fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Cynan Jones

'Ik heb dertig jaar van mijn leven in dit verhaal gestopt.' Gesprek door Leon Doedens

Cynan Jones (Wales, 1975) is de auteur van vier korte romans en een verhalenbundel. Zijn debuut The Long Dry (2006) is, als laatste van zijn werken, vertaald als De lange droogte (Koppernik). Het boek beslaat een krappe honderd pagina’s, met veel witruimte. De soms ongrammaticale, ruwe taal – overigens door de vertaler uitstekend in gelijksoortig Nederlands vertaald – kan afleiden, maar past bij het landschap dat Jones schetst in de roman. Het boek is sober, maar enorm doeltreffend en krachtig geschreven. Ik ontmoet Cynan Jones in het Mercure Hotel in Den Haag, waar hij is om op te treden op Crossing Border. Net als zijn schrijfstijl straalt zijn uiterlijk en gedrag soberheid en efficiëntie uit. Hij gaat wat onwennig tegenover me zitten en weigert beleefd maar resoluut iets te drinken.

Karakters: Zelfs in deze betrekkelijk korte roman lijk je eindeloos samen te leven in de wereld van de karakters. De grote leegte van het landschap en het gebrek aan actie dragen daaraan bij. Waarom heb je gekozen voor een verhaal in een leeg dorp, waar zo weinig gebeurt dat de belangrijkste gebeurtenis het weglopen van een koe is?

Cynan Jones: Het meest integere aan mijn schrijverschap is dat ik trouw ben gebleven aan waarmee ik opgegroeid ben. Vroeger ging ik naar buiten en was mijn fantasie alles wat ik had. Het landschap kon elk decor worden dat ik wilde, voor elk spel dat ik maar wilde spelen. Schrijven is slechts het verlengde daarvan.
     Toen ik net begon met schrijven, schreef ik over mensen die verliefd werden op schilderijen van naakten, of naamloze karakters in lege steden. Dat soort vreemd, pseudo-intellectueel gedoe. Ik dacht dat schrijven daar om ging. Pas sinds kort weet ik dat goede verhalen draaien om gebeurtenissen die iemands leven overhoop gooien, en ik kon die verhalen alleen schrijven als het ging om iets wat leek op mijn eigen achtergrond.
     Toen ik dit doorkreeg, schreef ik pas echt. Ik schreef dit verhaal met de hand, typte het over, vormde het, hervormde het, redigeerde het, en dat alles binnen tien dagen. En toen was het af. Dertig jaar van mijn leven heb ik in die tien dagen gestopt. En het was het eerste wat ik heb gemaakt wat goed was.

Vaak zie je dat schrijvers die erg lang blijven puzzelen op iets, met het doel om iets geweldigs te schrijven, een veel minder goed boek afleveren dan iemand die zo uit losse pols iets opschrijft wat dicht bij ze ligt. Kan iemand alleen schrijven over iets wat hij goed kent uit eigen ervaring?

Ik denk het wel. In Groot-Brittannië hebben we de vreemde nature writing-beweging, die nu heel hip is. De romans en verhalen over het platteland die daaruit voortkomen, zijn voor mensen die daar echt vandaan komen niet herkenbaar of steekhoudend. Ze hebben de blik van een toerist, wat de aard van de tekst verandert. Die schrijvers zijn vaak verwonderd door de natuur, ze romantiseren het, of degraderen het tot vermaak. Ik begrijp die pastorale romans ook niet, waar alle dieren blij zijn en alle vrouwen rondborstig en mooi.
     Ik hou van de natuur zoals die is. Het is louterend. Als ik een probleem heb, ga ik gewoon een eind wandelen. En als ik dan uitkijk over een groots uitzicht, vertelt de natuur me: je doet er niet toe. Dat probleem vervaagt daardoor ook direct. En het feit dat ik het platteland goed ken en me erin thuis voel, zorgt ervoor dat ik er zelfverzekerd genoeg over kan schrijven. Ik kan het sturen op een manier die klopt en niet geforceerd is.
     Tegelijkertijd begrijp ik stadsmensen die naar het platteland willen ook niet. Het leven is er pittig. Je moet zorgen voor de dieren en continu meebewegen met de omstandigheden. Het leven in de stad in nou eenmaal ingericht op menselijk leven.

Het leven op het platteland is hard werken, zoveel wordt wel duidelijk in het boek. Er gaan dieren dood, een koe ontsnapt als ze op het punt staat te kalven. Het is afzien voor de personages. Er is een omschrijving van twee volle pagina’s van hoe een mol aan het ontbinden is. In dit boek is dat een aanzienlijke hoeveelheid, zeker omdat de helft van de pagina meestal wit is. Waarom voelen mensen zich dan in godsnaam zo aangetrokken tot het platteland? Of boeken erover?

Ik verveel me juist dood in een stad. Natuurlijk zijn er mooie musea en galeries, of leuke cocktailbars. Maar steden lijken allemaal zo op elkaar. Ze zijn zo verdomd saai. Ik word er erg snel catatonisch. Als ik tussen evenementen door een paar uur over heb in steden bedenk ik: zal mijn geld hier uitgeven of gewoon in de fik steken? Maar ik kan wel zes uur lang geboeid voor me uit kijken op een bergtop, een klif of een strand. Maar het omgekeerde geldt ook voor mensen uit de stad die naar het platteland komen.
     De scène met de mol vertegenwoordigt voor mij trouwens wel een kant van de schoonheid van de natuur. Ik heb dat ontbindingsproces zo gedetailleerd omschreven om de efficiëntie van de natuur te laten zien en hoe alles en iedereen een plaats heeft in de natuur.

Toch is het niet alleen een boek over de natuur, maar ook over de zoon die wegtrekt van het platteland, een moeizaam huwelijk…

Precies! En omdat ik het vanuit een voor mij bekend standpunt heb geschreven, kon ik het over die universele thema’s hebben. Nu heb ik het verteld als een plattelandsverhaal – een koe verdwijnt, wat de aanleiding is voor de man om zijn leven te overdenken, wat een keten van betekenisvolle gedachten op gang brengt en tot een ontknoping leidt. Maar het kan ook gebeuren in een kantoorgebouw in New York, waar een PowerPoint-presentatie verdwijnt. Bij een goed verhaal kun je de aankleding veranderen en de thematiek behouden – zoals hier de huwelijksproblemen en een opgroeiende zoon die van huis weg wil. De vertalingen zijn voor mij ook een goed teken: dat het boek in Nederland of zelfs Albanië wordt uitgegeven bewijst voor mij dat het boek iets universeels raakt.