fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Dimitri Bontenakel

"Civilisatie is slechts een dun laagje vernis, als dat wegvalt zijn mensen net een kudde dieren." Gesprek door Silke Currinckx Foto: Koen Broos

Normaal gezien zou ik de Antwerpse schrijver Dimitri Bontenakel ontmoeten voor een koffie en een interview, bij Coffeelabs op de drukke Meir. Normaal gezien zou Bontenakel een paar weken later zijn nieuwe boek De berenrug komen voorstellen op een exclusieve boekpresentatie voor Karakters, in Kavka. Maar de tijden zijn verre van normaal, en dus ontmoette ik Dimitri Bontenakel via Skype, met een koptelefoon op, in onze respectievelijke woonkamers. Het zijn vreemde tijden, maar de literatuur blijft doorgaan. We zijn even aan ons huis gekluisterd, maar een goed boek neemt je mee naar de vreemdste plaatsen. In het geval van De berenrug is dat een eiland ergens tussen IJsland en Schotland, aan het einde van de negentiende eeuw.

De berenrug volgt de levens van de inwoners van een eiland, dat na de Grote Storm meer wegheeft van een maanlandschap. De vegetatie is verwoest, en de paradijselijke dieren die er vroeger woonden, bestaan alleen nog in de atlas van meester Oort, de leerkracht van de lokale school. We volgen Ellie Dekker, een jonge vrouw die niets liever wil dan van het eiland vertrekken. Maar dat is niet zo makkelijk, want het eiland is afgescheiden van de buitenwereld, en de rest van de eilandbewoners hebben zich aangepast aan het eilandleven. Het eiland is als een microkosmos van de maatschappij in haar geheel, met conflicten tussen realisme en idealisme, tussen vernieuwers en traditionalisten, denkers en doeners.

Karakters: De berenrug is een historische roman, die zich aan het eind van de negentiende eeuw afspeelt. Vanwaar de keuze voor deze periode in de geschiedenis?

Dimitri Bontenakel: De premisse is eigenlijk dat je een eiland hebt waar mensen niet weg kunnen. Ze zijn op zichzelf aangewezen nadat er een ramp heeft plaatsgevonden die ze deels over zichzelf hebben afgeroepen. Als je vanuit zo’n setting vertrekt, kan je niet anders dan naar het verleden teruggrijpen. Mocht het verhaal nu plaatsvinden, zouden de schipbreukelingen een telefoontje kunnen doen en weer vertrekken. Het was dus vooral een praktische benadering. Ik dacht: wat kan ik doen om deze mensen op een eiland vast te zetten? In mijn research las ik een boek van Joshua Slocum, de allereerste persoon die solo de wereld heeft rondgevaren, en dat boek speelt zich in dezelfde periode af. Daardoor besloot ik dat mijn verhaal zich in het tijdsbestek rond 1895 moest afspelen, en de rest van mijn opzoekwerk heb ik daarop gebaseerd.

In het boek bouwen twee personages, Ellie en Ysbrant, een boot, een ingewikkeld proces waar ook heel wat specifiek jargon aan te pas komt. Had je al veel kennis over boten of heb je dat allemaal onderzocht voor het boek?

Dat is allemaal research, want ik ben zelf absoluut niet ‘zeewaardig’. Ik woon wel aan de Schelde, maar daar houdt het ook op. (lacht) Ik heb vooral veel boeken gelezen over het onderwerp. In de bibliotheek van het MAS (Museum aan de Stroom) vond ik een boek waarin de bouw van een houten schip stapsgewijs werd uitgelegd. En dan ben ik uiteindelijk ook twee keer naar Schotland gereisd. Vooral voor de natuur, maar ook daar heb ik wat opzoekwerk gedaan over hoe botenbouw in die regio gebeurde. Ik ben in Wick gepasseerd, een klein visserijstadje in het noorden van Schotland waar ze een heel mooi heemkundig museum hebben. Dat soort dingen. Ik was niet bekend met zeevaarttermen, maar ik wilde wel dat het klopte, zeker omdat er een boot gebouwd wordt in het boek. En net door erover te lezen, komt die interesse naar boven, het plezier van iets nieuws te leren.

Leren door erover te schrijven dus.

Inderdaad. Dat vind ik ook het leuke aan schrijven, want elk boek dat ik tot nu geschreven heb, ging over een ander onderwerp. Als je bepaalde keuzes maakt, word je verplicht om te beginnen researchen, en dat vind ik heel leuk om te doen. Je leest een boek, je komt een ander boek tegen, en zo leer je allerlei nieuwe dingen bij. En de interessantste dingen verwerk ik dan in mijn boeken.

Doe je voor al je boeken zoveel research of is De berenrug een speciaal geval?

De berenrug is in dat aspect wel speciaal, omdat het historisch is. Dan kan je niet schrijven dat iemand zijn jas dichtritst, want ritsen bestonden nog niet in de negentiende eeuw. Het moet allemaal kloppen, en daardoor moet je veel meer gaan lezen over hoe mensen toen leefden. Mijn vorige boek, Schaduw en vuur (2017), speelde zich in het nu en in de toekomst af, dus daarin kan je veel vrijer zijn, daar kan je je fantasie de vrije loop laten.

Zijn de beschrijvingen van het landschap op Kaap Ursus gebaseerd op je reizen naar Schotland?

Ik heb nogal veel rondgereisd in mijn leven, toch totdat de vliegschaamte de reisdrang wat temperde. Ik ben twee keer naar Schotland geweest, ik heb IJsland en Canada bezocht, en die noordelijke landschappen spreken me toch het meest aan. Het eiland in De berenrug bevindt zich ook in het noorden, ergens tussen Schotland en IJsland. Ik had het ook een zuiders eiland kunnen maken, en dan was het een heel ander verhaal geweest, maar ik ben zelf veel meer geboeid door noordelijke landschappen.

Het ‘onbewoonde eiland’ is een belangrijk topos in de literatuur, denk maar aan klassieke werken als de avonturenroman Robinson Crusoe. Situeer je De berenrug in deze traditie?

Ik heb Robinson Crusoe weleens als kind gelezen, maar het was niet mijn expliciete bedoeling om me aan te sluiten bij die traditie. Ik ben zelf wel een eilandmens, eilanden hebben me altijd aangetrokken, maar het was ook om puur praktische redenen. Ik heb in voorbereiding van het boek wel Heer van de vliegen van William Golding gelezen om eens te zien hoe hij dat aanpakte. Uiteindelijk is het een heel ander boek geworden, maar ik heb er wel wat eilandliteratuur bijgehaald in de voorbereiding.

Het eiland na de Grote Storm doet wat denken aan een verloren paradijs: een eiland dat vroeger idyllisch was, maar dat nu onvruchtbaar is geworden.

Het basisidee voor dit boek kwam in me op tijdens een reis naar Patagonië, in het zuiden van Argentinië. We waren met een groep aan het wandelen in Torres del Paine National Park (een nationaal park in het zuiden van Chili, red.) en hadden net een gletsjer bezocht. Toen we naar huis gingen,- raakte ik wat afgezonderd van de groep, en ik zag hoe de zon de bergen weerspiegelde in het meer. Toen kwam de gedachte in me op: stel dat mensen dit landschap gewoon zijn, maar het ineens niet meer kunnen zien. Vooral de weerspiegeling in dat water speelde toen een belangrijke rol: ik ga er niet te veel over vertellen, want daar wil ik later misschien nog iets mee doen. Maar de basispremisse was: wat als de mensen op het eiland op een dag wakker worden en al die prachtige natuur verdwenen is? Wat doet dat met die mensen? Er is een eiland in de Stille Oceaan, Nauru, waar momenteel een asielzoekerskamp van Australië gevestigd is, maar dat vroeger ook zo’n paradijselijk eiland was. De mensen leefden daar van de vogel- en visvangst, totdat een kolonist er fosfaten in de bodem ontdekte begin twintigste eeuw. Ze zijn die fosfaten beginnen ontginnen en zijn daar heel rijk van geworden, maar het eiland zelf is een maanlandschap nu. Er wonen nog mensen, maar er groeit niks meer. Voor mij is dat eiland toch een microkosmos voor wat de hele planeet aan het overkomen is.

Zou je De berenrug als een allegorie voor de toestand van onze planeet kunnen lezen?

Ik wilde het niet te boodschapperig laten overkomen, maar dat was ergens wel mijn bedoeling. De bewoners van het eiland hebben hun eigen leefomgeving versjacherd, maar wat gebeurt er daarna? Ik wilde het vooral over de mensen hebben, ik wilde het ook niet als een pamflet laten overkomen. Het gaat wel over de relatie tussen mens en natuur. Op het eiland heb je verschillende soorten mensen: je hebt de pastoor, die de ramp ziet als een middel om de mensen aan zich te binden, de vuurtorenwachter, die heel pragmatisch te werk gaat en vooral naar de toekomst kijkt, de onderwijzer, die eerder nostalgisch is, maar ook optimistisch over de vooruitgang van de technologie. De posities die je ook in onze wereld hebt, heb je op dat eiland in miniatuurvorm.

Het centrale conflict vindt plaats tussen de realisten en de idealisten: Ellie en Ysbrant willen zo snel mogelijk weg van het eiland, terwijl de andere bewoners berusten in hun lot.

Het boek gaat ergens ook over identiteit. Ellie vindt haar identiteit niet op het eiland, maar ze legt zich er niet bij neer en denkt dat ze elders heen moet. Dat is haar persoonlijke zoektocht, want de andere bewoners hebben ergens hun plek gevonden. De gemeenschap staat onder druk, maar ze hebben hun vaste rol gevonden, en Ellie nog niet.

Zou je het ook als een coming-of-ageverhaal kunnen lezen?

In het boek is Ellie negentien, maar in een eerdere versie had ik haar nog jonger gemaakt om er een echt coming-of-ageverhaal van te maken. De toon waarmee ik het verhaal wilde vertellen, de vertelstem, was niet die van een veertienjarige. Het verhaal had baat bij een oudere protagoniste. Het is het verhaal van een gemeenschap, maar persoonlijke verhalen staan wel centraal.

De gemeenschap op het eiland krijgt gaandeweg ook een totalitair kantje: kunst wordt vernietigd, vrije meningsuiting wordt bestreden… is dat ook allegorisch bedoeld?

Alles wordt hoe langer hoe meer op scherp gesteld op het eiland, waardoor er steeds meer radicale uitwassen zijn. Zoals in elke gemeenschap is civilisatie slechts een dun laagje vernis, en als dat wegvalt, zijn mensen net een kudde dieren. De kudde laat zich leiden, en de mensen die er niet bij horen, worden verstoten. We zitten nu midden in een crisis, en tot nu toe lijkt het allemaal wel mee te vallen in vergelijking met sommige andere landen. Maar als de situatie sterk verergert, denk ik dat je die primitieve tendensen ook wel zal zien. Men gaat slachtoffers en zondebokken zoeken, en dat is wat er ook gebeurt op het eiland. Voor de timmerman is de vuurtorenwachter de schuldige, voor de pastoor is het de onderwijzer,… en dat zorgt voor sterke breuklijnen in de gemeenschap.

De gemeenschap is zeer religieus, en naarmate het verhaal vordert, wordt hun geloof steeds dogmatischer.

Inderdaad. De pastoor zet de regels letterlijk op zijn kerkdeur, en hij voegt er telkens weer nieuwe aan toe. Ik denk dat de pastoor wel het beste voorheeft met de eilandbewoners, volgens hem is religie de enige manier om tot een gemeenschap te komen. Deze vaste overtuiging maakt hem wel eerder dictatoriaal.

Hoelang heb je erover gedaan om het boek te schrijven?

Het eerste idee dateert al van 2008, toen ik die reis naar Patagonië maakte. Toen heb ik er al wel wat over geschreven, maar dat legde ik dan weer opzij, en daarna kwamen er twee andere romans tussen vooraleer ik het idee weer uit de lade nam. Dat was vlak na de publicatie van mijn vorige boek, in 2017. Daarna ben ik beginnen researchen, en in 2018 begon ik effectief te schrijven. De laatste versie van De berenrug is in september naar de uitgever vertrokken. Ik heb nog een beetje herschreven, maar in totaal heb ik er zo’n drie jaar over gedaan. Het idee zat dus wel al veel langer in mijn hoofd. Ik heb een stuk of vijf van die Moleskine-boekjes waar een hoop ideeën in staan, waarvan sommige het halen en sommige niet, natuurlijk. Dit is er zo eentje dat ik altijd weer ben blijven bovenhalen, en dat nu dus eindelijk een boek geworden is.

‘De ideeën die ik krijg vind ik veel interessanter dan mijn eigen verhaal’

De keuze voor een historische roman gaat in tegen de huidige tendens naar autobiografische literatuur, die vooral over het hier en nu moet gaan.

Onlangs heb ik nog een artikel in de Volkskrant gelezen over de populariteit van autofictie, vooral bij Amsterdamse auteurs. Ik denk eerlijk gezegd dat ik gewoon niet dat soort schrijver ben. Ik zoek de onderwerpen voor mijn romans altijd buiten mezelf om. Ik zou zelf geen autofictie kunnen schrijven, al heb ik wel veel bewondering voor schrijvers die dat doen. Het boek Nachtouders van Saskia de Coster vind ik een goed voorbeeld van geslaagde autofictie. Het is geen bewuste keuze om mezelf op de achtergrond te houden, maar de ideeën die ik krijg zijn altijd veel interessanter dan mijn eigen verhaal. Het enige deel van mezelf dat in De berenrug terugkeert, is de angst voor een dystopische toekomst, dat we geconfronteerd zullen worden met een wereld waarin heel veel moois verdwenen is.

Zou je De berenrug een dystopische roman noemen?

Ik probeer me wat te hoeden voor die term, want dystopische romans zijn nu natuurlijk ook heel populair. Mijn vorige boek werd ook dystopisch genoemd, terwijl die term alleen toepasbaar is op de eerste twee hoofdstukken. De berenrug bevat natuurlijk wel enkele dystopische elementen, ook al speelt het zich in het verleden af. Ik zou de term in elk geval nooit op de cover zetten. Dat zou het meteen een heel politieke lading geven, terwijl ik gewoon een verhaal wil vertellen over een kleine gemeenschap, en het persoonlijke verhaal van het hoofdpersonage Ellie.

Wat zou je willen dat de lezer meeneemt uit het boek?

In eerste instantie wil ik de mensen natuurlijk een waardevolle ervaring aanbieden, ze moeten het graag gelezen hebben. En als ze de onderliggende thema’s eruit halen, is dat mooi meegenomen, maar het is geen noodzaak. Ik lees zelf niet zo graag ideeënromans, waarin de personages als handpoppen dienen voor de ideeën van de schrijver. Dat is niet het soort literatuur dat mij ligt, en dus ook niet het soort literatuur dat ik graag schrijf. Dan pak ik het liever wat subtieler aan, door te kijken naar wat de mensen doen. In dat opzicht lees ik ook liever romans waarin je niet in het hoofd van de personages kruipt, maar waarin je ziet hoe ze zijn door de dingen die ze doen. Het is het clichémotief van ‘show, don’t tell’. Ik ben bijvoorbeeld grote fan van de Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy, en hij doet dat ook. Hij concentreert zich op landschappen en personen, en de rest moet je zelf maar invullen. Ik vind het zelf het leukst om tussen de regels te lezen. Lezers van De berenrug zijn ook vrij in hun interpretatie: je kan die bredere thema’s oppikken, maar je kan het ook lezen als een leuke historische roman, en dat is even goed voor mij.

‘Je kan niet zomaar een boek nemen, de beschrijvingen schrappen en een theaterstuk overhouden.’

Die focus op handelingen komt ook vaak voor in film en theater. Haal je daar ook inspiratie uit?

Omdat er zo veel goede series uit komen, ben je als schrijver misschien automatisch geneigd om filmischer te gaan schrijven. Onbewust zal mijn Netflix-abonnement zeker invloed hebben op mijn schrijfstijl. Theater is dan weer een ander verhaal: dat is een heel andere manier om een boodschap over te brengen. Ik heb één theaterstuk geschreven in 2017, en ik heb zeker vijf versies in de vuilbak gesmeten voor ik tot een versie kwam waar ze tevreden mee waren. Blijkbaar is dat toch een heel ander medium dan de roman, dat heb ik wel gemerkt. Je kan niet zomaar een boek nemen, de beschrijvingen schrappen en een theaterstuk overhouden.

Heb je een bepaalde dagroutine als schrijver?

Ik lees zelf ook heel graag over hoe andere schrijvers hun dag indelen. Daar is een geestig boekje over, Daily rituals van Mason Currey. Ik heb zelf ook wel een vaste routine daarin. Sinds twee jaar werk ik halftijds als stafmedewerker voor de scenaristengilde, maar dat is vooral administratief werk. Van 8 tot 12 schrijf ik, dan ga ik wandelen of lopen, en nadien begin ik aan mijn job als stafmedewerker. Dat is wel een vaste gewoonte, het is niet dat ik enkel schrijf wanneer de muze zich aandient. In mijn ervaring is schrijven iets waar je elke dag mee bezig moet zijn. Zolang je dat doet, blijf je bezig met dat boek, circuleert het in je hoofd. Daardoor kan je op onverwachte momenten ook tot ideeën komen die je niet had kunnen bedenken tijdens het schrijven zelf, en dat zijn soms de beste invallen.

Als je zo veel schrijft, zal je ook wel veel geschrapt hebben.

Enorm veel. De hele basispremisse, de reden dat ik het boek wilde schrijven, is uiteindelijk volledig verdwenen uit de finale versie. Toen ik dat besliste, ben ik vanaf regel één alles moeten beginnen herschrijven. Op dat moment heb ik ook de leeftijd van Ellie veranderd, en dat wijzigde het hele verhaalverloop natuurlijk. Ik denk dat dat wel voor de meeste schrijvers het geval is, maar De berenrug heeft toch wel vijf versies gehad, en mijn vorige boek zelfs zeven. Dat lijkt demotiverend, maar uiteindelijk wordt het er wel een beter boek door. Ooit heb ik SchrijversAcademie gevolgd in Antwerpen. We begonnen met een klas van dertig leerlingen, en in het tweede jaar bleef slechts een derde over. De mensen die overbleven, waren de mensen die bereid waren om te herschrijven. Veel mensen raken te gehecht aan hun eerste versie, en kunnen er moeilijk kritiek op verdragen, maar dat mag je niet doen. Het echte schrijven begint pas bij het herschrijven. Een andere klassieker: ‘kill your darlings’. Ik heb toch wel twee slapeloze nachten gehad voor ik besliste dat de basispremisse moest sneuvelen, maar als het leidt tot een beter resultaat, is dat nodig. Als debutant maakte ik de fout om steeds te blijven schaven aan een eerste paragraaf, maar het kan best dat die uiteindelijk in de vuilbak belandt bij het herschrijven. Dat heb ik wel geleerd tijdens het schrijven. Die eerste versie moet zo snel mogelijk op papier staan, pas dan weet je hoe je verder moet.

Ben je ondertussen al aan een nieuw boek bezig?

Bij deze roman is het eigenlijk heel snel gegaan. In februari boog ik me over de laatste redactieronde, en op 6 april lag hij in de boekhandel. In de notitieboekjes vallen natuurlijk heel wat ideeën te sprokkelen, maar voorlopig heeft zich nog niets aangediend. Ik wil er ook mijn tijd voor kunnen nemen. Ik had het idee om een alternatieve geschiedenis te schrijven, die zich situeert in de jaren ’70. Het probleem is dat Ian McEwan net De kakkerlak heeft uitgebracht, waarin precies hetzelfde gebeurt. Ik heb het nog niet gelezen, maar als het te hard lijkt op wat ik in gedachten had, ga ik toch iets anders moeten bedenken. Daar moet je natuurlijk rekening mee houden: dat twee schrijvers op hetzelfde ogenblik net aan hetzelfde denken en elkaar onbewust gaan plagiëren. Verder heb ik losse ideeën, maar nog niets concreets. Het is ook niet evident om je hoofd leeg te maken in deze omstandigheden, ook al heb je zeeën van tijd in lockdown. Ik ga mijn tijd nemen, en we zien wel wat er passeert.

Voorlopig kunnen lezers in elk geval hun gedachten verzetten met het lezen van De berenrug!

Meer weten en lezen over Dimitri Bontenakel?

Dimitri Bontenakel (1971) woont en werkt in Antwerpen en publiceerde met De berenrug alweer zijn vijfde roman. Zijn vorige romans zijn Schaduw en vuur (2017), De steek van de schorpioen (2013), Mijn ontmantelde wereld (2007) en zijn debuutroman Een zwerver met pleinvrees (2004). De romans van Dimitri Bontenakel verschijnen bij Wereldbibliotheek.

Samen met theatergezelschap Lucky Leo en Annelies Verbeke schreef Dimitri Bontenakel het stuk Gewraakt voor het stadsfestival Op.Recht.Mechelen. Daarnaast is Bontenakel de hoofdredacteur van het tijdschrift VERZiN en publiceerde hij in diverse literaire tijdschriften. Dimitri Bontenakel heeft tevens een verleden bij de redactie van het – intussen ter ziele gegane – literaire tijdschrift Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift en was zeven jaar lang bestuurslid van PEN Vlaanderen, waar Erik Vlaminck op dit moment de voorzitter van is.