Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Elfie Tromp

'We staan te weinig stil bij het feit dat rampspoed en teleurstelling een inherent deel van een leven zijn' Gesprek door Alma Schuringa Foto's: Nick Helderman

Elfie Tromp (1985) werd na een lange relatie verlaten door haar grote liefde. Haar poëziedebuut Victorieverdriet, dat in mei 2018 bij De Geus verscheen, gaat over alle gevoelens die bij dat verlies kwamen kijken: het is een reisverslag door het landschap van rouw en eenzaamheid, om uiteindelijk tot een nieuwe, kwetsbaardere verbondenheid met de wereld te komen. We interviewen haar in haar huis in Rotterdam, waar ze ooit als zestienjarige student introk, en inmiddels woont met haar eenkennige (‘hij heeft deze week al twee journalisten gebeten’) hondje Chin-Chin.

Karakters: Victorieverdriet gaat over een verdrietige periode uit je leven. Begon je in die periode voor het eerst met dichten, of schreef je eerder ook al poëzie?

Elfie Tromp: Gek genoeg dacht ik nooit dat ik slim genoeg was voor poëzie. Ik schreef wel gedichten, maar die nam ik zelf niet serieus. In mijn dagboek ontstaan vaak losse flarden tekst die je gedichten zou kunnen noemen. De voornaamste kritiek die men op mijn bundel kan hebben is dat mijn gedichten niet vormvast zijn – ik schrijf geen klassieke gedichten, geen sonnetten, ik gebruik geen rijmschema’s of enjambementen.

Vind je het belangrijk om je binnen de poëzie aan dat soort regels te houden?

Nee, voor mij is poëzie net als muziek: de meest directe manier om je emoties te vertolken. Op het moment dat ik mijn bundel schreef, ervoer ik zoveel pijn dat dit de enige manier was om mijn gevoel te delen – ik kon niet anders. Ik kon geen fictief verhaal of personages verzinnen; dat stond op dat moment gewoon te ver van me af.

De directe uitlaatklep van emoties vond ik uiteindelijk zowel in het schrijven van liedjes [die Tromp afgelopen zomer in haar voorstelling Monster Love Town liet horen, red.], als poëzie, wat voor mij geldt als het literaire equivalent van zingen. De bundel is een bezinksel uit de, denk ik toch wel, zwartste periode uit mijn leven.

 

Toch lijkt de bundel op veel punten ook hoopvol.

Nou ja, ik ben wel iemand die de pijn in het leven bewust aangaat; ik ga niet zomaar liggen. Ik weet nog wel dat ik die eerste maanden van rouw vooral dacht: ‘Oké, mijn leven is nu een puinhoop, maar dit ga ik verdomme mijn plezier niet laten verpesten.’

Hoe zorgde je daarvoor?

Ik heb alles wel gedaan: maniakaal uitgaan en daten, drank en drugs. Maar op een gegeven moment komt toch dat moment van verstilling, wat maakt dat je moet gaan zitten en het gewoon moet aangaan. In die zin is verdriet en teleurstelling een soort ongenode huisgast. Je weet niet wanneer hij langskomt, maar hij heeft je sleutels, en op een dag zit hij plotseling op de bank. Het enige wat je dan kunt doen, is naast hem gaan zitten.

Want hij is er toch wel.

Ja, hij is er toch. En hoe meer je met hem probeert te vechten, hoe harder hij terug zal schreeuwen. Er is me naderhand vaak gevraagd of het schrijven me door die periode heen heeft geholpen, maar dat is niet zo. Het enige wat het echt beter heeft gemaakt, is de tijd. Letterlijk, de tijd die eroverheen is gegaan.

Wat het schrijven me wel heeft gebracht, is dat het me iets te doen heeft gegeven: een activiteit waar ik me op kon richten.

In je bundel stel je je erg open en kwetsbaar op: je maakt geen gebruik van personages, zoals we die wel kennen uit je romans. Was het maken van die stap niet ontzettend eng?

Ik denk dat we, wat misschien ook wel komt door het geprivilegieerde leven dat wel leiden, te weinig stilstaan bij het feit dat rampspoed en teleurstelling een inherent deel van een leven zijn – wat voor leven dan ook. Er wordt ons altijd geleerd om de beste versie van onszelf te zijn, en te zwijgen over alles wat minder gaat.

Uit ervaring heb ik echter geleerd dat hoe opener ik ben, hoe meer verbonden ik me voel met de wereld om me heen. Dat heb ik ook gemerkt bij het schrijven van columns voor de Metro, wat ik nu vijf jaar doe: kwetsbaarheid wordt bijna altijd beantwoord met kwetsbaarheid. Ik zeg bíjna altijd, want ik heb, sinds ik kritisch ben geweest over Thierry Baudet, ook een vaste groep rechtse trollen. Dat is eigenlijk de enige hoek waaruit een soort hoongeluiden vandaan komen. Ik ben sindsdien argwanender geworden in de publieke ruimte, en me bewuster geworden van wat ik in de digitale ruimte deel; online ben ik onpersoonlijker geworden.

Je werk zelf is echter wel persoonlijk. In zowel je romans als je gedichten zijn veel verwijzingen te vinden naar mensen uit je eigen, persoonlijke leven: je moeder, je zus, je ex. Levert dat weleens conflicten op?

Niemand vraagt erom om een schrijver in zijn omgeving te hebben, dat geldt voor alle schrijvers en hun familie. David Sedaris heeft zichzelf weleens de vreemde oom genoemd, die de familieverhalen optekent zonder dat iemand daar op zit te wachten.

Je hebt als schrijver altijd een ongemakkelijke verhouding met de realiteit. Ik snap ook dat ik een kut-ex ben – je wil niet dat je ex het publiekelijk de hele tijd over jullie verbroken relatie heeft. Maar voor mij is het wel een enorme inspiratiebron geweest. Ik vind het heel raar dat ik over alles zou mogen schrijven, maar wat dit onderwerp betreft plotseling censuur zou moeten toepassen. Voor wie? Voor wat? Ik ben toch alles al kwijt. De bundel is ook geen verwijt. Ik zie het zelf als een soort wandeltocht door het landschap van rouw: wat staat je te wachten? De bundel gaat niet over mijn ex. Het gaat over mij, en mijn verdriet. Uiteindelijk is wat ik heb meegemaakt een clichéverhaal, en zijn de personen in dat verhaal inwisselbaar. Wat overblijft is een universeel verhaal over verdriet.

Naar mijn idee wordt tragiek binnen de kunstwereld heel erg geromantiseerd, en heerst er soms het idee dat een ongelukkige kunstenaar beter werk zou maken dan een gelukkige. Is het verdriet om je gebroken hart je schrijven ten goede gekomen?

Ik geloof wel dat er een louterende werking in pijn zit. Mensen die nog nooit gekwetst zijn, vind ik eigenlijk maar halve mensen. Verdriet en teleurstelling hebben er misschien wel voor gezorgd dat ik in mijn opiniewerk harder en ongenuanceerder ben geworden. Toen ik in die periode aan columns werkte, interesseerde het schrijven me eigenlijk niet – daardoor schreef ik achtelozer, minder bedachtzaam dan ik normaliter zou doen. Maar juist die ‘ik heb geld nodig en ik moet door’-mentaliteit kwam mijn werk op dat moment eigenlijk alleen maar ten goede. Ik geloof niet dat een schrijver drama nodig heeft om goed te kunnen schrijven. Ik denk dat dat idee voortkomt uit pure ijdelheid, en dat vind ik totaal niet interessant.

Het hoeft niet altijd groots en meeslepend te zijn?

Nee, zeker niet. Ik denk dat de meest productieve schrijvers gewoon hele gelukkige, saaie, stabiele levens hebben.

Zijn er dichters die je bewondert?

Ik hou van dichters die klare, heldere taal gebruiken, en erin slagen om een extra laag aan hun werk toe te voegen. Jan Arends, Ester Naomi Perquin, Ellen Deckwitz, Erik Jan Harmens, Hans Sleutelaar en Menno Wigman zijn daar voorbeelden van; allemaal dichters die geworteld zijn in de moderne tijd, maar bovenal in gevoelens. Een technisch goede dichter vind ik Gerrit Kouwenaar, aan wiens gedicht ‘Elba’ ik een ode schreef.

Die ode is het gedicht ‘Victorieverdriet’, waarin, net als in het gedicht van Kouwenaar, de nederlaag van Napoleon een grote rol speelt. Op het omslag van je bundel zien we hem opnieuw, ditmaal nonchalant achteroverleunend op een stoel. Waar komt die fascinatie voor Napoleon vandaan?

Die ontstond in een klein huisje in Zeeland. Ik had mezelf een maand lang opgesloten in een schrijversresidentie, om aan mijn derde roman te werken. Daar kwam niets van terecht; ik bevond me op mijn dieptepunt, durfde de keuken niet in omdat daar messen lagen. Wat ik voornamelijk deed was op de bank liggen en naar de radio luisteren, waar elke dag een programma werd uitgezonden over het liefdesleven van Napoleon. Uit de brieven die van hem bewaard zijn gebleven, bleek dat hij ontzettend door de liefde werd gedreven – maar ook, als het niet ging zoals hij wilde, in enorme depressies kon vervallen. Die temperamentvolle eigenschap, die hij zowel als minnaar als als veroveraar kende, is hetgeen waarop de titel ‘Victorieverdriet’ is gebaseerd. Het gaat over veroverdrift die omslaat in verdriet. In het gedicht heb ik alle titels die ik mezelf ooit heb toegekend – die van de perfectionist, de overwinnaar, de stoere onafhankelijke vrouw, de gekwetste – afgelegd. Wat er overblijft is een heel gewoon mens. Uiteindelijk zijn we allemaal worstelende onhandige mensen – mensen die soms misschien de verkeerde dingen zeggen, mensen die bang zijn om gekwetst te worden. Een beetje meer mededogen voor onszelf en de ander, meer voelend leven en voelend lezen, daar is het hoog tijd voor.