Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Erik Vlaminck

"Als schrijver wil ik graag dat mijn boeken een soort spiegel voor de samenleving zijn." Gesprek door Jochen De Vos Foto: Koen Broos

‘Dit zijn de belangrijkste vragen.’ Met deze zin opent de roman Verzen van het leven en de dood (2007) van de onlangs overleden Israëlische schrijver Amos Oz. Daarna volgt er een hele waslijst aan vragen die hoofdzakelijk over het schrijverschap gaan. Geïnspireerd door Oz laten we in deze serie interviews verschillende bekende en minder bekende auteurs antwoord geven op een selectie van deze vragen.

Erik Vlaminck (Kapellen, 1954) wordt door velen een van de belangrijkste Vlaamse schrijvers van dit moment genoemd. Als romanschrijver kreeg Vlaminck bekendheid met een zesdelige romancyclus over het ongewone leven van gewone Vlamingen in de twintigste eeuw. Zijn grote doorbraak volgde met de verschijning van Suikerspin (2008), waarmee hij zowel op de longlist van de Libris Literatuurprijs als de AKO Literatuurprijs stond. Zijn meest recente roman, Een berg mens onder witte lakens, verscheen eerder dit jaar.

In Een berg mens onder witte lakens belandt een schrijver in het ziekenhuis en hij moet daar noodgedwongen de kamer delen met André Nachtegael, een man die nooit zwijgt. Hij kan niet anders dan luisteren naar zijn markant levensverhaal. Hij heeft geen verweer tegen een onstuitbare woordenvloed die doorspekt wordt met een uitermate onverdraagzaam gedachtegoed dat de kiem is voor een gekwetst bestaan.

Karakters: Waarom schrijf je?

Erik Vlaminck: Omdat ik het niet kan laten. (Denkt na.) Maar ik denk dat ik voornamelijk schrijf omdat ik schrijvend dingen gezegd krijg die ik sprekend niet gezegd kan krijgen. Omdat ik door het hele format van een roman of theaterstuk dingen in communicatie kan brengen die ik in een gesprek nooit in communicatie kan brengen.

Zoals?

Allerhande dingen. Het feit dat ik als romanschrijver boeken maak waar letterlijk het woord ‘roman’ opstaat en waar dus van gezegd wordt ‘dit is fictie’, geeft mij de kans om daarin – en dat gebeurt overigens allemaal niet zo bewust – dingen te verbergen waar ik me misschien voor schaam. Maar ook bijvoorbeeld dat ik op een andere manier in communicatie kan treden over meningen en ideologieën. Voor mij is schrijven communiceren. Ik ben me er tijdens het schrijven continu bewust van dat er mensen zijn die mijn woorden gaan lezen. Dus waarom ik schrijf? Mocht ik muziek kunnen maken of goed kunnen tekenen, was dat misschien ook een mogelijkheid voor mij.

En waarom schrijf je juist in deze vorm?

Mijn beide grootvaders en mijn vader waren ook mensen die continu verhalen vertelden en ik ben daar altijd door gefascineerd geweest. Volgens mij is daar de kiem gelegd van mijn schrijverschap als romancier en theaterauteur. Maar dat ik voor deze schrijfvorm heb gekozen, de vorm van het verhaal, heeft ook te maken met het feit dat je de aandacht van mensen kunt vasthouden met een verhaal, dat je ze dingen kunt vertellen waar ze anders misschien niet eens naar zouden luisteren.

Typerend aan de vorm die je gekozen hebt, is dat je veelal de ge-vorm gebruikt. Waarom heb je daar als schrijver voor gekozen? Gebruik je de ge-vorm om een bepaalde cultus van het volkse idioom mee in stand te proberen houden?

Ik heb die vorm niet gekozen, maar mijn personages. Ik vind dat een heel belangrijk verschil. De personages in mijn boeken zijn doorgaans heel gewone mensen en komen uit bepaalde generaties die dat idioom spreken. Neem bijvoorbeeld het hoofdpersonage in Een berg mens onder witte lakens: André Nachtegael. Dat is een man die in 1942 geboren is, die trucker is van beroep en altijd in het noorden van Antwerpen heeft gewoond. Die mens heeft nooit anders gedaan dan de ge-vorm gebruikt. Het zou volslagen onnatuurlijk zijn om hem ‘je’ of ‘jij’ te laten zeggen.

Overigens, toen ik vijfentwintig jaar geleden begon als voltijds schrijver, kreeg ik deze opmerking al voorgeschoteld en ik blijf het ergens heel gek vinden. Ik lees bijvoorbeeld redelijk wat boeken in het Engels en wanneer ik naar een aantal auteurs kijk die ik heel graag lees, zie ik dat zij hun personages ook laten spreken zoals ze écht spreken. En dat zonder dat ze daarop aangesproken worden of dat er een punt van wordt gemaakt. In het oeuvre van Paul Auster zijn er bijvoorbeeld heel wat personages die New York-slang spreken en in de boeken van Roddy Doyle tref je heel veel Dublin-Engels aan.

‘Iedereen heeft zijn of haar eigen idioom en ik vind dat je dat moet respecteren wanneer je je personages aan het woord laat.’Het zou te maken kunnen hebben met het verschil tussen Vlaamse en Nederlandse literatuur.

Dat zou kunnen, maar ik blijf het iets raars en krampachtigs vinden. In 2006 zat ik bijvoorbeeld in de jury van de Libris Literatuurprijs. Als jurylid wordt er van je verwacht dat je alles leest wat er dat jaar verschijnt. Ik heb toen grofweg 220 romans gelezen. En wat me opviel na het lezen van al die romans, is dat men in de overgrote meerderheid de personages standaardtaal laat spreken. En dat terwijl er werkelijk niemand rondloopt die standaardtaal spreekt. Iedereen heeft zijn of haar eigen idioom en ik vind dat je dat moet respecteren wanneer je je personages aan het woord laat.

De personages in je boeken zijn bijna altijd weerbarstige, onbehouwen mensen waar het volkse van afspat en de ge-vorm dus goed bij past. Waarom kies je altijd voor zulke personages?

In de eerste plaats omdat ik zelf uit een milieu van heel gewone mensen kom. Daarnaast stoor ik me er als lezer vaak aan dat de meeste personages zelf schrijver of kunstenaar zijn. Wanneer ik dan zelf een roman schrijf, laat ik juist graag andere mensen aan het woord.

Je boeken bevatten altijd veel humor. Hoe belangrijk is humor voor jou?

Alles wat ik schrijf, gaat in essentie over heel zware en ernstige onderwerpen. Humor toevoegen aan wat ik schrijf is daarom heel belangrijk. Het maakt de veelal zware thematiek verteerbaar. Tegelijkertijd is humor ook heel gevaarlijk en probeer ik mijn boeken er niet mee te overladen, omdat humor altijd gaat om het omkeren van de ellende van een ander.

Laten we even teruggaan naar de vragen van Amos Oz. Welke functie vervullen je boeken volgens jou?

Ik weet niet wat voor functie mijn boeken vervullen, maar ik weet wel wat ik met mijn boeken ambieer. Als schrijver wil ik graag dat mijn boeken een soort spiegel voor de samenleving zijn. Maar of ze die functie vervullen, weet ik dus niet.

‘Voor ik begin te schrijven, wil ik gezien hebben wat mijn personages zien.’Om je boeken deze functie te kunnen laten vervullen, doe je vast veel aan research.

Ja, dat is voor mij essentieel om een boek te kunnen schrijven. Ik vind research doen voor mijn boeken overigens het prettigste onderdeel van mijn schrijverschap. Om even terug te komen op André, het hoofdpersonage uit mijn nieuwe roman: om hem te kunnen begrijpen, heb ik een aantal dagen meegereden met vrachtwagenbestuurders. Voor ik begin te schrijven, wil ik gezien hebben wat mijn personages zien en wil ik graag zoveel mogelijk ervaringen die mijn personages opdoen, ook zelf ervaren hebben.

Wanneer je daadwerkelijk begint te schrijven, hoe schrijf je dan? Schrap en verbeter je voortdurend of schrijf je rechtstreeks vanuit je inspiratie?

Als ik een roman schrijf, doe ik eerst maanden research en maak ik allerhande notities in Atomaschriften. Maar als ik eenmaal begin te schrijven, kijk ik daar eigenlijk nooit meer naar. Het schrijven zelf doe ik vervolgens chronologisch: ik begin bij de eerste pagina en schrijf zo door tot het einde van het verhaal. Ik ben ook niet iemand die veel stukken gaat herschrijven. Het enige wat ik doe als ik een eerste versie van een roman heb geschreven, is schrappen. Veel van mijn boeken zijn aanvankelijk dubbel zo dik geweest.

Heb je vaste uren om te schrijven?

Ik heb niet echt vaste uren waarop ik schrijf, maar eerder vaste plekken waar ik schrijf. Thuis kan ik bijvoorbeeld niet schrijven omdat ik er te veel afleiding ondervind. Daarom schrijf ik regelmatig in cafés waar ze mij niet kennen of neem ik gewoon de trein ergens naartoe. Ik stap dan ’s ochtends vroeg in een willekeurige trein en reis dan bijvoorbeeld naar Virton, het verste punt waar je in België met de trein kan geraken, en keer dan ’s avonds terug.

Wat vind je trouwens van andere schrijvers? Door wie word je beïnvloed en door wie helemaal niet?

Vroeger had ik altijd schrik dat wanneer ik in een schrijfperiode zat, het lezen van andere boeken me zou beïnvloeden. Daarom las ik tijdens schrijfperiodes alleen nog maar thrillers. Daar ben ik mee gestopt toen ik ontdekte dat het me evenveel of even weinig beïnvloedde als de andere boeken die ik lees.

Ik ga er nu gewoon van uit dat ik permanent beïnvloed word door wat ik permanent lees. En verder zijn er ook een aantal auteurs waar ik ontzettend naar opkijk, die ongetwijfeld een grote rol spelen in wat ik doe. Ik ben bijvoorbeeld een grote liefhebber van Louis Paul Boon en een van de redenen waarom, is omdat Boon er heel bewust voor kiest om zijn personages niet te laten denken in afgewerkte verhalen. Willem Elsschot is een andere schrijver die me zeker beïnvloed heeft, en wel om het feit dat hij niet te veel woorden gebruikt. Simenon is voor mij ook een ondergewaardeerd schrijver.

Nog een laatste afsluitende vraag. Naast auteur ben je onder andere ook lid van de Koninklijke Academie voor de Nederlandse Taal en Letteren. Hoe zie je vanuit die positie de toekomst van de literatuur en het literaire bedrijf voor je?

Ik ben daar alleszins niet pessimistisch over. Het grote verhaal dat jongeren niet meer zouden lezen, probeer ik altijd te vergelijken met de tijd waarin ik zelf opgroeide. Bij mij in de klas waren er ook maar twee of drie mensen die boeken lazen. Literatuur is altijd een niche geweest en zal dat ook blijven. Maar dat wil niet zeggen dat er geen zaken zijn die beter kunnen, dat we niet moeten proberen om zoveel mogelijk mensen aan het lezen te krijgen. Maar het is een utopie om voor te houden dat iedereen een potentiële lezer is.