Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Abdelkader Benali

'We spreken over gister en vandaag, maar we laten de droom vaak buiten beschouwing, alsof die er niet toe doet.' Gesprek door Floortje Grooten Foto: Barbara Kerkhof / Illustratie: Veerle van Herk

Abdelkader Benali zit vol energie. Dat is te merken aan zijn veelvuldig bekroonde boeken waarin de zinnen vol associaties vlot over de pagina’s stromen, zijn voorliefde voor hardlopen en zijn bedreven manier van spreken. Op Crossing Border trekt hij dan ook niet voor niets een volle zaal, samen met José Eduardo Agualusa. Karakters mocht hem tussen de bedrijven door bevragen over literaire dromen en zijn aanstaande roman.

Karakters: Je wordt straks samen met José Eduardo Agualusa geïnterviewd.

Abdelkader Benali: Zeker, het is een oude vriend van me. We komen elkaar vaker tegen en ik volg hem op Instagram. Hij is zo’n interessante auteur omdat hij bij de ‘nieuwe Afrikaanse letteren’ hoort. Vroeger werd de Afrikaanse roman geschreven in de Europese en Amerikaanse hoofdsteden. Ze gingen over Afrika maar werden daar niet geschreven, laat staan gelezen. Agualusa woont en werkt in Afrika, wordt er uitgegeven en gelezen. Ook uniek is dat veel van zijn verhalen plaatsvinden in verschillende Afrikaanse landen. Meestal is het een Afrikaans verhaal beperkt tot het nationale narratief over de kolonie, de onafhankelijkheidsstrijd, de verwerking na de onafhankelijkheid. Agualusa zit de ene keer in Mozambique, dan weer in Brazilië of Angola. Zijn boeken overschrijden de landsgrenzen. Zoals zijn laatste, Het genootschap van onvrijwillige dromers.

Daarin spelen dromen een grote rol. Wat is zo aantrekkelijk aan dromen in literatuur?

Dromen zijn in literatuur natuurlijk onschuldig, en binnen de context van Agualusa’s en mijn eigen boeken komen dromen vooral voor in de sterke symbolische functie: metaforen voor een werkelijkheid die niet gebonden zijn aan tijd en ruimte. In een migratieroman bijvoorbeeld kan een droom een belangrijke rol spelen, door te communiceren tussen de plek die iemand verlaten heeft en de plek waar men wil wortelschieten.

‘De Afrikaanse lezers – waartoe ik mezelf ook reken – zien in die droom heel veel werkelijkheid.’

Bij Agualusa hebben dromen de functie dat ze mensen samenbrengen. In Angola en eigenlijk in alle landen die een brute onafhankelijkheidstrijd hebben meegemaakt, is het eerste wat gebeurde dat de oude realiteiten uit elkaar werden getrokken. Broers vechten tegen broers, families tegen families. En de droom wordt dan eigenlijk het verbindende element.

In het Westen heeft de droom een heel andere betekenis; niemand roept nog ‘I have a dream’. Men is hier cynisch geworden, wil van de droom af, want dromen brengen alleen maar ellende. De Arabische lente is totaal ontaard in een nachtmerrie.

De Afrikaanse realiteit is er nu een van crisis – vluchtelingencrisis, corrupte regeringen, het draait om de grondstoffen, om China, het Westen dat zich terugtrekt. Omdat Agualusa daar is en ziet wat er misgaat, voelt hij veel sterker de behoefte aan de droom dan wij. Hij ziet dat alleen een droom deze mensen verder kan helpen. De realiteit zelf is zo ziek dat het daar minder naïef is om te dromen dan wij misschien denken. De Afrikaanse lezers – waartoe ik mezelf ook reken – zien in die droom heel veel werkelijkheid.

En in jouw boeken?

Ik ben nu met een nieuwe roman bezig en daarin is die droom de transit, de overgang tussen gisteren en vandaag. We spreken over gister en vandaag, maar we laten de droom vaak buiten beschouwing, alsof die er niet toe doet. Maar hij is er, en ik wil hem daarom plek geven in de roman. Als een tussenpersoon tussen wat we achterlaten en wat voor ons ligt. En daarnaast is het een fantastisch storytelling device: niet lineair, maar gewoon bám het karakter extra diepte geven, onderbewustzijn geven. Dat is lekker schrijven.

Kan je wat meer loslaten over de nieuwe roman?

Het gaat over een man die heel ziek is; hij bezwijkt eigenlijk onder zijn ziekte en heeft een behandeling nodig. Zijn vader brengt hem naar het ziekenhuis en in die autorit begint de man te dromen. Hij heeft allerlei dromen waarin hij vrede sluit met zijn vader, met zijn moeder, met de hulpverlener, allerlei sleutelfiguren uit de roman. Maar dat doet hij in zijn droom, niet in het echt. Het boek eindigt daar. Ergens is het ook een hoopvol einde.

Komen dromen terug in je aanstaande theatershow ‘Kalief van Nederland’?

Het gaat over de grootste droom van allemaal: duizend-en-één-nacht. Op het moment dat Sherazade zegt: ‘Er was eens en er was eens niet,’ begint die droom. En op het moment dat ik dat tegen jou zeg, word jij een kind van acht. Iedereen wordt een kind van acht. Ook deze storytelling device, een sprookje, is waanzinnig. In de voorstelling zitten veel elementen uit duizend-en-één-nacht – het is een verhaal in een verhaal in een verhaal – maar het is ook een raamvertelling. Ik vertel eigenlijk mijn eigen verhaal aan de hand van die typische structuur.

De laatste droom uit Agualusa’s roman is uitgekomen: de dictator van Angola is afgetreden. Is er iets in jouw boeken waarvan je denkt: het zou mooi zijn als dat zou uitkomen?

Alles wat je meegeeft aan je karakters, menselijke emoties die iets overwinnen… Als auteur wil je dat de lezer die energie met zich meedraagt. Ik geloof dat de reden waarom we lezen die behoefte aan menselijkheid is.

‘Mensen veranderen pas als het water tot de lippen komt.’In principe is elk boek dat ik maak wel een manier om tot verandering te komen. Maar ik heb bij Brief aan mijn dochter, mijn essay over ouderschap, wel heel sterk de behoefte gevoeld om door de lens van mijn dochter een verhaal te vertellen over de vrouwen die voor haar in mijn leven kwamen, wat voor indruk zij op mij maakten. Ik hoopte dat een lezer met mijn achtergrond, met een soortgelijk verhaal, ook op die manier zijn eigen biografie en voorouderverhaal zou confronteren. Het boek is een uitnodiging om ook de rijkdom in jezelf te ontdekken.

Er kwamen veel kinderen, kleinkinderen, ouders en grootouders naar de voorstelling Brief aan mijn dochter, die ik samen met Lavinia Meijer heb gedaan. De reacties waren heel emotioneel. Een keer kwamen een moeder en dochter uit Suriname na de voorstelling naar me toe: ‘O, o, o, jongen, wat heb je ons aangedaan’. Beiden barstten in tranen uit. De dochter begon de moeder te troosten. Ouderschap is iets universeels, door je daarover open te stellen, kan je mensen meteen in je hart sluiten.

Je schrijft over migranten, vluchtelingen, hoe we daarmee om kunnen gaan. Zou literatuur daarbij een rol kunnen spelen?

Misschien kan literatuur wel laten zien dat achter de migrant een man of een vrouw zit met een verleden, een biografie die als twee druppels water op onze biografie lijkt. Alleen heeft die ander de pech dat op zijn huis wel een bom viel. Tot het moment dat die bom valt, tot er een aardbeving is, tot je moet vluchten, is je leven eigenlijk precies hetzelfde. Er zijn zoveel Syriërs die zeggen: ‘Ja, die oorlog kwam. Maar mijn leven was perfect. Ik hoefde niet weg, ik had een winkel, grond, een huis. Dat is allemaal ingenomen door rebellen die zichzelf vrijheidsstrijders noemden.’

Dat is de gruwelijke waarheid, net als dat wij in het Westen daar gedeeltelijk verantwoordelijk voor zijn. Gelukkig weet iedereen dat ook wel – de reden waarom we in Europa geen absolute vluchtelingenstop hebben, heeft te maken met dat we niet zo harteloos kunnen zijn. Ons geweten knaagt, we zijn rot. We hebben zelf die oorlog gewild, weggekeken, partijen gesteund, onze handen vuil gemaakt. Ik denk dat veel politiek leiders zelfs denken: ‘Hé, ze komen nu pas.’ Ze hadden tien jaar geleden eigenlijk al moeten komen.

Dus ik draai het om: het is erg, maar nee, het is nog niet erg genoeg. Mensen veranderen pas als het water tot de lippen komt. Tot dat moment verkeer je toch in de goddelijke illusie dat het allemaal wel goed komt. Literatuur kan je een idee geven van hoe urgent de situatie is.

Wat is jouw droom hierover?

Mijn droom komt nu eigenlijk al gedeeltelijk uit, want ik zie steeds meer mensen die er goed mee omgaan. In de politiek is er onwil, maar de gewone mensen, mensen die met vluchtelingen te maken hebben, zijn heel vaardig. Natuurlijk zijn er mensen die het niks vinden, maar dat is de minderheid. Mijn droom is dat politici ook de goede kant van het verhaal vertellen. We lopen achter Wilders en Rutte aan, maar zij doen het Nederlandse volk tekort. Niet iedereen is zo cynisch en anti-migranten als zij ons willen doen geloven. Ik geef vaak lezingen en kom dan mensen tegen die bijvoorbeeld hun Syrische buurman helpen. Iedereen zet zich in voor die mensen – soms ook met een beetje chagrijn, maar dat is normaal: soms zou ik mijn dochter van drie ook wel het land uit willen zetten [lacht].