarin de kindersterfte torenhoog was, en mensen bovendien vaak veel meer kinderen hadden?Het is me met dit boek gelukt om me een deel van m’n familieverleden toe te eigenen.

Je spreekt in je boek over twee versies van je overgrootvader: de werkelijke versie, die je nooit gekend hebt, en het door jou beschreven en deels verzonnen personage. Heeft je schrijfproces je dichterbij gebracht, of juist verder van je familieverleden af laten staan?

Ik denk dat ik minder dicht in de buurt was gekomen als ik me puur aan de feiten had gehouden. Het is me met dit boek gelukt om me een deel van m’n familieverleden, dat ik tot nu toe heel mysterieus vond, toe te eigenen. Het is nu ook een stuk minder mysterieus, juist omdat ik er heel veel onderzoek naar gedaan heb en er over heb nagedacht.

Is dat jammer?

Nee, eigenlijk niet. Het is juist wel prettig. Het is net alsof je huis net iets groter wordt, bij wijze van spreken. Alsof je een extra kamer ergens aantreft of zo. Dat is wel fijn.

Die extra kamer bevat een erg persoonlijke zoektocht. Hoe maak je de afweging tussen wat je wel en niet met het publiek deelt?

Dat is een vraag waar ik ook heel erg mee zit. Er is altijd een soort ongemak, omdat ik over familieleden schrijf. In dit geval ook nog eens familieleden die zich niet tegen mijn beweringen kunnen verdedigen.
     Tijdens mijn onderzoek ben ik bronmateriaal tegengekomen waarvan ik dacht: als ik dit in het boek verwerk, dan wordt de aantijging jegens mijn echte overgrootvader te erg. Er zijn daar indertijd afschuwelijke dingen gebeurd, en ik weet dat hij zich bij sommige zaken binnen een straal van een kilometer in de buurt bevond. Maar dat wilde ik niet in mijn boek verwerken. Ten eerste is het misschien helemaal niet waar dat hij erbij was en ervan op de hoogte was. En kijk, dat personage in het boek is natuurlijk niet echt mijn overgrootvader, maar als ik uitgebreide beweringen zou doen over wat hij heeft gedaan, ook al is het fictief, dan loop ik het risico dat ik mijn echte overgrootvader toch beschuldig. En dan is het voor lezers gewoon een kwestie van tussen de regels door lezen. Dat vind ik moeilijk. Maar ik weet dat hij op bepaalde plekken is geweest waar tegelijkertijd bijvoorbeeld mensen werden doodgeschoten. Dat weet ik.

Hoe was het voor jou, om dat te ontdekken?

Ik wist het eigenlijk al, of ik had al een vermoeden dat het zo was. Zodra ik als zeventienjarige meer begon te lezen over wat in de Finse burgeroorlog de Witte Terreur heet, de represaillemaatregelen tegen de communisten, en ik ontdekte dat de skyddskår daarbij betrokken was. Vanaf dat moment heb ik altijd wel gedacht dat hij ervan wist, en ook dat hij het tot op zekere hoogte heeft goedgekeurd. Maar in hoeverre hij daar zelf bij betrokken was? Dat weet ik niet, en dat wil ik eigenlijk ook niet weten. Dus ik ben op een gegeven moment ook wel gestopt met er uitgebreid over na te denken.Ik hou niet van boeken waarin duidelijk zichtbaar is dat bepaalde keuzes puur zijn gemaakt voor dramatisch effect

Je beschrijft in je boek een zekere huiverigheid jegens het optekenen van een plot. Waar komt die huivering vandaan?

Daar raak je wel een beetje een open zenuw. Ik hou niet van boeken waarin duidelijk zichtbaar is dat bepaalde keuzes puur zijn gemaakt voor dramatisch effect, om het plot spannend te houden. Als ik dat bemerk tijdens het lezen, vind ik dat heel vervelend: in goede literatuur worden wat mij betreft geen keuzes gemaakt die puur het doel hebben om een bepaald effect te sorteren op het publiek.
Jongere auteurs hebben er misschien wel wat aan om zich aan bepaalde wetmatigheden over het plot te houden, maar op een gegeven moment moet je als schrijver wel in staat zijn om daar op een hoger niveau over na te kunnen denken. Als je bewust over die keuzes nadenkt, ben je beter in staat om ze te doorbreken, en ermee te spelen.
     Het is natuurlijk modieus om te mopperen op Nederlandse en Vlaamse literatuur, maar ik vind het jammer dat er door veel schrijvers niet op een heel conceptueel niveau over schrijven lijkt te worden nagedacht. Er zijn uitzonderingen, maar binnen een grote groep jonge schrijvers lijken er twee polen te zijn waartussen men zich begeeft: de ene pool bestaat uit schrijvers die heel particulier en anekdotisch schrijven, de andere uit schrijvers met ideeën die naar mijn smaak veel te definitief zijn: bijvoorbeeld over de positie van schrijvers in de maatschappij. Mensen die zeggen dat schrijvers een bepaalde maatschappelijke functie moeten vervullen, daarvan ga ik altijd heel erg bokken.
     Dat vind ik jammer, al begrijp ik heel goed dat de uitgeverijen daar ook een rol in spelen. Die proberen veel jonge auteurs vaak juist in dat soort hoekjes te duwen, en je moet best wel sterk in je schoenen staan om daartegenin te gaan. Het risico dat veel jonge schrijvers daardoor lopen, is dat ze een schrijverschap creëren dat meer van gimmicks aan elkaar hangt dan van wat ze inhoudelijk proberen te vertellen. En dat leidt af van waar literatuur wat mij betreft over zou moeten gaan: op een heel wezenlijke manier nadenken over wat het betekent om mens te zijn.

Hou je je zelf aan regels, tijdens het schrijven?

De enige regel die ik heb, is dat ik clichés probeer te vermijden. Bij het beschrijven van een sfeer van een ruimte of de psychologie van een personage probeer ik nooit de weg van de minste weerstand te kiezen. Dat leidt er hopelijk toe dat de reacties van mensen op bepaalde situaties soms ingetogener of extremer zijn dan een lezer in eerste instantie zou verwachten. Op die manier worden personages geloofwaardiger, omdat ze niet als poppen naar een vastgelegd plot toe bewegen.
     Ik ga liever uit van een personage met een bepaald temperament dat allerlei dingen meemaakt, dan van een soort hol poppetje dat van plotpunt naar plotpunt springt.