fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Christophe Vekeman

"Iedere schrijver wil eigenlijk twee dingen: bewonderd worden en begrepen worden." Gesprek door Silke Currinckx Foto: Jonas Lampens

Op een hete nazomerdag ontvangt Christophe Vekeman me in zijn Gentse onderkomen. Hij leidt me binnen in een huis vol mannequinhoofden met cowboyhoeden en een paar gigantische boekenkasten gevuld met legendes uit de Nederlandstalige literatuur. Jeroen Brouwers, Gerard Reve – Vekeman weet wiens schoenen hij moet zien te vullen. Al is ook hij na twintig jaar schrijverschap allerminst een nieuwkomer in het literaire landschap. Als prille twintiger debuteerde hij in 1999 met de roman Alle mussen zullen sterven. Hierna volgden nog verscheidene romans en dichtbundels, doorspekt met performances. Want Christophe Vekeman kan niet verder af staan van het cliché van de schrijver als kluizenaar, een cliché dat in zijn ogen trouwens volledig achterhaald is.

Ook hijzelf vervalt ondanks zijn uitgebreide oeuvre niet in clichés. In zijn nieuwe roman Cruise bewijst hij dit opnieuw door maar liefst veertien personages op te voeren in een verhaal dat enkel 224 pagina’s lang is. De titel van het boek doet de setting reeds vermoeden. Het verhaal speelt zich af op een ‘bezinningscruise’, waar men naartoe gaat om zichzelf te vinden. En dat is nodig, want de illusies waarin alle personages verkeren zijn pijnlijk duidelijk, wat hen extra lachwekkend maakt. Lachwekkend op een pijnlijke manier: dat vat Cruise nog het best samen. Op een humoristische manier toont Vekeman de menselijke zwakheden, die ondanks hun uitvergrote karakter nog steeds confronterend werken. In de traditie van de bekende humanist François Rabelais neemt hij alle pseudo-diepzinnigheid en hypocrisie op de korrel. Niet om een morele boodschap te verkondigen, maar om te tonen hoe absurd de mens is als je hem op antropologische wijze bekijkt.

Karakters: Hoe voorkom je dat de creatieve bron na twintig jaar uitdroogt?

Christophe Vekeman: Dat heeft er vooral mee te maken dat ik niet het soort schrijver ben dat het van inspiratie moet hebben. Ik begin nooit een boek te schrijven omdat ik per se iets te vertellen heb of iets heb meegemaakt dat ik absoluut op papier moet overbrengen. Ik begin altijd te schrijven vanuit het verlangen mentaal elders te zijn. Het is een verlangen om uit mijn bijzonder weinig inspirerende leven los te breken en het leven van iemand anders te leven.

Het schrijven is voor jou dus wat lezen voor veel mensen is – een vorm van escapisme.

Exact. Voor mij is schrijven een actieve vorm van lezen. Ik schrijf ook om te weten wat er gebeurd is en wat er gaat gebeuren. Schrijven is voor mij echt een ontsnappingsroute uit mijn bestaan die ik me als schrijver baan.

‘Ik begin altijd te schrijven vanuit het verlangen mentaal elders te zijn.’

Je weet zelf dus niet wat er gaat gebeuren terwijl je schrijft?

Nee, helemaal niet. Meestal begin ik met een eerste zin, die ik dan zo goed mogelijk probeer te formuleren. Vaak probeer ik die eerste zin nogal uitnodigend te maken, niet alleen voor de lezer maar ook voor mezelf. De eerste zin moet me uitnodigen om een tweede zin te schrijven, om dan een derde te bedenken enzovoort. En dat ongeveer 60.000 woorden lang.

Bij Cruise is het wel een beetje anders gegaan. Ik was op vakantie op het roemruchte eiland Lesbos. Op deze strandvakanties neem ik altijd een paar Agatha Christies mee. Ik bevond mij op de rand van het zwembad, vrij aan het begin van de reis, toen ik merkte dat ik toch de geest kreeg. Ik nam een notitieboekje dat ergens in de buurt rondslingerde en daar begon ik voor de vuist weg te schrijven. Het waren geen zinnen, maar schetsen van een aantal personages waarvan ik geen idee had waartoe ze zouden moeten dienen. Dat ging verbazingwekkend snel, en al snel voelde ik een soort heilig vuur ontsteken in mijn diepe binnenste. Anderhalf uur later bedacht ik dat ik al deze personages moest zien samen te brengen in een Agatha Christie-achtige setting. Hiermee bedoel ik een afgesloten plaats, zoals een onbewoond eiland, de Orient Express, een vliegtuig… Je zou kunnen zeggen dat Christies Moord op de Nijl de inspiratiebron is voor de setting van Cruise.

Cruise gaat over vakantie, meerbepaald een ‘bezinningscruise’. Zo’n cruise past in de trend van retraites en wellnessvakanties, waar mensen naartoe gaan om even weg te zijn van alles. Is Cruise een kritiek op dit soort vakanties?

Goh, een bezinningscruise is wat mij betreft een uitvinding van mezelf, al is het geen heel stom idee natuurlijk. Het idee van wellness, retraites, bezinningen om ‘in het reine met jezelf’ te komen is inderdaad niet iets wat heel sterk appelleert aan mijn behoeftewereld of zelfs kan rekenen op veel sympathie van mijn kant. Tegelijkertijd was het niet mijn bedoeling om specifiek die mensen die er wel into zijn, op de korrel te gaan nemen. Waar het me werkelijk om te doen was, was om de hele mensheid op de korrel te nemen. In vorige boeken hoopte ik dat de lezer zich zou herkennen in de hoofdfiguur, die dan ook Christophe Vekeman heette. In zulke boeken zet je jezelf te kijk, en door veel uitvergroting en zelfspot hoop je dat mensen zich herkennen en daar een zekere troost uit putten.

Bij dit boek had ik een veel agressiever en meedogenlozer oogmerk. Nu wilde ik dat mensen zich zouden herkennen in één of meerdere personages en daardoor in paniek zouden schieten. Ik wilde dat ze zich vanuit de herkenning geplaagd zouden weten door het besef dat ze net als die personages hun leven doorbrengen in illusie, zelfbedrog en een mist van waanzin. Als schrijver moet je de lat hoog leggen, je moet steeds grote en drastische ambities koesteren aan de schrijftafel. Ik hoopte dat mensen Cruise zouden lezen en dan zouden denken: ‘Mijn leven is werkelijk het leven niet waard. Vekeman heeft aangetoond dat mensen niet deugen, ik geef het op!’ Maar ik wilde wél dat ze schaterlachend ten onder zouden gaan aan dat besef.

Het boek is inderdaad zeer confronterend bij momenten. Elk personage vertoont namelijk een dissonantie tussen de persoon die ze denken te zijn en wie ze in werkelijkheid zijn. De personages bedriegen zichzelf voortdurend.

Ik vind het heel fijn dat je dat hebt opgemerkt, want dat hebben ze ongeveer allemaal met elkaar gemeen. Er is een groot verschil tussen wie ze zijn en wie ze denken te zijn, maar ook een groot verschil tussen wie ze zijn en wie ze willen worden. Ze leven allemaal in de illusie van een identiteit die eigenlijk nergens op gebaseerd is, soms op een heel letterlijke manier. Het is allemaal erg uitvergroot en overtrokken, maar dat is volgens mij wat iedereen op een smallere basis doet. Ik denk dat iedereen wel iets van zichzelf maakt dat hij eigenlijk niet is.

Veruit het meest shockerende personage is Barteke Courtois, het eerste personage dat aan het woord komt. Hij is een progressieve journalist die geplaagd wordt door steeds racistischere gedachten, die hij tevergeefs probeert te onderdrukken.

Ik zet de lezers daar een beetje op het verkeerde been, want wanneer ze beginnen te lezen weten ze niet dat er in totaal veertien personages zijn. Barteke Courtois is natuurlijk een verschrikkelijk personage, omdat de lezer hier ook op ideologisch vlak een spiegel wordt voorgehouden. Die ideologische dwang komt niet altijd van bovenaf. Ik merk dat mensen vaak niet vrijuit durven praten uit angst om door de mand van hun eigen identiteit te vallen. Het is typerend voor deze maatschappij dat de gedachten wel vrij zijn, maar tegelijk ook heel sterk onder de loep van bijvoorbeeld sociale media worden gehouden. Als je iets verkeerds zegt op Facebook, kan je reputatie in één dag vergald zijn. Mensen worden steeds meer moreel verplicht om heel erg op hun woorden te letten.

De mensen die dit boek al hebben gelezen, hadden verschillende reacties op het personage van Barteke Courtois. Sommige mensen voorspellen dat ik er heel wat last mee ga krijgen. Er zijn veertien personages, maar we leven in een cultuur waarin de kwaadwillige lezer toch zal zeggen dat ik in dat éne personage mezelf heb geportretteerd. Dat is natuurlijk volslagen waanzin, want het is de minst sympathieke van heel het boek. Het is heel duidelijk dat het een enorme eikel is op allerlei vlakken, dus ik vond dat ik het me wel mocht permitteren. Toch waren er heel wat progressieve lezers die Barteke Courtois weliswaar weerzinwekkend vonden, maar die zich heel diep in zichzelf toch konden herkennen in sommige uitspraken.

‘De werkelijkheid is het totaal van ongeveer 7 miljard kleine wereldjes die weinig met elkaar te maken hebben.’

Een thema dat in al uw werken prominent aan bod komt, is seksualiteit. In Cruise ligt de nadruk vooral op seksuele perversies, en niet op de liefdevolle aspecten.

Als het over seksualiteit gaat, is er een groot verschil tussen mijn poëzie en mijn proza. In de poëzie heb ik de neiging om de liefde en de seksualiteit te beschrijven in hun lyrische, meer extatische vormen. In proza zal ik toch eerder de sukkelseks aan bod laten komen. Ik vind seks zo’n fascinerend onderwerp omdat het mensen volledig in beslag kan nemen. Seks kan bezit nemen van een volledige geesteswereld. Dat kan je zien bij pastoor Tom, die de begroeiing op de ‘feminiene onderbuik’ maar niet uit zijn hoofd kan krijgen en zich daar geestelijk blind op staart. Mijn visie op seksualiteit sluit aan bij mijn algemene aanvoelen dat er niet zoiets bestaat als dé werkelijkheid. De werkelijkheid is het totaal van ongeveer 7 miljard kleine wereldjes die weinig met elkaar te maken hebben. We delen natuurlijk een bepaalde realiteit, we leven allemaal onder dezelfde zon, maar toch blijven mensen gevangen in hun eigen gedachten en verlangens. Die eigen kleine wereld is van veel doorslaggevender belang voor ons dan de publieke wereld. Die wereld bestaat voor een groot deel uit dat wat we verborgen houden, namelijk die seksualiteit. En hoe meer verborgen de seksualiteit is, hoe perverser ze wordt en hoe groter het gevaar dat het uit de hand loopt.

Een ander personage, DMC Dick, is een slam poet die hoopt op een doorbraak. Hij steekt een hele tirade af tegen ‘diepe’ poëzie die zichzelf te serieus neemt. Kan u zich daarin herkennen als performancedichter?

Goh. Je zou kunnen zeggen dat als ik mezelf toch ergens te kijk heb gezet, het dan in het personage van DMC Dick is. Ik vind hem eerlijk gezegd ook wel een sympathiek personage. Wat hem betreft: ik zet hem neer als de prototypische podiumdichter die in wezen liever een rockster zou zijn dan een poeët. Ik laat hem ook fantaseren over toekomstige optredens waarbij het publiek zijn regels automatisch zou meescanderen. Die eigenschap heeft ook altijd wel in mij gezeten. Ik heb gedebuteerd op de tafel van café Het Volkshuis en niet bij De Arbeiderspers, want toen was ik al jaren bezig. Niet met publiceren in boekvorm, ook niet met publiceren in obscure studententijdschriften, maar vooral met voorlezen. Ik vind het zelf een onschuldige afwijking.

Ook in het personage van DMC Dick merk je weer dat het iemand is die een nieuwe identiteit wil verwerven. Een identiteit die hem in staat moet stellen om boven zichzelf uit te stijgen, misschien wel boven zijn eigen talent. In al zijn onschuldige gedrevenheid botst ook hij op de grenzen die iedere schrijver op een bepaald moment moet ervaren. Hij botst op de grenzen die de wereld nu eenmaal stelt aan de nood om bewonderd en begrepen te worden. Iedere schrijver wil eigenlijk twee dingen: bewonderd worden en begrepen worden, en dat is waarschijnlijk ook de dubbele frustratie van elke schrijver. Die bewondering wil nog wel eens meevallen, maar het begrip… Uiteindelijk is dat toch de drijfveer van het hele schrijfgebeuren. Ik hou ervan om de mensen te entertainen, maar op een dieper niveau blijft elk boek toch een noodkreet, een hengelen naar begrip dat in het leven van alledag niet evident is. De communicatie in een roman verloopt via een omweg en is noodgedwongen eenzijdig, maar hopelijk raakt het iets aan wat in het dagelijks leven niet zo makkelijk te bereiken is. Ik kan er heel moeilijk de vinger op leggen wat ik nu eigenlijk wil overdragen met mijn boeken. Als ik de moraal van mijn boeken in een zin kon samenvatten, zou ik geen zestien boeken hebben geschreven. Ik weet het niet. Als ik het ooit bereik, zal ik misschien weten waar ik al die tijd naar gezocht heb.

Humoristische literatuur lijkt een dubbel doel te hebben: enerzijds de lezer entertainen, maar hem ook op parodistische wijze een spiegel voorhouden.

Inderdaad. Ik vind de lach een groot compliment, maar via de weg van de karikatuur heb ik ook geprobeerd om toch levensechte personages neer te zetten. Ik had wel een ecce homo-achtige bedoeling met dit boek. Ik vertel het niet zoals het is, maar ik vertel het zoals ik het zie. Wanneer ik zo dicht bij de ware aard van de mens probeer te komen beland ik vanzelf op het gebied van de humor, omdat mensen in mijn visie nu eenmaal lachwekkend zijn. Als je er dan uitgesproken humoristische literatuur over maakt, vind ik dat nog een blijk van mededogen. Dan denk ik: ‘Jullie zijn toch nog ergens goed voor.’ Ik zou evengoed nog veel vernietigender uit de hoek kunnen komen.

Je spendeert het grootste deel van het boek aan het uitwerken van de – maar liefst veertien – personages, om ze vervolgens op bijna gedetermineerde wijze met elkaar in interactie te laten gaan.

In die zin is Cruise een radicaal ander boek dan zowat al mijn vorige boeken. Zo gaven de veertien personages me de gelegenheid om een andere vorm van compositie te gebruiken. Ik heb heel veel subplotjes ingebouwd, die op een bepaald moment een zo onverwacht mogelijke verklaring krijgen. Wie is die man op het dek? Hoe is die rat binnenstebuiten gekeerd geraakt? Dat soort grapjes vind je terug in het hele boek. Het was voor mij een heel nieuwe manier van schrijven, die ik nog nooit eerder had uitgeprobeerd. Dat komt ook omdat er een verteller is die wel alles weet, maar de informatie niet als een emmer water over de lezer heen giet. De informatie wordt streng gedoseerd, hopelijk tot meerder leesplezier.

Dat verklaart misschien waarom de roman aanvoelt als een detective. Al heeft het ook wat weg van een Grieks drama, want elk personage is op zijn eigen manier tragisch.

Inderdaad, en bij de meeste personages is hun ongeluk een kwestie van overmoed en te veel ambitie. Mensen moeten echt leren om lage ambities te koesteren. Als er al een morele boodschap in het boek te vinden zou zijn, dan is het: mik laag. Verwacht niets, doe zeker niet je best. Enkel zo kan je op een waardige manier je leven leiden.

Dat is natuurlijk een beetje ironisch bedoeld, maar het is wel iets wat ik in de wereld van vandaag wat begin te missen. Mensen staan zo weinig pessimistisch in het leven dat ze van de weeromstuit zulke hoge eisen aan het leven stellen dat ze vanzelf voortdurend teleurgesteld worden en in een zich tot in de eeuwigheid herhalende klaagzang vervallen. Vooral bij jonge mensen merk ik dat ze vaak aan de leiband van de ontgoocheling lopen. En die ontgoocheling komt er écht uit voort dat ze met iets te hoge verwachtingen in de volwassenheid gestapt zijn. Dat is het voordeel van het pessimisme: het wapent je tegen de kleinzerigheid. Vaak zie ik bij mensen hoe een aantal persoonlijke problemen en tegenslagen tot een enorme verongelijktheid leidt, die ze dan bijvoorbeeld in interviews in de krant gaan uiten. Terwijl ik denk: dat is gewoon het leven, problemen en tegenslagen horen erbij.

Geloof je dat een zekere hoeveelheid lijden nuttig is als schrijver? Moet je veel hebben meegemaakt om een goede schrijver te zijn?

Het is een groot voordeel van het kunstenaarsberoep, en vooral van dat van schrijver. Van alle stront die uit de hemel op zijn hoofd terechtkomt, kan hij nog steeds inkt maken. In die zin kan hij de grote rampen in zijn leven toch nog op een vruchtbare manier recycleren. Ik denk niet dat het noodzakelijk is om veel geleden te hebben, maar dat het kunstenaarschap vaak wel een gevolg is van dat leed. Daarmee bedoel ik zéker niet dat je op jonge leeftijd je ouders moet hebben verloren en je rechterbeen tot onder de knie kwijtgeraakt moet zijn. Ik denk wel dat een element van goed schrijver zijn een enorme beheptheid voor het vatten van indrukken is. En dat deze vatbaarheid, zeker in de kindertijd, maakt dat je ook heel gevoelig bent voor pijn. Ik denk dat schrijvers altijd enigszins labiel in het leven staan, en dat dat wel met elkaar te maken heeft. Een schrijver is een bepaald type persoon dat een groot talent heeft voor het voelen en het ontwaren van leed. Als kind had ik daar ook al een grote aanleg voor. Niet alleen voor zelfmedelijden, maar ook voor medelijden met de mensen om me heen. Dat gevoel van medelijden met zowat de hele mensheid behalve David Bowie scherpt ook je observatievermogen aan, wat later ook wel van belang blijkt voor dat schrijverschap.

Zou je dat medelijden ook op een positievere manier als ‘nieuwsgierigheid’ kunnen omschrijven? Vraag je je als schrijver niet voortdurend af welke verhalen er schuilen achter de mensen die je ontmoet?

Vroeger heb ik me dat wel afgevraagd. Na twintig jaar schrijverschap heb ik dat echter afgeleerd, want ik heb iets te veel naast mensen aan de toog gezeten die vanzelf hun levensverhaal aan me begonnen te vertellen in de hoop dat ik er een boek over zou schrijven. Hoe meer mensen je leert kennen, hoe meer verhalen je al eens hebt gehoord. Op een bepaald moment verwerf je het inzicht dat heel veel verhalen op elkaar lijken, en zelfs wanneer ze niet op elkaar lijken, komen ze toch vaak op hetzelfde neer. Ik ben geen schrijver die het verhaal op het allereerste voorplan plaatst. Voor mij is een boek in de eerste plaats een goed boek omwille van de manier waarop het verhaal verteld wordt, en niet omwille van het verhaal zelf. Bij de meeste mensen heb ik de indruk dat ze willen beginnen schrijven omdat ze een verhaal te vertellen hebben. Het nadeel van dat soort schrijvers is dat de verhalen op een bepaald moment op zijn. Ik ben van meet af aan een schrijver geweest die meer interesse had in de wijze van vertellen dan in de vertelling zelf. Hoe kan ik de dingen die ik zie zo precies mogelijk voor het lezersoog laten bestaan? Hoe kan ik de kleuren zo goed mogelijk beschrijven?

‘Voor mij hangt de kwaliteit van een boek heel sterk af van de kwaliteit van de lezer.’

Die aanpak doet meer denken aan die van een schilder, het is een heel visuele manier om met schrijven om te gaan.

Precies. Dat is iets heel uiterlijks, maar het is ook erg moeilijk. Neem nu een gezicht: ik kan je gezicht zien, maar morgen ben je vermist en vraagt de politie aan me hoe je eruitziet. Dan kan ik een robotfoto van je laten samenstellen, maar het zal heel moeilijk zijn om je met woorden te beschrijven op een manier die je werkelijk onderscheidt. Al heeft de lezer net meerdere bladzijden lang over je gezicht gelezen, toch kan hij buiten de persoon met dat gezicht zien wandelen en geen seconde het verband leggen.

Voor mij hangt de kwaliteit van een boek heel sterk af van de kwaliteit van de lezer. Iemand zonder verbeeldingskracht, met een heel ander gevoel voor humor en een andere levensvisie kan het grootste meesterwerk van de literatuur lezen en er niets aan vinden. Ulysses-achtige romans gaan ook mij boven de pet, maar sommige mensen hebben dat ook met een klassieker als De avonden van Reve, die ik dan weer geweldig vind.

Om af te sluiten waar we begonnen zijn: wat zijn de plannen voor de komende twintig jaar? Wat kunnen uw lezers nog verwachten?

Ik zei aan het begin al dat ik geen boeken schrijf, maar dat ze gebeuren. Ik ben ergens, en plots ontstaat die vonk die dan vuurwerk wordt. Wanneer ik dan gedurende een aantal weken aan dat boek schrijf, merk ik dat mijn hand de pen voert naar plaatsen waar ik zelf weinig controle over lijk te hebben. En dan blijkt het dat ik een boek schreef dat ook voor mij als een volkomen verrassing voelt, dat uit de lucht lijkt te zijn gevallen. Als je op die manier boeken schrijft, kan je moeilijk voorspellen wat er de komende jaren uit de bus zal komen. Ik kan alleen maar zeggen dat ik zestien boeken, bijna een boek per jaar aan de karige kant vind. Dus als we ervan uitgaan dat ik, ondanks alles, nog twintig jaar zal leven, zullen er nog minstens twintig boeken bijkomen.