Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Édouard Louis

"Macht tegen macht gebruiken, dat is het enige dat we kunnen doen." Gesprek door Alexander Philippa Foto's: Senna Leezenberg

Édouard Louis (1992) werd geboren als Eddy Bellegueule en debuteerde op twintigjarige leeftijd met de bekroonde bestseller Weg met Eddy Bellegueule (2014), een roman over zijn jeugd in een noord-Frans arbeidersmilieu waar geen plek was voor zijn homoseksualiteit. Onlangs verscheen bij De Bezige Bij alweer zijn derde roman, Ze hebben mijn vader vermoord, een aanklacht tegen de Franse staat en tegelijkertijd een liefdesbetuiging van een zoon aan zijn afgetakelde vader. Tijdens zijn laatste bezoek aan de Lage Landen gingen we uitgebreid in gesprek met een van dé literaire sensaties van de afgelopen jaren.

Karakters: Ik ben zeer vereerd. Hoe gaat het met u?

Éduouard Louis: Fantastisch, het gaat prima, we hebben zelfs een beetje zon.

Terwijl ik hierheen fietste, dacht ik eraan dat dit winderige en grijze weer precies het weer is dat ik voor ogen heb bij het lezen van uw boeken.

[Lachend] Ja, precies. Waar wind en regen is, voel ik me vertrouwd.

U wordt, tenminste hier in Nederland, als een soort punkster ontvangen. De term ‘enfant terrible’, ik weet niet hoe vaak het al is gebruikt, lijkt op meer dan een manier passend. Hoe voelt u zich daarbij?

[Lachend] Eh… Ik weet het niet. Als ‘enfant terrible’ betekent dat ik sommige mensen angst aanjaag, is het goed nieuws. Ik wil sommige mensen angst aanjagen, ik wíl verschrikkelijk zijn. Tegenover de gewelddadige mensen waarover ik praat in mijn boeken, de mensen die gewelddadige beslissingen maken, zoals Macron, zoals May in Engeland, of zoals Trump, of politici in het algemeen. Het is een goede zaak als zij uitgedaagd worden door schrijvers, door artiesten, door wat mensen doen. Alle mensen die medeplichtig zijn, die deel zijn van dit systeem, dat alle ongelijkheid creëert, en racisme, en LGBT-fobie, moeten uitgedaagd worden. Maar als het een kwestie van leeftijd is, ben ik als de rest.

Hier in Nederland wordt u vaak in een adem genoemd met Houellebecq, maar hij is van een volkomen andere generatie en – volgens mij – van een volledig andersoortig schrijven. Uw schrijven is van een zeer authentieke, een zeer kwetsbaar soort, en het lijkt te verschillen van auteurs van een eerdere generatie. Hoe voelt u zich over deze zeer persoonlijke, emotionele kwetsbare positie in uw boeken?

Kwetsbaarheid en wisselvalligheid, de wisselvalligheid van het lichaam en de sociale wisselvalligheid in het algemeen, liggen in het hart van mijn boeken. Ze zijn wat mij definiëren, als een queer kind in mijn jeugd, en als iemand die komt uit de arbeidersklasse. Slechts zeer weinig schrijvers komen uit de arbeidersklasse. De meesten komen van de bourgeoisie, ze komen uit hetzelfde milieu. Het feit dat ik uit een ander milieu kom, brengt andere dingen met zich mee, andere perspectieven, andere manieren van schrijven, andere manieren van denken, andere manieren van kijken naar de werkelijkheid. Toen ik begon te schrijven, had ik de indruk dat er een kloof bestond tussen de wereld en wat literatuur vertelde over de wereld, en ik schrijf om deze kloof te reduceren. Praten over wisselvalligheid, en over kwetsbaarheid, ligt voor mij in de kern van het proces. Ik heb altijd de indruk dat de wereld waarin we leven vol van geweld is: seksueel geweld, klasse-geweld, racistisch geweld, gender-geweld. En wanneer ik een boek opensloeg, vond ik dat geweld niet terug in het boek, dit geweld dat wisselvalligheid brengt, dat kwetsbaarheid brengt, dat brengt dat je je niet op je gemak voelt in de wereld. Dat is waarom er kwetsbaarheid is in mijn boeken. Het is gewoon de realiteit, onze realiteit als lichaam is kwetsbaar. Je bent in de wereld geworpen, je hebt je naam niet gekozen, je hebt je land niet gekozen, je hebt je gender niet gekozen, je hebt je ras niet gekozen en zodra je bent geboren, kiest de wereld voor je. Er is een initieel geweld dat de basis en origine van ons leven is. Hoe kunnen we dat ongedaan maken? Hoe kunnen we ertegen vechten? Hoe deze kwetsbaarheid in het centrum van onze ervaring ligt, dat is waar mijn boeken om gaan.

Deze manier van het sluiten van de kloof tussen realiteit en literatuur is een zeer bewuste keuze van u. U schrijft omdat u moet schrijven. Deze positie van literatuur heeft u gepresenteerd in het artikel voor The Guardian, dat herdrukt is in het Nederlands in De Gids, waarin u duidelijk maakt dat het doel van literatuur een revolutionaire daad tegen het geweld is. Het is voor mij nogal een sprong om van het schrijven over kwetsbaarheid naar een daadwerkelijke revolutionaire daad over te gaan. U gebruikt literatuur niet alleen als een manier om grip op de wereld te krijgen, of als een vorm van escapisme. Maar dat zijn geen mogelijkheden voor u, neem ik aan?

We horen vaak: ‘mensen lezen steeds minder’. Jonge mensen willen bijvoorbeeld niet meer lezen, ze kopen geen boeken meer. Wanneer mensen dit soort dingen zeggen, denken ze altijd dat de problemen van de lezers afkomen, en ze denken nooit dat het aan de schrijvers ligt. Maar als ik naar de boekenwinkel ga, wil ik vijfennegentig procent van de boeken niet lezen, omdat ze niet de problemen aankaarten die ik belangrijk vind. Ze kaarten de problemen niet aan waarin ik mij herken, ze kaarten geen problemen aan waarmee ik mij kan verbinden, ze werpen problemen op die ik te oppervlakkig vind.
Dat is dus het eerste deel van mijn antwoord, omdat dit het eerste deel is van wat ik doe, waarom ik creëer en over de dingen praat waarover ik praat. Ik wil het probleem overstijgen dat we altijd in termen van receptie denken, en nooit in termen van creatie. Wanneer in het eerste hoofdstuk van Weg met Eddy die twee jongen op me spugen en mij ‘mietje’ noemen – omdat ik gay was op school, en dus spuugden en scholden ze op me iedere dag – dat was voor mij een zeer heldere manier om te praten over een soort universele ervaring, de ervaring dat je in de wereld arriveert, je wordt geboren, en plots geeft de wereld je een identiteit, zonder ook maar te vragen of je ermee instemt of niet. Dus, man, Jood, zwart, Arabier, vrouw; je zult precies dat zijn om dat feit. En natuurlijk zijn al deze namen gelinkt aan een ervaring, het is opgelegd aan je in een bepaalde relatie met andere mensen, in een bepaalde manier van leven, in een bepaalde perceptie van jou door anderen. De eerste stap is gewoon praten over de werkelijkheid. Soms lijkt het alsof praten over de werkelijkheid revolutionair is an sich. Niets is meer revolutionair dan de werkelijkheid, het is zo simpel als dat.
Toen Simone de Beauvoir De Tweede Sekse schreef over wat het is om een vrouw te zijn, over de toestand van vrouw-zijn, hoe het je lichaam beïnvloedt, hoe het je leven beïnvloedt, hoe het je werk beïnvloedt, hoe het je keuzes beïnvloedt, de beslissingen die je zult maken in je leven, degene die je niet in staat bent te maken; ze praatte toen gewoon over de werkelijkheid. Maar niemand zag het daarvoor, niemand zag het op deze manier, niemand nam het waar op de manier zoals zij het deed. Ze bouwde dus een geschiedenis op van hoe vrouwen werden behandeld, maar uiteindelijk vertelde ze gewoon de werkelijkheid. En dat is waarom dat boek zo revolutionair was, en dat is waarom het zoveel levens heeft veranderd. Ook de levens van hen die haar niet hebben gelezen, zoals mijn moeder of mijn zus. Hun levens zouden niet hetzelfde zijn zonder Simone de Beauvoir, omdat ze zekere ideeën creëerde die in de sociale wereld circuleerden. Als je slechts over de werkelijkheid praat, hoef je geen manieren te vinden om revolutionair te zijn, omdat de realiteit an sich onverdraaglijk is, en gewoon de realiteit zeggen is revolutionair. Dat is wat ik doe, wat ik probeer te doen.

Het feit dat u uw boeken zo hevig baseert op uw eigen levenservaringen komt van dezelfde noodzaak om over de werkelijkheid te praten, neem ik aan.

Ja, omdat ik ontdekte dat non-fictie, autobiografie en waarheid zeer subversief zijn. Het feit dat ik zeg ‘dit is waar, waarover ik vertel is waar, ik vertel over mensen die bestaan terwijl wij praten, die ademen terwijl wij praten, die over straat lopen terwijl we praten’, dwingt mijn lezers om geconfronteerd te worden met de verhalen die ik vertel. Er zijn zoveel manieren om niet met de realiteit te worden geconfronteerd. Als een menselijk wezen besteden we onze tijd aan het vermijden van de dingen die we zien, en aan ontkennen dat we ze zien. Je loopt over straat en ziet een dakloze, en je wendt je hoofd af om te voorkomen te zien wat je al weet. En we doen dat allemaal. Het is bijna onmogelijk om dat niet te doen. Maar hoe kunnen we het verminderen? Ik denk dat voor een lange tijd fictie een manier was om het hoofd af te wenden. Wanneer ik mijn boeken publiceerde, zeiden sommige mensen: ‘maar hoe dan ook, het maakt ons niet uit of het waar is of niet, want het is literatuur’. En ik zei hen: ‘hoe kun je dat zeggen? Hoe durf je dat te zeggen? Ik praat over mensen die lijden, ik praat over mensen die verwoest zijn door de samenleving, ik praat over mensen wier levens zijn verwoest, en jij zegt me “het maakt ons niets uit, want het is literatuur”? Wat betekent dat, wat is je definitie van literatuur, wat bedoel je met “literatuur”?’ Ze wilden dat ik zou zeggen dat het fictie was, omdat het een opluchting voor hen zou zijn geweest. Ik had kunnen zeggen ‘ja, ja, het is fictie, het is literatuur, maak je geen zorgen’, om ze niet te confronteren. Maar ik zei hen dat het verhaal in mijn boek mijn verhaal is, de vrouw waarover ik praat is mijn zus, de vrouw die wordt geslagen door een man is mijn zus, de man die 51 jaar oud is en niet meer kan lopen, die niet kan ademen zonder een apparaat, die niet langer een sociaal leven kan hebben en terwijl we aan het praten zijn lijdt, is mijn vader. Dus wat doe je? Wat doe je in deze wereld, om te vechten tegen dit soort dingen, vechten tegen deze onverdraaglijke werkelijkheid, vechten tegen dit soort ongelijkheden? De waarheid de kern van een literair project maken is werkelijk veel subversiever dan ik ooit had bedacht. En ik zag dat, ik zag hoe ongemakkelijk het sommige mensen maakte, en dat is gerelateerd aan je eerste vraag, ik wil mensen ongemakkelijk maken. Als het dat is wat het betekent om een enfant terrible te zijn, zal ik mensen ongemakkelijk maken; niet voor het plezier om ze ongemakkelijk te maken, maar omdat ik ze wil laten denken ‘wat ben ik aan het doen? Kan ik iets doen, als ik zie wat er gebeurt?’ Als ik niets doe, moet ik tenminste daar bewust van zijn. Ik moet elke ochtend wakker worden en denken: ik doe niets tegen deze strijd waarin we leven. En er zijn veel manieren om het te doen: je kunt essays schrijven, je kunt romans schrijven, je kunt demonstreren op straat, je kunt water geven aan de immigranten, je kunt de wet breken en de migranten je land in helpen komen, zelfs als de staat het niet wil. Er zijn vele manieren, ik denk dat er niet één manier is op de wereld om te handelen, maar ik wil tenminste tegen de mensen zeggen: ‘dit is de wereld’. Literatuur zonder fictie is veel krachtiger dan alles wat ik me voorstelde. Er zijn veel mensen vandaag, zoals Ocean Vuong, Svetlana Aleksijevitsj en Ta-Nehisi Coates, die echt werken met dit idee. Dat is belangrijk.

Toch bestaat er een soort frictie dat u kiest – u noemde een paar manieren van handelen – voor schrijven, essays schrijven, terwijl dit juist de gebieden zijn die traditioneel onderdeel zijn van het elitaire establishment. In het begin zei u dat u de ervaring van de arbeidersklasse wilde brengen in de literatuur, om te confronteren. Maar deze frictie blijft, omdat er zo een enorme dominantie van het elitaire establishment bestaat waarin u uzelf probeert te weven.

Wat ik probeer te doen, is macht tegen macht gebruiken, dat is het enige dat we kunnen doen met macht. Als ik literatuur publiceer, of in een grote krant zoals The Guardian, The New York Times of Le Monde, weet ik dat dit middelen zijn, culturele middelen, waarmee we, zelfs zonder het te realiseren, sociale distincties in onze wereld produceren. Ik weet dat wanneer ik in The New York Times schrijf, mijn moeder het niet zal lezen, ze zal er geen toegang tot hebben. Dus er is een paradox. Wanneer ik mijn roman schrijf praat ik over haar, wetende dat zij niet zal ontvangen wat ik zeg, wetende dat de mensen voor wie ik vecht nooit mijn boeken zullen lezen. Dat is de paradox in de kern van wat ik doe. Maar ik denk dat je deze dingen tegen zichzelf kan keren. Ik schrijf, maar ik zou niet moeten schrijven. Het is een ongeluk. Sociaal gezien, met inachtneming de plek waar ik ben geboren, wie ik was toen ik was geboren, zou ik niet moeten schrijven. Ik zou bij de fabriek moeten werken of werkloos moeten zijn, zoals mijn kleine broertje, die gestopt is met school op zijn vijftiende, of ik zou mezelf gedood moeten hebben op tienjarige leeftijd, omdat ik homo was. Het was onmogelijk voor me te leven in dit milieu, in dit dorp. En toen ik een kind was, zoals een boel queer kinderen, dacht ik vaak aan zelfmoord, of zelfmoord plegen. Dus ik zou hier niet moeten zijn. Sociaal gezien is het een anomalie dat ik hier ben. Ik probeer dit ongeluk te gebruiken om dingen aan te kaarten als dit ongeluk niet was gebeurd, om mensen uit te dagen die niet uitgedaagd zouden worden als dit ongeluk niet was gebeurd.

Interessant om erover te praten als een ongeluk. Ik had me voorgesteld dat het bijna makkelijker is om het in een narratief te plaatsen van ‘ik heb een sterke wil en ik ben erbovenuit gestegen.’

Nee, nee, je hebt gelijk. Ik denk dat dat is waarom ik Weg met Eddy begon te schrijven, mijn eerste boek. Toen ik het begon te schrijven, realiseerde ik me dat er veel verhalen waren over outsiders, mensen die het milieu waren ontsnapt, die het dorp waren ontsnapt, de sociale klasse waren ontsnapt, die uit een arm milieu komen en veranderen, zoals in La Rouge et la Noir, van Stendhal. En ik heb altijd de indruk gehad dat in deze boeken, in deze romans, zelfs op het hoogste literaire niveau, deze mensen vrij geboren waren. Ze waren slimmer geboren dan hun broers en zussen, hun families en hun omgeving.
Ik had nooit kunnen zeggen dat ik slimmer was dan mijn zus of mijn moeder. Hoe zou ik deze dingen durven te zeggen? Ik was precies geboren zoals alle anderen, en, per ongeluk, werd ik iets anders. En dat ongeluk heeft me gered – Ik zou zeggen eerder een mislukking dan ongeluk. Ik was de grootste loser en dat is wat me heeft gered. Dat is waarover ik praat in Weg met Eddy, ik was een gay kind in een arbeidersmilieu, gedomineerd door de waarde van mannelijkheid, mannelijk zijn, mannelijk handelen. Ik was incompatibel met dit milieu. Gedurende mijn hele jeugd probeerde ik erin te passen. Dat is het verhaal van mijn eerste boek: ik probeer te zijn als anderen willen dat ik ben, ik probeer te zijn zoals mijn vader wil dat ik ben. Ik probeer mannelijk te zijn, ik probeer goed te zijn in voetbal, ik probeer goed te zijn met meisjes, en ik misluk. Mijn eerste droom was niet Simone de Beauvoir te zijn, maar volledig normaal. En omdat ik mislukte, dacht ik op een dag ‘ik zal nooit slagen, ik moet ontsnappen, ik heb geen andere keuze’. Dus ging ik naar de middelbare school en ging ik studeren. Ik was de eerste in mijn familie die ging studeren.
Maar voor mij in die tijd was het de grootste mislukking ooit. Als je naar me toe was gekomen en had gezegd: ‘Eddy, je zult naar school gaan en een schrijver worden en je zult vertaald worden, enzovoorts, óf je blijft in het dorp en je zult de meest mannelijke zijn en je vader zal zich niet meer voor je schamen’, had ik gekozen om te blijven, zeker. Ik wilde niet anders zijn. Mensen dwongen me anders te worden. En op een zeker moment heeft het me gered, realiseerde ik veel later. Ik kon niet snel genoeg ontsnappen, en toen ik ontsnapte, dacht ik ‘oké, nu moet ik iets doen, iets maken, ik moet iets doen met deze ontsnapping.’ Politiek gezien, wat meer optimistisch is, is wat ik zeg dat je niet anders geboren wordt, je wordt anders. Ik werd anders, ondanks mezelf, ondanks mijn wil. Het betekent dat mensen anders worden, je kan mensen anders maken, dat is een politieke daad. Als je zegt ‘ik ben anders geboren, ik ben gevoelig, maar mijn familie niet, ik ben anders en mijn familie niet, ik ben slim en de wereld dom’, wat doe je dan? Blijf je in je stoel en wacht je op slimme mensen om op te staan? Dat slaat nergens op. Het is veel belangrijker om te zeggen: ‘ik ben niet anders geboren, ze dwongen me anders te worden, dus we zouden het op een andere manier moeten proberen’. Maar het is tenminste een verhaal van wording, niet een verhaal van zijn.



Er zit een duidelijke weerklank van De Beauvoir doorheen, ‘men is niet geboren als vrouw, maar tot vrouw gemaakt’ en u noemde dit begrip van mannelijkheid waarmee u zoveel heeft geworsteld. Wat ik zo ontroerend vind aan uw boek Ze hebben mijn vader vermoord is dat de relatie met uw vader, die in de vorige twee boeken duidelijk getroebleerd was, veranderd is – of uw benadering is veranderd. Wat was de noodzaak, of vanwaar kwam deze noodzaak om het anders te benaderen?

Het eerste antwoord zou zeer basaal zijn: ik wilde niet hetzelfde doen als ik in de voorgaande boeken heb gedaan, ik wilde niet hetzelfde boek opnieuw schrijven. Ik wilde een andere blik krijgen, een ander perspectief op mijn vader, op mijn realiteit. Mijn vader was geobsedeerd met mannelijkheid, zoals iedereen in het dorp. Niet omdat hij een slecht persoon was, maar gewoon omdat zijn lichaam alles was wat hij had, hij had niets anders. Dat is wat Pierre Bourdieu gewoon was te zeggen: ‘we ontnemen alles van de werkende klasse; we ontnemen hen hun geld, ontnemen hen de toegang tot cultuur, we ontnemen de toegang tot de steden, tot het centrum, tot zoveel dingen, en het enige overgebleven is het lichaam.’ Dus we zouden niet verbaasd moeten zijn als in het milieu van de arbeidersklasse er een zekere ideologie van het lichaam en dan een ideologie van kracht en dan een ideologie van mannelijkheid is, dat een effect heeft op queer mensen, LGBT-mensen, vrouwen, en de rest. Er is een hele geschiedenis van deze mannelijkheid, het is belangrijk om dat te benadrukken, om niet slechts te zeggen ‘mijn vader was mannelijk gewoon omdat hij het wilde, of gewoon omdat hij wilde dat anderen lijden.’ Hij was geobsedeerd met deze mannelijkheid en voerde deze mannelijkheid uit, elke keer opnieuw. Hij handelde kleinerend tegenover vrouwen, hij handelde kleinerend tegenover mij. Recentelijk, het was het startpunt van Wie heeft mijn vader vermoord, zag ik mijn vader na hem jaren niet gezien te hebben, en hij is bijzonder jong, nog in zijn vroege vijftiger jaren. Toen ik de deur opende zag ik hem volledig verwoest. Mijn vader heeft geen ernstige ziekte, zoals kanker of MS. De staat van zijn lichaam komt gewoon door zijn leven, door het leven dat hij gedwongen was te hebben, door zijn arbeidersleven in de fabriek, slecht voedsel, uitsluiting, sociale dominantie. Toen ik hem zo zag, verwoest op zo een vroege leeftijd, brak min of meer het masker van mannelijkheid dat hij gewoon was te dragen gedurende zijn hele leven, en plots zag ik de littekens iets beter, de littekens die ik nooit had gezien gedurende mijn jeugd. Zelfs de dingen die ik als kind direct had ervaren met hem, had ik niet waargenomen, omdat het zo onverenigbaar was met wat mijn vader was. Zoals de vele dingen die we niet waarnemen rondom ons: als je niet het frame hebt om ze waar te nemen, zie je ze niet. Voor het merendeel van de tijd leven we naast onze levens, onze levens gaan door, en er zijn zoveel dingen die we niet zien. Er waren zoveel scènes, momenten en zinnen van mijn vader die ik niet zag tijdens mijn jeugd, omdat ik het frame niet had. Toen ik mijn vader zo zag, toen ik zijn volledig verwoeste lichaam zag, kreeg ik een andere blik op hem. Zijn kwetsbaarheid en zijn breekbaarheid waren al aangekaart in Geschiedenis van Geweld, of Weg met Eddy. Maar hier wilde ik echt focussen op deze kwetsbaarheid die ik net had ontdekt, omdat het te laat was. Het is niet incompatibel met wat ik heb geschreven in mijn eerdere boeken. Toen het boek uitkwam in Frankrijk, zeiden sommige mensen: ‘Ah, Édouard Louis zegt in zijn eerste boeken dat zijn vader een racist is en in zijn derde boek dat hij lijdt.’ Alsof dat onverenigbaar is!

In uw laatste roman heeft u gesteld dat u opnieuw over bepaalde onderwerpen moet schrijven. De scènes met uw vader in de auto, dat zijn scènes van affectie, of wanneer hij u de twintig euro overhandigt om lunch te gaan halen. In de laatste roman is er de scène waar hij meezingt met Celine Dion. Was dit herhalen van scènes een manier voor u om het verleden op een andere manier te zien? Bent u retroactief uw verleden aan het herwaarnemen?

Ja, zeker, zeker. Misschien is dat een van de redenen waarom ik over mijn verleden schrijf, omdat ik de indruk heb dat ik het niet volledig heb ervaren in mijn jeugd. Dus ik probeer het nieuw leven in te blazen via mijn boeken, probeer het te begrijpen via mijn boeken. Er zijn zoveel gevoelens die ik gehad moeten hebben, die ik niet had en nu wel heb. Sommige dingen die mijn vader me zei, raakten me niet, bewogen me niet, maar bewegen me nu wel, omdat ik meer dingen begrijp, omdat ik dingen duidelijker waarneem. Er zijn zoveel schrijvers die prachtig over liefde hebben geschreven, zoals Proust. Ik ben er niet erg goed in, maar wat ik kan doen, is schrijven over de onmogelijkheid van liefhebben, of de onmogelijkheid van ‘ik hou van je’ zeggen. Mijn vader probeerde dingen uit te drukken, probeerde te zeggen ‘ik hou van je’, maar hij kon het niet dus hij deed het zeer, zeer, zeer zeldzaam, zeer, zeer kort, zeer complex. Hij kon het niet, omdat zijn identiteit van een man hem niet toestond te zeggen ‘ik hou van je’, omdat het een ding was voor vrouwen en mietjes. Hij was gevangen in de regels, in de sociale normen, en dat weerhield hem het te zeggen, van het hebben van een normale relatie met zijn kinderen en zijn vrouw. Wat ik toon in Wie heeft mijn vader vermoord is dat liefde zeer sociologisch en politiek is. Mijn vader heeft nooit ‘ik hou van je’ heeft gezegd tegen mijn moeder en toen ze op veertigjarige leeftijd hem verliet, was mijn vader plots alleen, en leed er zeer onder, omdat hij stapelverliefd was op mijn moeder. Wellicht, als we zouden leven in een samenleving die minder overheerst was door mannelijke dominantie, zou mijn vader niet verdrietig zijn omdat ze hem had verlaten. Het is niet een naïeve manier van praten over liefde. Als we vechten tegen mannelijke overheersing, zouden mensen misschien een klein beetje beter leven hebben. Het is niet alleen politiek op de abstracte manier – wat ook belangrijk is – maar het is ook, zoals Bourdieu zou zeggen, de economie van geluk, économie de bonheur, de politieke beslissing dat we meer geluk zullen stoppen in de levens van mensen, meer seconden, meer minuten, meer momenten van geluk. En als onze politici meer zouden vechten tegen mannelijke dominantie, zou dat misschien gebeuren, en zou mijn vader minder verdrietig zijn en minder verwoest.

Zou u willen schrijven over de realiteit van de liefde?

[Lachend] Ja!