fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Caroline Albertine Minor

“Schrijven is iets wat zich afspeelt tussen mij en de woorden op papier.” Gesprek door Robin Hagemans Foto: Lærke Posselt

Hoewel onder meer de Harry Potterreeks haar inspireerde om te gaan schrijven, doet de Deense schrijfster Caroline Albertine Minor dat het liefst zonder een plot in haar boeken aan te brengen. In Zegeningen resulteerde dat in een bundel korte verhalen met elk een eigen hoofdpersonage. De verhalen staan niet los van elkaar, maar smelten samen door gemeenschappelijke en universele thema’s als de machteloosheid van verlies en onverwachte hoop. Tijdens Crossing Border gingen we met Minor in gesprek over grenzen: tussen realiteit en fantasie, tussen haarzelf en haar personages, tussen verdriet en optimisme.

Karakters: Waarom ben je ooit begonnen met schrijven?

Caroline Albertine Minor: Ik heb altijd al veel gelezen, maar het was denk ik toen ik de Harry Potterboeken aan het lezen was dat ik me realiseerde dat boeken van iemand afkomstig zijn en dat er dus mensen zijn die voor hun werk van alles mogen fantaseren. Zo iemand wilde ik heel graag zijn. Toen we op school poëzie begonnen te lezen, ging er een wereld voor me open. Zo is het schrijven voor mij begonnen. Ik schreef pagina’s vol met zinnen en ik deed mijn best om elke zin zo mooi en precies mogelijk op te schrijven. Dat waren geen verhalen, maar losse, poëtische zinnen. Na de middelbare school ben ik samen met een vriend een jaar naar Parijs gegaan. Ik had besloten dat ik me zou toeleggen op het echte schrijven en auteur zou worden, maar natuurlijk schreef ik in dat hele jaar geen enkele zin. Ik had het te druk met opgroeien, rode wijn drinken en de Fransman waar ik verliefd op werd. Het was pas tijdens een studie Filmwetenschappen dat ik tot de realisatie kwam dat ik nog altijd graag verhalen in boekvorm wilde schrijven. Een vriend vertelde me over de Forfatterskolen, de enige schrijfacademie in Kopenhagen. Ik meldde me ervoor aan toen ik 21 jaar was. Ik prijs mezelf gelukkig dat ik toen ben aangenomen, want ik weet eigenlijk niet wat voor invloed het gehad zou hebben op mijn wil om schrijver te worden als ik niet was aangenomen.

Wat betekent schrijven voor jou?

Wat ik fijn vind aan schrijven is dat ik thuis kan werken. Thuis kan ik helemaal mezelf zijn en het gevoel dat ik de wereld toebehoor van me afschudden. Schrijven is voor mij ook een manier om mijn gedachten uit te drukken, om de dingen die ik meemaak te verwerken en om na te denken over waar ik sta. Bij ander soort werk kan dat in de weg staan, terwijl ik als schrijver mijn werk kan afstemmen op hoe ik me voel. Dat is ook niet altijd makkelijk en het resultaat is zeker niet altijd goed, maar het betekent wel dat ik mezelf kan blijven.

Je zegt dat je door te schrijven jezelf kan afsluiten van de wereld, maar uiteindelijk krijgt de wereld wel jouw boeken te lezen. Voelt dat niet tegenstrijdig?

Ik ben me daar eigenlijk niet van bewust wanneer ik schrijf. Zelfs nu ik voor Crossing Border Festival elke dag een blog moet schrijven (Caroline Albertine Minor maakte dit jaar deel uit van The Chronicles, red.), vergeet ik dat mensen dat kunnen lezen. Het voelt alsof ik het schrijf voor Michal, die mijn blogs voor het festival vertaalt. Ik stuur het naar hem en daar stopt het. Schrijven is iets wat zich afspeelt tussen mij en de woorden op papier. Het voelt nog altijd heel surreëel dat andere mensen mijn werk lezen, maar ik vind dat niet vervelend. Ik laat de lezers graag toe in mijn werk om er hun eigen gedachten over te formuleren, maar omdat ik zelf niet altijd zeker ben van wat ik denk wanneer ik schrijf, heb ik geen boodschap die ik wil overdragen aan de lezer. Van schrijvers die in tegenstelling tot mezelf met een heel gedefinieerd doel schrijven, ben ik altijd onder de indruk geweest. Die mensen willen echt iets vertellen, terwijl ik eigenlijk wacht tot iets zich aandient.

Op de eerste avond van het festival woonde ik een interview met Carmen Maria Machado en Hanna Bervoets bij. Tijdens dat gesprek vergeleken ze fictief schrijven met autobiografisch schrijven. Fictief schrijven vonden zij makkelijker omdat ze zich daar in zekere zin achter konden verschuilen. Jouw werk is fictief, maar het klinkt alsof je veel put uit je eigen ervaringen?

Ja, ik geef niks om het onderscheid tussen fictie en het echte leven. Die grens pas ik ook op andere vlakken in mijn leven niet toe. Ik ben altijd heel openhartig en daar geniet ik juist erg van, ook wanneer andere mensen dat zijn. De gebeurtenissen in mijn leven zijn als een springplank voor mijn schrijven. Mijn ervaringen transformeren zo in een fictief verhaal en daarna maakt het me niet meer uit waar het echte stopt en het fictieve begint.

‘Fictie is mijn ogen altijd autobiografisch. Hoeveel fantasie ik ook gebruik, het blijft een visie van de wereld door mijn ogen.’

Ik leen ook de verhalen van andere mensen en voeg de verhalen of karakteristieken van verschillende mensen samen. Ik inspireer mijn personages op de mensen die ik ontmoet en ook al ken ik die personages eigenschappen toe die niks met de persoon in kwestie te maken hebben, de personages blijven in de basis altijd die persoon. Fictie is mijn ogen altijd autobiografisch. Hoeveel fantasie ik ook gebruik, het blijft een visie van de wereld door mijn ogen, vanuit mijn ervaringen in de echte wereld. De manier waarop je schrijft is daarom afhankelijk van hoe goed je mensen kunt kanaliseren en hoe geoefend je bent in het uitstrekken van je eigen empathie en fantasie. Veel debuterende schrijvers, zoals ik, zijn daarom denk ik erg autobiografisch. Mijn eerste boek was voor driekwart autobiografisch, met zo goed als alles wat ik tot dan toe over het leven wist erin verwerkt. Daarmee kun je vermijden dat je een al bestaand denkbeeld kopieert en zorg je ervoor dat je dichtbij de werkelijke ervaring blijft. Een verhaal kan daardoor echt tot leven komen, maar tegelijkertijd loop je als schrijver wel het risico dat je vast komt te zitten in je eigen ervaring.

Heb je je ontwikkeld als auteur sinds je eerste boek, Pura Vida (2013, niet vertaald)?

Er is een duidelijke link tussen het eerste verhaal in Zegeningen en mijn eerste boek, maar ik ben sindsdien ook meer gaan nadenken over de verschillende perspectieven van waaruit een verhaal verteld kan worden en over de compositie van een verhaal, dus welke informatie je meteen deelt en welke later. In het laatste verhaal dat ik schreef, genaamd ‘Het warmst’, heb ik iets nieuws uitgeprobeerd. Ik vind dat tegelijkertijd het minst gelukte verhaal in het boek, maar dat vind ik niet erg. Ik heb het geïnspireerd op het verhaal Karlsson van het dak (geschreven door Astrid Lindgren, red.). Dat verhaal is gebaseerd op een bredere verhaaltraditie waarin kinderen die iemand verliezen een denkbeeldige vriend hebben. In het verhaal speelt die persoon een belangrijke rol, maar toch weet de lezer dat die vriend niet echt bestaat. Ik wilde een soortgelijk verhaal schrijven, maar dan voor volwassenen. De jongen op het dak in mijn verhaal bestaat niet echt en wanneer je zorgvuldig leest zul je zien dat hij nooit zelf aan het woord komt, maar dat zijn woorden enkel worden herverteld door het hoofdpersonage. De jongen verandert in het verhaal aan de hand van de dingen die het hoofdpersonage meemaakt. Het verhaal was voor mij een experiment om mijn fantasie meer te gebruiken. Voor een volgend boek zou ik daar vrijer in willen zijn.

De personages zijn erg belangrijk in de verhalen. Zijn ze op iemand geïnspireerd?

De hoofdpersonages in Zegeningen zijn bijna allemaal een versie van mezelf. Mijn boze zelf, mijn gekke zelf, mijn eenzame zelf. De bijpersonen zijn vaak gebaseerd op iemand die ik in het voorbijgaan zie, zelfs van veraf, of mensen die ik een beetje ken. De oude dokter in het eerste verhaal heb ik geïnspireerd op de vader van een vriendin van mij. Je hoort veel verhalen van veel verschillende mensen, maar soms is er een verhaal dat blijft hangen. Zo vond ik het idee dat je een vader hebt die al oud is wanneer je geboren wordt en de afstand die dat als vanzelf met zich meebrengt, heel boeiend. Dat heb ik versmolten met een ander verhaal dat ik letterlijk in mijn eigen verhaal heb gestopt: ik hoorde ooit de ex-vrouw van een dokter tegen hun zoon zeggen dat het krijgen van een ernstige ziekte de enige manier was om de aandacht van zijn vader te trekken.

‘Ik ben van mening dat een schrijver vanuit elk perspectief zou moeten kunnen schrijven.’

De hoofdpersonages zijn allemaal een vrouw. Is dat omdat ze een versie van jou zijn?

Ja. Maar in het verhaal waaraan ik nu werk, schrijf ik vanuit het perspectief van een jongen. Ik vind dat ontzettend moeilijk, maar ik ben van mening dat een schrijver vanuit elk perspectief zou moeten kunnen schrijven. Dat kan ethisch weleens lastig zijn, zoals bijvoorbeeld het geval is bij verhalen over migratie. Het is belangrijk de restricties van je eigen perspectief te erkennen en voorzichtig te werk te gaan. In wat ik nu schrijf ga ik niet zo ver, maar het verschil tussen een mannelijk en een vrouwelijk perspectief is veel fundamenteler dan ik vooraf dacht.

Een man staat anders in de wereld. Het jongetje in mijn nieuwe verhaal is bijvoorbeeld geïnspireerd op een vriend van mij. Hij is een vrije geest en reist in zijn eentje de hele wereld rond. Zo is hij in Amerika gaan ‘treinhoppen’. Je springt dan stiekem op een goederentrein en reist vervolgens een heel stuk met die trein mee. Er is een ondergronds netwerk van mensen dat zich hiermee bezighoudt en er is dus ook een soort geheim boek waar alle routes van alle treinen en de plaatsen waar je goed op de treinen kunt springen in staan. Hij vertelde me hierover, dat hij in de treinen of in het bos sliep en dat ik dat, als vrouw, absoluut niet zou kunnen doen in mijn eentje, omdat ik het risico zou lopen verkracht te worden, of nog erger. Hij was daarentegen niet eens bang dat hem zoiets zou kunnen overkomen. Dat geeft al aan hoe anders het perspectief van een verhaal zou zijn wanneer de hoofdpersoon een vrouw was.

Zegeningen gaat over verlies en rouwen, maar de verhalen zijn zowel verdrietig als optimistisch. Ze gaan immers over een onmacht die kan leiden tot verlies, maar die ook een zegen kan zijn wanneer je onverwachte hoop vindt. Vind je hoop belangrijk in het leven?

Hoop is het belangrijkste in het leven en je kunt het niet afdwingen. Het moet naar je toekomen. Hoop is iets heel moois en het koesteren van echte hoop voor jezelf of voor anderen is naar mijn idee iets heel zeldzaams. Hoop is ook iets heel kalms, omdat je niet kunt aanwijzen wat het is en het als het ware bij je binnenstroomt. Ik heb geleerd dat wanneer je in een crisissituatie terechtkomt en je veel pijn en verdriet hebt, dat je ook ontvankelijk maakt voor het leven. Wanneer iemand uit je leven verdwijnt, ben je je er plots van bewust dat jij er nog wel bent. Dat gaat gepaard met de verantwoordelijkheid om iets te doen met het leven dat je hebt, ook al doet het pijn. Verlies is voor mij heel dubbelzijdig. Je bent enerzijds gevoelloos, alsof je je in een wereld parallel aan de echte wereld bevindt, anderzijds word je doordrongen door de wereld. Dat is een heel ander gevoel dan wanneer je een veilig leven leeft. Dan komt de wereld niet echt op diezelfde manier binnen. Een crisis stelt je open voor onverwachte ontmoetingen. Dat is waar de verhalen over gaan. De mensen die je ontmoet wanneer je kwetsbaar bent zijn een zegen. Zij kunnen je iets bieden.

De bijpersonen in de verhalen lijken die rol op zich te nemen. Ze brengen daarmee een balans in het verhaal, juist omdat ook zij worstelen met machteloosheid in hun eigen leven.

Ja, bijpersonen die oppervlakkig blijven en daarmee onderdeel van het decor worden, storen me ontzettend. Natuurlijk kun je niet elk personage in het boek tot in detail belichten, maar ik geef elk personage in mijn boek graag een podium, al is het maar voor even. In Zegeningen ben ik daar heel bewust mee bezig geweest. Ik vind het fijn wanneer een verhaal daar ruimte voor biedt.

De protagonisten van de verhalen worstelen met het niet kunnen omvatten van en het omgaan met verlies en het niet weten wat de toekomst zal brengen. De lezer vindt daarvoor geen oplossingen in de verhalen.

Nee, ik schrijf graag zoals het leven is. Daarom ben ik denk ik ook niet goed in het vormen van een plot, want het leven voelt niet alsof er een plot is. Het leven biedt geen oplossingen. Of een oplossing kan veranderen. Een mooi einde aan een verhaal schrijven doet de moeite een realistisch verhaal te schrijven teniet. Daarom hou ik mijn einden graag open, zodat er twijfel mogelijk blijft.