Zoeken
Bekijk alle artikelen van

Fictie voorbij: 'De wachter' van Douwe Brouwer, gebaseerd op Joost van den Vondel

In de rubriek Podium verschijnt eens in de maand een stuk gloednieuwe fictie dat geïnspireerd is op reeds bestaande fictie. De auteur heeft zich laten leiden door een schrijver, verhaal of personage uit de wereldliteratuur, maar schrijft een eigen verhaal.
Zo werd Douwe Brouwer geïnspireerd door Joost van den Vondels Gysbreght van Aemstel (1637). Het toneelspel behandelt een Middeleeuwse belegering van Amsterdam, die de strijdlustige stadsheer Gijsbrecht probeert te bevechten. Als de stad in brand staat, raadt engel Rafaël hem echter aan om te vluchten met zijn gezin: ‘Zijn wil is, dat ghy streckt na’et vette land van Pruissen / Daer uit het Poolsch geberght de Wijsselstroom koomt ruisschen.’



De wachter

De varende karavaan had slechts één doel: weg van hier, weg van het Pruisische landschap, weg van hen die zouden komen. De mensen aan de oever zwaaiden, smeekten om aan boord te mogen. Vooraan liep een jongeman ongeduldig heen en weer. Zijn geschreeuw overstemde die van alle anderen. Na meerdere uithalen bleef hij staan en liep hij terug naar een oudere vrouw. Zij overlegden. Hun gebaren werden wilder, verrieden affectie. Opeens hield de vrouw hem uit al haar macht vast. Hij rukte zich los, sprong het ijskoude water in en zwom zo hard hij kon. Er klonken schoten, geschreeuw, gehuil. De stroming dreef hem met de schepen weg, terwijl de vrouw anderen probeerde te overtuigen hem uit het water te halen. Nogmaals schoten vanaf de schepen. De ineenzakkende vrouw werd onmiddellijk achtergelaten door de groep die zijn toevlucht zocht in het bos.
De verbannen wachter liet zijn verrekijker zakken en plaatste hem tussen de andere oorlogsattributen die hij in de loop der jaren had verzameld, achtergelaten door de Pruisen, Hollanders en Zweden. Zijn pronkstuk schitterde in afwezigheid. Hij hoorde hoe zijn vrouw hun dochter kalmeerde en de vraag wanneer Veenerick terug zou komen ontweek. Minuten verstreken. Een deur ging open. Er klonk geprevel vanuit de andere kamer. Hij voelde een hand op zijn schouder.
‘Gijsbrecht, wanneer grijp je in?’
Hij aanschouwde het tafereel, zij haar man. Een reactie bleef uit.
Zij vervolgde: ‘Je kunt hier niet voor eeuwig blijven zitten.’
Hij wachtte tot de schuldige op het toneel zou verschijnen.‘Een onbekende mars weergalmde door de straten, een nieuwe geschiedenis diende zich aan, een geschiedenis die zijn zoon had overwonnen.’
Enkele vrachtwagens blokkeerden het stadshart van Pruisisch Holland. Een aandenken van de autoriteiten: wie vertrekt, moet dat met lege handen doen. Sommigen deden het bij de eerste geruchten over het verlies in het Oosten en de oprukkende troepen die ieder moment tussen de bomen tevoorschijn konden komen. Anderen bleven en hoopten dat het slechts leugens waren, dat hun dierbaren zouden terugkeren. Dat een zoon zou terugkeren.
Deuren werden opengebroken. Houten karkassen zuchtten onder de nieuwe bewoners, die zich met onverholen gretigheid de kostbaarste bezittingen toe-eigenden. Schuin tegenover het bakstenen wachtershuis stond de kerk waarachter het bos uittorende. Het gebouw was ontdaan van diens eerdere bewoners en symbolen, de arend met het hakenkruis bleef zonder beschermers achter.

Daar was hij. Uit het voormalig hoofdkwartier liep onderofficier Dietrich Fuchs naar buiten met een bundel kleren onder zijn arm, die hij jaren daarvoor vol trots had gedragen. Zijn volgelingen waren eveneens in burger. Fuchs legde de bundel op straat neer en liet hem met benzine overgieten door een van zijn ondergeschikten. Hij liet hen in het gelid staan en maakte een laatste inspectieronde. Een schijn van orde. Het waren jongens die tegenover hem stonden. Hij praatte op hen in, bewerkte hen, zoals hij dat deed bij hun voorgangers die door hem naar het front werden gestuurd. Vanwege de tekorten moesten zij hun eigen wapens meenemen. Er werd gesalueerd. Fuchs liet zijn blik rusten op de arend: ‘Haal hem neer!’ De arend viel al snel zonder weerstand op de grond waarna hij in brand werd gestoken. Klaus von Keitz, die met kop en schouders boven zijn kameraden uitstak, rende de kerk uit en bedolf de arend onder ontelbare administratieve documenten. Hij groeide in zijn rol en spoorde de rest aan om mee te doen zonder zijn leider uit het oog te verliezen. Degenen die weigerden, werden door Von Keitz in één maaibeweging op de groeiende brandstapel geduwd. Uit volle borst zong hij:

Heilige Flamme, glüh’
glüh’ und erlösche nie
fürs Vaterland!

De brandende figuren vervormden en lieten elkaar niet gaan, terwijl de mantra aanzwol. Rookwalmen hulden de stad in het duister. De warmte drong naar binnen en het geprevel in de andere kamer stopte. Een meisje ging bij haar ouders zitten. Haar wangen waren betraand.
‘Ik kan de rivier niet meer zien.’
‘Rustig maar, Adelgund. Hij zal blijven stromen, zoals hij dat altijd heeft gedaan.’
Adelgund draaide een van haar lokken om haar vinger, terwijl ze zo zorgvuldig mogelijk de juiste woorden probeerde te vinden.
‘Hoelang moeten we hier nog blijven, papa?’
‘Totdat hij terug is.’
Een nieuw bevel galmde buiten: ‘Geen getuigen!’ Er werd op deuren gebonkt, ook zijn deur. Zij maakten zich gereed. Gijsbrecht pakte zijn wapen, liep naar beneden en hoorde hoe met grote tussenpozen op de deur werd ingebeukt. Door het sleutelgat zag hij silhouetten uit het duister verschijnen en naar hem toekomen.
‘Ga weg, er valt hier niets te halen!’
‘Zo, is dit de vader van Fähnrich? Misschien heeft u gelijk, het enige waardevolle uit huize Amstel is allang verdwenen.’
Er klonk een onmenselijk hoog gelach. Gijsbrecht zag hoe Von Keitz de schuldige uit de groep trok en hem als een konijn neerknuppelde.
‘Hoorde u dat, herr Amstel? Iemand lachte om uw zoon. Zoiets onbestraft laten zou een daad zijn van ondankbaarheid en dat kan ik niet toestaan. U deed dat wel door uw gebrek aan daadkracht. Spijtig.’
Von Keitz tilde het bewerkte lichaam moeiteloos op en gooide het als een discuswerper richting de deur. Een dreun volgde.
‘U ziet mij als de boosdoener, maar uw zoon kwam uit eigen beweging naar mij toe. Hij vertelde mij over uw betrekking in Amsterdam, dat u jammerlijk heeft gefaald. Hij vond u aandoenlijk. Hoe u uw ongebruikte wapenrusting schoonmaakte. In deze tijd heeft men geen behoefte meer aan ridders. Uw zoon wist dat de stad een nieuwe beschermer nodig had. Waarom verbergt u zich achter de deur? Kom naar buiten! U ziet zelf toch ook dat uw situatie hopeloos is? U heeft gefaald. Pruisisch Holland is niet meer.’
Gijsbrecht hoorde hoe een zwaar voorwerp werd versleept. De wildeman had zijn stormram gevonden. Het gebonk werd heviger. Gijsbrecht verroerde zich niet.
‘Denk je dat ik ook maar iets geef om de stad die jij vernietigt of dat je daden vergeten zullen worden omdat je van uniform bent gewisseld?’ riep Gijsbrecht door de deur heen. ‘Het nieuws zal zich verspreiden, de rookwolken zijn van kilometers ver te zien. Een stad in vlammen zonder de aanwezigheid van vijandelijke troepen, burgers die voor hun eigen beschermers moesten vluchten. Ik ga nergens heen, Fuchs. Ik wacht hier op mijn zoon. Ik zal hem vergeven voor het verdriet dat hij ons heeft aangedaan, voor zijn stommiteit om te vechten in deze zinloze oorlog. Ik zal alles doen om hem hier te krijgen en hem nooit meer loslaten. En wanneer hij terug is, zal ik hem vertellen dat alles vergankelijk is, behalve de liefde van een vader voor zijn kind.’

Er volgde een explosie. Gijsbrecht hoorde de omvallende bomen en het glas dat uit het raam sprong. De deur bezweek onder de druk van de zwartgeblakerde lichamen. Een reusachtige gedaante kermde het uit van de pijn. Gijsbrecht zag hoe Fuchs zich van het strijdgewoel verwijderde, zijn doelloze eenheid achterlatend. Een onbekende mars weergalmde door de straten, een nieuwe geschiedenis diende zich aan, een geschiedenis die zijn zoon had overwonnen. Badeloch kwam naar beneden met het geblinddoekte meisje in haar armen. Zij klommen over de doden en gewonden heen en liepen het landschap tegemoet dat in nevelen was gehuld, waar het wapengekletter nooit zou klinken. Ook zij maakten deel uit van de eeuwige stroom.