Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Astrid Panis

"Schrijven over dieren laat me toe iets te suggereren over de verborgen levens van mensen." Gesprek door Woutje Vlaeminck

In de roman Slapende tijgers gaat Astrid Panis op zoek naar de verdwenen Gentse ‘Jardin Zoologique’, die – in navolging van de Antwerpse dierentuin – in 1851 haar deuren opende om de gegoede burgerij naar de Arteveldestad te lokken. ‘Sinds mijn kindertijd was ik geïntrigeerd door de verdwenen dierentuin.’

Na de eeuwwisseling verloor het publiek haar belangstelling voor de dierentuin en de bezoekersaantallen daalden drastisch, waarna de dieren openbaar verkocht werden en de Gentsche Diergaerde voorgoed verdween. Tegenwoordig herinneren enkel nog de namen van enkele omliggende straten aan het ooit zo prestigieuze paradijs. Zo sieren onder meer de Alpacastraat, de Buffelstraat, de Hertstraat, de Leeuwstraat, de Olifantstraat en de Tijgerstraat het Gentse stadsplan.

Maar niet enkel herinneringen aan de verdwenen zoo staan centraal in het boek. Er is ook nog Hendrik, de zoon van de buren, die om het leven kwam na een ongeluk met zijn Yamaha. Hij werd gevonden in een haarspeldbocht in de bergen, ingeklemd tussen het schroot van zijn motor en een vrachtwagencontainer. ‘Nu is Hendrik ook een hert’, zegt Ben, het vriendje van het zesjarige, naamloze hoofdpersonage. ‘En herten zijn er altijd al geweest. Herten zijn eeuwig.’

Astrid Panis (Gent, 1971) studeerde Romaanse filologie aan de universiteit van Gent. Eerder publiceerde ze twee prentenboeken. Slapende tijgers is haar romandebuut voor volwassenen.

Karakters: Waarom bent u zich in de geschiedenis van de Gentse dierentuin gaan verdiepen? Bent u in archieven gaan graven omdat u plannen had een boek te gaan schrijven? Of is dat idee pas later ontstaan ?

Astrid Panis: Ik wist veel over de geschiedenis omdat ik in die buurt geboren ben en sinds mijn kindertijd geïntrigeerd was door de verdwenen dierentuin. Als ik een boek zou gaan schrijven, zou die dierentuin het decor worden. Dat wist ik al lang. Eigenlijk altijd al.

Ook in uw beide jeugdboeken staat de relatie van de mens tot de dieren centraal.

Schrijven over dieren laat me toe iets te suggereren over de verborgen levens van mensen, over hun innerlijke wereld die veel rijker en interessanter is dan wat de buitenkant doet vermoeden. Ze hoeven zich niet aan voorschriften te houden, moeten aan geen enkele verwachting voldoen. De verscheidenheid van het dierenrijk geeft je bovendien een idee van de mogelijkheden. Neem toch gewoon de vrijheid te zijn wie je bent. Verscheidenheid is een rijkdom.

Voor de grootvader in uw boek liet u zich inspireren door uw eigen grootvader, maar hoeveel Astrid Panis is in het hoofdpersonage terug te vinden?

Vrij veel. Mensen herkennen me erin. Maar evengoed zijn er die zeggen: dat ben jij niet. Dat vind ik grappig omdat het natuurlijk allebei klopt. ‘Madame Bovary, c’est moi’, maar ook: ‘Je est un autre.’ Slapende tijgers zit vol herinneringen aan mijn eigen kindertijd, maar elk personage is een maaksel. Dat heeft te maken met een soort schroom. Ik schreef ‘ik’, en tegelijk kreeg ik zin om me te verstoppen.

In Slapende tijgers worden Gentse straatnamen voortdurend verbasterd: zo wordt de Vlaanderenstraat omgevormd tot de Fladderstraat en wordt de Kantienberg omgevormd tot de Katrienberg.

Als kind hield ik er niet van wanneer een naam geen betekenis leek te hebben. Ik kon mij daar helemaal niets bij voorstellen en zocht naar een gelijkaardig woord dat ik wél begreep. De echte straatnamen in de oude dierentuinbuurt zijn natuurlijk van groot belang voor het verhaal, maar door in het boek sommige namen te verbasteren, wou ik – uit respect voor enkele mensen die zichzelf in het verhaal kunnen herkennen – het decor fictionaliseren.

‘Een mens wordt het verhaal dat hij over zichzelf vertelt.’

Enerzijds verhaspelen de kinderen straat- en familienamen (zo wordt mevrouw Snoeck door de kinderen mevrouw Snoep genoemd), anderzijds slaan ze een erg volwassen toon aan en luisteren ze geboeid naar geschiedkundige lessen over de totstandkoming van de zoo. Enkele critici vinden dit ongeloofwaardig.

Toch zijn alle dialogen in het boek een neerslag van wat ik in het echte leven in de loop der jaren door echte, en vaak nog heel jonge kinderen heb horen zeggen. Het regent poëzie als je naar kinderen luistert. Bovendien is de ik-persoon volwassen op het moment dat zij haar verhaal doet. Het is een terugblik. De bedenkingen bij de gebeurtenissen, zijn die van een volwassene die over haar kindertijd vertelt. Wanneer in een boek postfactum de gedachtewereld van kinderen wordt beschreven, mag dat volgens mij gebeuren op een volwassen manier.

Een kind beseft de volle draagwijdte en de symboliek van zijn uitspraken niet. Wij interpreteren. Wij zijn het die aan de woorden van dat kind het gewicht geven van al onze poëtische en filosofische bagage. Om ze dan achteraf te bestempelen als ‘te volwassen’.

Ik ben van mening dat kinderen mateloos onderschat worden. Natuurlijk luisteren kinderen niet naar een gedetailleerd historisch verslag over de stichting van de zoo. Op het moment dat de vader dat boekje uit zijn schooltas haalt, grijpt de ik-verteller de kans om de realiteit naar haar hand te zetten. Misschien heeft de vader het verhaal ooit in stukjes en brokjes verteld. Of verzint de verteller maar wat, omdat ze postfactum de tragisch absurde realiteit wil bestrijden met een samenhangend verhaal dat zekerheid biedt en bescherming. We moeten opletten welke verhalen en welke commentaarstem we aan de film van iemands leven toevoegen.

Kinderen zijn sponzen. Woorden blijven in hun hoofdjes hangen en kleuren hun wereldbeeld. En het beeld dat ze van zichzelf hebben. Een mens wordt het verhaal dat hij over zichzelf vertelt. En omdat wij ook deels het verhaal riskeren te worden dat anderen over ons vertellen, dragen wij hierin allen een verantwoordelijkheid tegenover elkaar.

Uw romandebuut doet soms denken aan het magisch-realistisch proza van die andere Gentse auteur, Johan Daisne. En aan het debuut van Vincent Van Meenen, Licht en geluid, waarin de auteur de grens tussen droom en werkelijkheid bewust erg vaag houdt. Plaatst u uw roman binnen het magisch-realisme, of schrijft u wars van literaire stromingen en tendensen?

Ik denk niet na over trends en literaire stromingen wanneer ik aan het schrijven ben. Ik kan alleen maar schrijven vanuit mijn eigen ervaringen, met mijn eigen stem. Ik raak vaak ontroerd door kleine, alledaagse dingen waarin ik plots schoonheid zie. En daar wil ik dan wat over vertellen. Dat is het grote voordeel van een debuut: je maakt gewoon je eigen ding. Je hoeft met niemand rekening te houden. Ik merk dat ik die onbevangenheid momenteel een beetje kwijt ben. Ik moet alle kritieken, zowel de positieve als negatieve, over mijn debuut even laten bezinken om daarna in alle vrijheid aan iets nieuws te kunnen beginnen.

In de roman wordt de nadruk op het belang van literatuur, van spelen met fictie en werkelijkheid, gelegd. In de fantasie van het hoofdpersonage voedt de grootvader de slapende tijger met sprookjes, mythen en klassieken uit de wereldliteratuur. Wie zijn úw favoriete schrijvers, met welke boeken paait u uw persoonlijke tijger?

Ik hou erg van het werk van Emily Dicksinson, en dan vooral van haar brieven. En van Virginia Woolf en Roald Dahl. Van Paul Valéry, Marguerite Duras en Les liaisons dangereuses. Het mooiste wat ik vorig jaar las, was Lincoln in de Bardo van George Saunders. Dat boek staat overeind als een kathedraal en is tot in de fijnste details afgewerkt. Ik ben een impressionistische lezer: ik geniet meer van vorm en verbeelding dan van plot. Misschien is dat de constante in mijn lectuur.

‘Ik kan het schrijven niet missen, maar ik wil er mijn leven niet voor vergooien. Dat is het bij God niet waard.’

Anderzijds laat u zich niet door de literatuur ringeloren. U publiceerde eerder twee jeugdboeken, Slapende tijgers is uw romandebuut voor volwassenen. Bent u een ‘stille schrijfster’, die haar tijger er soms tussenuit laat sluipen?

Ik kan het schrijven niet missen, maar ik wil er mijn leven niet voor vergooien. Dat is het bij God niet waard. Tijd doorbrengen met mensen die je lief zijn en voldoende brood op de plank zijn veel belangrijker dan het lezen of schrijven van boeken. Ik ben ooit een dagboek begonnen en na een week gestopt omdat ik niets anders meer deed dan schrijven. Er bleef van de dag niets meer over. Alsof het leven niet gewoon geleefd mag worden. De drang om te schrijven ontstaat volgens mij uit een diepe nood aan communicatie. Liefhebben. Praten. Dàt is het waardevolst.

Aan een volgend boek ben ik nog niet toe. De drang om iets te maken is er wel, maar het ontbreekt me aan de nodige focus. Schrijven is geen hobby, het is heerlijk maar hard werk. Je moet er uren, dagen en maanden voor achter je schrijftafel gaan zitten. Jezelf overtuigen dat het de moeite waard is, is het halve werk.