fbpx
Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Asha Karami

"Ik heb met Godface echt mijn eigen vrijheid gevierd. Ik hoop dat dat afgeeft op de lezer." Gesprek door Floortje Grooten Foto: Hellen van Meene

Rondom de debutante Asha Karami hangt een mysterieuze vibe: de auteursfoto in haar debuutbundel Godface (zie foto boven, red.) lijkt wel uit begin twintigste eeuw te stammen en haar biografietje in de goudkleurige dichtbundel is cryptisch: ‘Ze veranderde reeds drie keer van naam en ook haar geboortedatum is een complex verhaal.’ Intussen duiken haar verzen op in de recensies en instagramposts van bekende Nederlandse poëzieliefhebbers. Tijd dus voor een interview.

Karakters: Mogen we iets meer van je weten of moeten we dat zelf ontdekken in je debuut?

Asha Karami: Van mij hoeft er helemaal geen biografietje in te staan. Niet dat ik mysterieus wil doen, maar ik merk dat je blik als lezer vaak een beetje troebel wordt als je te veel informatie krijgt. Vooral omdat je maar een paar regels krijgt. Die worden dan zo belangrijk en sprekend, al je associaties daarbij zorgen ervoor dat je al denkt een beeld te hebben van de auteur en de bundel.

Wil je liever dat de lezers blanco je bundel openen?

Ik geloof niet dat je er ooit blanco in gaat, omdat je ook je eigen bagage hebt. En alleen al de bundelvormgeving, de namen die erop staan, de titel die niet Nederlands is, kunnen allerlei gevoelens en gedachten oproepen bij de lezer. Je kunt dan al aversie hebben, of juist denken ‘o, wat leuk, een nieuw boek’, of ‘wat is dit?’. Dus als je specifieke vragen hebt over wie ik ben, dan wil ik die best beantwoorden.

Er staat onder andere dat je in je eerste zeven levensjaren al vier talen leerde. Welke waren dat?

Ik ben in India geboren en daar is de eerste taal eigenlijk Engels, want er zijn verschillende talen in verschillende districten. Hindi is wel een soort hoofdtaal, ook voor mij omdat ik in een bepaald district woonde, maar Engels verbindt al de regio’s veel meer. De meeste scholen hebben Engels ook als voertaal. Later trouwde mijn moeder met een Iraanse man, dus Iraans, en toen kwam ik naar Nederland, dus Nederlands.

Is de titel van je debuut – Godface – dan een verwijzing naar het Engelse deel van je geschiedenis?

Nee, ik heb die gekozen omdat ik het voor mijn gevoel niet zelf heb bedacht. In het gedicht ‘Godface’ staat een regel die ik droomde: ‘godface’ riep ik ‘a god that kills you’ – in hoeverre bedenk je je dromen? –, dus daar heb ik een gedicht omheen geschreven. En de titel paste bij de hele bundel. Ik moet zeggen dat ik er niet veel emotie bij had, het was vooral mysterieus. ‘That kills you’ vond ik bijvoorbeeld ook niet negatief.

Sommige gedichten lijken samen te hangen, zoals ‘vogelverschrikker’ [een slechtbetaalde baan maar ik was blij / dat ik in de natuur stond] en ‘zusje’ [ik laat haar een gedicht lezen / ‘was papa echt een vogelverschrikker?’ ik knik]. Heb je bewust met die samenhang gespeeld?

Gedeeltelijk, ja. Deze gedichten zijn een beetje op de realiteit gebaseerd, want het gedicht ‘zusje’ is ontstaan toen ik een ander gedicht aan haar voorlas. Het is vooral iets wat me opvalt in het leven, die verbinding met het werk dat ik daarvoor heb gemaakt. Daardoor komt het ook in mijn poëzie terug.

‘Ik denk dat ik de neiging heb om dingen te willen laten zoals ze zijn. Meestal is dat al interessant, kleurrijk en levendig genoeg.’

In sommige bundels heb je die samenhang nog meer, en dat vind ik altijd wel heel leuk. Maar ik vind het moeilijk om de samenhang te forceren. Ik heb tijdens het redigeren wel gedacht: Moet ik er nog wat dingen in stoppen om het tot een geheel te maken? Maar dat vond ik toch niet fijn. Het voelde een beetje frauduleus. Ik denk dat ik de neiging heb om dingen te willen laten zoals ze zijn. Meestal is dat al interessant, kleurrijk en levendig genoeg.

Zijn er andere kunstvormen die jou inspireren bij het schrijven?

Ja, films zoals I-Be Area, een heel experimentele, vage, rommelige film met een soort futuristische verhaallijn. Bij zo’n film komen er allerlei associaties in me op, waarvan ik aantekeningen maak. Die werk ik soms uit tot gedichten. Ook de films van Harmony Korine vind ik heel gaaf. De mensen waar hij films over maakte, zeker in zijn eerdere werk, hebben die zelfkant-van-de-maatschappij-sfeer, zonder dat er een oordeel over wordt geveld. Ik schrijf op dezelfde manier over allerlei verschillende mensen als hij films over die mensen maakte; alsof je een van hen bent.

Verder probeer ik wel eens de sfeer van muziek te vangen in gedichten. Als ik luister naar een bandje met poëtische teksten, muziek met een bepaalde energie, vraag ik me soms af: zou ik zo’n gedicht kunnen schrijven? Hoe kan ik zo’n sfeer in dichtvorm vertalen? En dan schrijf ik er een paar – waarvan er één overgebleven is voor de bundel.

Wat hoop je dat een onbekende lezer meekrijgt van deze bundel? Of wat verwacht je dat iemand meekrijgt?

Ik heb met Godface echt mijn eigen vrijheid gevierd. Door te doen wat ik wilde en wat ik interessant vond, en door in mijn onderbewuste te duiken en met dromen bezig te zijn. Ik hoop dat dat afgeeft op de lezer. Dat iemand anders ook zin krijgt om van zijn of haar vrijheid te genieten, te doen wat ze willen. Ik moet wel zeggen: als ik een boek lees kan het me niet zo veel schelen wat de schrijver bedoelde. Het werkt of het werkt niet voor je, je wilt als lezer ook niet iets opgelegd krijgen.

Het gedeelte van de bundel over dromen bespreekt iets wat erg op de achtergrond is in onze levens, misschien zelfs onzichtbaar is. Ik zou willen dat daar wat meer aandacht voor komt. Ik zou de dromen van anderen ook wel willen weten. Ik denk dat daar nog veel uit te halen valt, dus dat zou ik meer willen onderzoeken.

Er staat ook op de flap dat je gedichten ‘zoekend’ zijn. Waar ben je naar op zoek? En misschien belangrijker: heb je het gevonden?

Hmm, ik denk dat het iets existentieels is, en misschien ook met liefde te maken heeft. Ik weet ook niet of mijn zoektocht wel helemaal zuiver is, en misschien is niet-zoeken wel het hoogst haalbare. Als ik er nu met jou over praat, denk ik: is dat wel iets wat je de hele tijd moet willen blijven doen? Dat voelt zo onrustig en ongebalanceerd.

‘Als je kijkt naar hoe mensen leven, zie je dat veel mensen bezig zijn met een zoektocht.’

Ik denk dat veel karakters in mijn gedichten ook ergens naar op zoek zijn. Er zit onrust in de gedichten. Als je kijkt naar hoe het leven ingericht is, hoe mensen leven, zie je dat veel mensen bezig zijn met een zoektocht. Bijvoorbeeld naar hun identiteit, naar wie ze zijn, wat hen gelukkig maakt. Daarnaast heb je nog de zoektocht van je ouders en die van de mensen om je heen. Ik denk dat je dat overneemt zonder dat het van jou is. Zo word je een zoekend wezen dat, omdat er zo veel verschillende zoektochten in je zitten, niet meer weet waar het naar op zoek is.

Zit een deel van (de zoektocht van) jouw ouders in de bundel?

Waarschijnlijk wel. Ik heb de zoektocht van verschillende mensen verwerkt; van mensen om me heen, die ik ken, uit zo’n film of documentaire, zeker ook wel van mijn ouders. Maar niet op een heel bewuste manier. Nu ik over een paar van de gedichten nadenk, zie ik dat daar inderdaad het verlangen van iemand anders inzit dan van mij.

Er staat ook in je biografie dat je jeugdarts bent, yogadocent én ringarts bij kickboksgala’s. Haal je inspiratie uit die andere beroepen voor je poëzie?

Niet op een directe manier, maar wel indirect: als jeugdarts werk ik binnen de sociale geneeskunde en leer ik veel over het leven van andere mensen. Ik ben veel in gesprek en lees heel wat dossiers van verschillende mensen. Ik ben de hele tijd bezig met de sociale aspecten van hun levens. Als ringarts bij zo’n kickboksgala zit ik juist weer in een hele andere wereld, waarvan je normaal nooit iets meekrijgt. Het taalgebruik, hoe ze omgaan met pijngrenzen, met het menselijk lichaam. Jonge mensen die per se willen doorvechten, ook al hebben ze een grote scheur in hun wenkbrauw, de reactie van de coaches, ouders van jonge kinderen zeggen: ‘Sla het licht uit zijn ogen’. Ik vind het interessant om daar dichtbij te staan. En bij yoga ga je weer heel anders om met het lichaam. Alleen al de toon van hoe je lesgeeft is heel anders dan in zo’n ring. En die wereld is dan ook weer heel anders dan de medische wereld.

Gister zei een schrijver tijdens een interview hier op Crossing Border: ‘Van elk personage ben ik 85% zelf.’ En misschien is het voor iedere schrijver zo dat het grootste gedeelte van de personages is gebaseerd op je eigen persoon. De karakters in Godface zijn vaak gebaseerd op de mensen rondom mij, maar waarschijnlijk ook op mezelf.