fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Carmien Michels

"Ik wil steeds nieuwe vormen ontdekken. Al het voorgaande zindert daarin door." Gesprek door Leen Verheyen Foto: Saskia Vanderstichele

Carmien Michels is misschien wel een van de meest veelzijdige auteurs uit ons taalgebied. Ze debuteerde in 2013 met de roman We zijn water en twee jaar later volgde haar tweede roman, Vraag het aan de bliksem. In 2016 werd ze Nederlands en Europees kampioen Poetry Slam en haalde ze brons op het Wereldkampioenschap in Parijs. In 2017 verscheen haar poëzie ook op papier in de bundel We komen van ver. En sinds enkele maanden ligt haar verhalenbundel Vaders die rouwen in de boekhandel, een bundel die zeer enthousiast onthaald wordt in de pers en die vlak na verschijnen al een nominatie voor de J.M.A. Biesheuvelprijs en BNG Bank Literatuurprijs in de wacht sleepte. Daarnaast maakte ze ook nog muziektheater en is ze curator van het WATLAB (Writing Apart Together Laboratorium), een collectieve werkplaats voor literaire makers. En alsof dat nog niet genoeg is, was ze de afgelopen jaren ook regelmatig in het buitenland te vinden. Zo nam ze een aantal jaren geleden deel aan CELA (Connecting Emerging Literary Artists), een Europees talentontwikkelingsproject en verkende ze via schrijfresidenties al een aardig stukje van de wereld. Gelukkig vond ze tussen al die bezigheden door de tijd om Karakters even in haar schrijverskeuken te laten kijken.

Karakters: Vaders die rouwen is je eerste verhalenbundel en hoewel de verhalen onderling best divers zijn, is er toch een duidelijke rode draad. Waar is het idee voor de bundel ontstaan?

Carmien Michels: Vormelijk is de bundel ontstaan doordat ik al lang graag verhalen lees zoals die van Roald Dahl, Lydia Davis en Miranda July, of als kind de volksverhalen van bijvoorbeeld de Abenaki. Meestal groeit een project bij mij zo: de tijd is rijp voor een nieuwe vorm. Maar de verhalen die ik schreef, bleken lang niet levensvatbaar. Pas toen mijn grootvader stierf, werd het duidelijk dat ik niet kon schrijven zonder met rouw bezig te zijn, maar dan zonder mijn eigen rouw te gaan uitmelken. Terwijl ik me boog over familiesystemen merkte ik dat ik eigenlijk nooit met aandacht naar de band met mijn vader, maar ook met diens vader, die al langer dood is, gekeken had.

Al terugbladerend naar vaderfiguren uit eerdere verhalen en boeken, viel het me op dat mijn beeld van vaders amper genuanceerd was, dat ik weinig mild voor ze was. Doordat ik op een bepaalde manier vocht tegen mijn eigen rouw, op zoek naar veerkracht, of misschien wel naar controle, zit er veel agressie in mijn bundel. Het interessante is dat agressie er bij iedereen anders uitziet. In de vechtsportles kwam ik tegenover vele mannen te staan, van wie verschillende ook vaders waren, mannen die elk heel anders omgingen met agressie. Lijfelijk dan, maar die dynamieken geven ook wel het achterliggende weer en kon ik doortrekken naar mijn personages. Door overal mijn ogen de kost te geven en mijn oren te luister te leggen met focus op vaderschap, rijpten veel verhalen.

Agressie wordt dan een manier om met rouw om te gaan?

Daar kom je snel op uit als je je rouw ontkent. Je doet jezelf een vorm van agressie aan door je te forceren tot een blik op de wereld die rouw wegduwt. Wie z’n rouwproces niet toelaat, botst tegen muren. Het was voor mij een uitdaging om in mijn bundel met die frictie tussen rouw en rauw, verdriet en onmacht, aan de slag te gaan. Op zeer extravagante wijze soms.

Je gaat inderdaad soms heel ver in je verhalen. In het tweede verhaal uit de bundel wordt een man langzaamaan door zijn dochter het huis uit gewerkt en hoewel dat wegpesten steeds extremere vormen aanneemt, kan je daar als lezer wel in blijven meegaan. Hoe zorg jij ervoor dat je je lezer toch meekrijgt in zo’n groteske verhaallijn?

Al tijdens het schrijfproces was het voor mij helder dat Ludo, de vader, niet in opstand zou komen tegen zijn dochter Felicity. Sommige medelezers gingen daar meteen in mee, herkenden zijn onderdanige positie, maar van anderen, zoals van mijn redacteur, kreeg ik de vraag waarom zijn verzet uitblijft. Ze vonden het moeilijk te geloven dat iemand zich zo laat doen. Zelden zorgen zulke kritische vragen tijdens het schrijfproces ervoor dat ik niet meer in mijn verhaal geloof, het overtuigt me er juist van dan ik nog dieper moet duiken in het personage, de intrige, het groteske of juist het uiterst fragiele. Alles wat bij mijn hoofdpersonage op zelfmedelijden leek, moest geëlimineerd worden. Ludo mocht zichzelf niet beklagen, want dan ga je als lezer op de een of andere manier minder mee met zijn zelfopoffering. Essentieel was zijn blindheid voor haar verachting; steeds opnieuw hunkert hij naar de liefde en erkenning van zijn dochter.

Het eerste verhaal laat dan weer een heel andere relatie tussen vader en dochter zien, waarbij de dochter net probeert te begrijpen waarom haar vader de man is die hij is en hoe dit verbonden is met de relatie die hij had met zijn onlangs overleden vader. Hoewel je daar focust op de menselijke verhoudingen, komen er daarmee ook wat grote en actuele thema’s binnen. De vader is namelijk een metis verwekt in toen nog koloniaal Congo die zijn hele leven lang naar de liefde en erkenning van zijn vader heeft moeten hengelen. Wil je met zo’n verhaal dan ook iets vertellen over dat grotere thema of biedt het jou eerder een kader om menselijke connecties uit te diepen?

Beide. Mijn vader heeft tijdens zijn jeugd in Congo zoals ieder kind uit die tijd dingen meegemaakt, zaken die ik terloops opving uit gesprekken tussen tantes en waar ik hem lang niet naar durfde te vragen, waardoor ik er veel ging bij verzinnen. Wanneer mijn vader af en toe afweziger leek dan ik van hem gewend was, dacht ik dat het daardoor kwam, door dat grote trauma dat ik aan zijn jeugd verbond. Maar dat was allemaal mythevorming. Pas toen ik bij het uitwerken van dit verhaal met hem in gesprek ging over de context waarin hij opgroeide, kwam ik erachter dat dat trauma dat ik geschapen had ver weg lag van de ware toedracht. Die bleek eigenlijk veel minder interessant. Wel om mijn vader en zijn ervaring met de geschiedenis beter te leren kennen, maar niet om tot een verhaal te verweven. Tegelijk volgde ik al langer de ontwikkelingen over de problematiek van de ontvoerde metissenkinderen, ik ken een aantal mensen wier ouders dit meemaakten. En dat viel dan gewoon samen met mijn verhaal. Het is geen extern idee dat er bij kwam.

Ik heb ook wel het gevoel dat ik over die problematiek tegelijk wel en niet kan schrijven en heb daarom geprobeerd er zó over te schrijven dat die onmacht ook in dat verhaal zit en dat bijvoorbeeld de verhouding tussen de twee zussen daar juist over gaat. Over die spanning van wegkijken of juist dieper graven in een gedeeld verleden. Maar net doordat er veel gesuggereerd wordt en impliciet blijft, merk ik dat lezers het op heel verschillende manieren lezen. Dat mag, maar vaak hangt het ook samen met welke blik op de wereld je dat verhaal begint te lezen. Ik hoop dat mijn verhaal die blik bevraagt. In ieder geval vond ik het interessanter om te vertrekken vanuit menselijke verhoudingen dan nog maar eens een mening in een debat gooien waarin niet eerst naar de pijn wordt gekeken die werd berokkend.

Wat ook opvalt, is hoe vlot je zinnen uit je pen lijken te vloeien en hoe sterk het ritme is dat in je teksten zit. Denk je dat dat voortkomt uit je ervaringen met op het podium staan en in het bijzonder met slam poetry?

De laatste tijd ben ik veel gevoeliger dan vroeger voor stilistiek. Ook als ik non-fictie lees, moet het goed geschreven zijn. Door een boek als Het verborgen leven van bomen van Peter Wohlleben bijvoorbeeld moet ik me ondanks de thematiek echt heen worstelen, omwille van de stijl. Misschien heeft het wel te maken met deze tijd, waarin het nieuws ons zo onmachtig doet voelen, waarin rauwheid, angst en agressie de wereld waarin ik graag geloof onttoveren. Dat ik zoek naar esthetiek en vindingrijkheid in wat ik lees. Ik leg nu veel vaker iets weg als de zinnen niet muzikaal zijn. Voor mijn eigen boeken ben ik dan ook eens zo streng. Om de rauwheid waarover ik zelf schrijf te kunnen verdragen, hebben mijn verhalen die muzikaliteit en humor nodig. Ik heb altijd een voorliefde voor lyriek gehad, die is toegenomen door het ambacht van slam poetry, op het podium staan met krachtige, ritmische, gebalde poëzie. Onder meer door de lockdowns is mijn focus verlegd naar het schrijven en treed ik in het algemeen minder op, maar het is niet dat ik me van slam poetry wegkeer. Ik wil gewoon steeds nieuwe vormen ontdekken. Het voorgaande zindert daarin door.

Er zijn ook al enkele van je teksten vertaald naar andere talen. Hoe voelt dat voor iemand die zo taalgevoelig is en waarvoor zowel ritme als kleine betekenisnuances zo belangrijk zijn?

Als er een tekst van mij vertaald wordt, probeer ik altijd iets van de taal op te pikken. Aan de universiteit van Napels is er nu een professor met zijn masterstudenten bezig met het vertalen van deze bundel, ik ben er in mei te gast om in te gaan op hun vertaalvragen. Eerder heeft de professor-vertaler voor een festival in Genua vorig jaar, in het kader van Versopolis, een reeks van mijn gedichten vertaald. Toen hij daarvan de proefversie stuurde, probeerde ik met mijn achtergrondkennis van het Italiaans en Latijns en via vertaalmachines te begrijpen hoe hij de zeer veelzijdig interpreteerbare verzen had vertaald. Dat levert boeiende gesprekken op. Mijn verhalen en gedichten bevatten nu eenmaal impliciete elementen, die niet altijd te vangen zijn in een andere taal. In overleg met de vertalers die daarvoor openstaan wil ik me mee buigen over bepaalde taalproblemen. Zo leer ik zelf bij over zowel de bron- als doeltaal en over mijn eigen signatuur. Wanneer vertalers me vragen sturen, vind ik het zeer zinvol om te duiden waarom ik voor een bepaalde kleur of een bepaald werkwoord kies in plaats van voor een ander. Zodat mijn werk ook in de andere taal de juiste lading meekrijgt.

Ik ben al benieuwd hoe vertalers verhalen als ‘Hannibal’ en ‘Paarden eten mijn dromen op’ zullen aanpakken, waarin de verteltoon niet alleen vervlochten is met de cultuur waarin ik ben opgegroeid en de karakters van de personages, maar ook wel, in het geval van dat laatste verhaal, met het non-conformisme of de waanzin die de vorm dicteert. Hoe vertaal je de toenemende spraakverwarring van meneer Huh, het hoofdpersonage? Ik kijk er al naar uit vanaf de zijlijn dat vertaalproces mee te volgen.

Meer weten en lezen over Carmien Michels?

Vaders die rouwen is de eerste verhalenbundel van de hand van Carmien Michels. Benieuwd geworden naar het boek? Het is te bestellen via onze onafhankelijke boekhandel Buchbar. Het boek kent met Peter Verhelst in ieder geval al een superfan: ‘Er zijn boeken waarin de psychologie van de personages haarfijn uitgewerkt wordt. Zoals er boeken zijn die de psychologie van de lezer listig manipuleren. Beide stellingen gaan op voor Vaders die rouwen. De lezer is verslagen.’

Alle eerdere werken van Carmien Michels, zoals de romans We zijn water en Vraag het aan de bliksem evenals haar dichtbundel We komen van ver zijn alleen nog maar tweedehands te verkrijgen.

Carmien Michels heeft al op heel wat podia gestaan in binnen- en buitenland. Zo was Michels te gast op de Nacht van de Poëzie in 2017 waarvan je hier een opname kan bekijken. Ook was ze te gast in Winteruur van Wim Helsen.