fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Zorgvuldig gecureerde schenenschopper: het levensverhaal van de Poolse schrijver Witold Gombrowicz

Tijdens de Russische Revolutie van 1905 komen ook de bewoners van Russisch Polen massaal op straat tegen het (oorlogs)beleid van de tsaar. Het is het begin van drie jaar onrust in het onderwijs, de politiek en de industrie, die de ontwikkeling van een modern Pools nationaal bewustzijn zal bevorderen. Aan de vooravond van deze revolutie wordt op een landgoed in het dorpje Małoszyce Witold Gombrowicz geboren, de schrijver wiens eeuwig strakke uitdrukking in schril contrast staat met de schaterlach die uit menig lezers’ mond ontsnapt bij het lezen van zijn werk.

Als kind van een Poolse adellijke moeder, die grootgrondbezitter is, en een Litouwse vader die verschillende fabrieken bezit, speelt Witolds jeugd zich af tussen verschillende werelden: aristocratie en industrie, Litouws sentiment en Pools nationalisme, Russische hegemonie en socialistische strijd.

Hij noemt zijn familie ontworteld, en het gevoel tussen verschillende werelden leven heeft een grote impact op de jonge Gombrowicz. Het zal hem nooit verlaten, steeds opnieuw opduiken in zijn leven, en hij zal het later beschrijven als zijn echte woonplaats, zijn echte vaderland.

De Poolse jaren: oorlog en…

Dankzij de vooraanstaande status van de beide families geniet de jonge Witold Gombrowicz een goede opleiding. Op zeer jonge leeftijd leert hij Frans en Duits van zijn Franse en Zwitserse gouvernantes. De rest van zijn tijd brengt hij door met de jongens van het land. Leeftijdsgenoten van de aristocratische klasse zijn er in de wijde omgeving niet te vinden, en dus sluipt hij, wanneer niemand op hem let, het salon uit, de keuken in, om daar met zijn vrienden avonturen te beleven. Zijn familie, die hun zoon liever niet ziet opgroeien met de horigen van hun land, verhuist naar Warschau, waar de jonge Witold naar een streng katholieke, aristocratische school wordt gestuurd. Daar komt weer dat gevoel van ergens tussenin leven naar boven: hij droomt ervan bij de hogere kringen te horen, omdat hun leven hem zeer geciviliseerd en paradijselijk toeschijnt, maar wordt door zijn klasgenoten gezien als de jongen uit de provincie. Tegelijkertijd koestert hij een jaloezie voor zijn oude vrienden, die zonder zorgen met blote voeten kunnen rondlopen, en in zijn ogen een natuurlijke schoonheid hebben.

Wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, trekt de familie zich terug op een van haar landhuizen. Het Duits-Russische front maakt verschillende allers-retours over hun domein. Hoewel de oorlog zich dus bijna letterlijk in de tuin van de Gombrowiczen afspeelt – de kinderen amuseren zich op het slagveld met het verzamelen van verloren kogels, riemen en messen – biedt hun sociale klasse bescherming tegen het brutale geweld. Aan het einde van de oorlog roept Polen de onafhankelijkheid uit. In heel Oost-Europa worden in de naoorlogse chaos de landsgrenzen hertekend. In dit onzekere klimaat probeert Polen als nieuwe staat zijn grenzen te verdedigen en vast te leggen, wat in 1920 tot een nieuwe oorlog leidt, wanneer Sovjet-Rusland binnenvalt.

De zestienjarige Gombrowicz stribbelt niet al te veel tegen wanneer zijn moeder hem verbiedt zich vrijwillig aan te melden bij het leger, zoals al zijn kameraden doen. Het is niet per se de oorlog die hem tegenstaat, maar eerder dat hij in het leger in de pas zou moeten lopen. Niettemin ervaart hij het als een vernedering dat hij niet aan het front vecht, maar de zomer eenzaam doorbrengt. Ondanks zijn initiële enthousiasme over de Poolse onafhankelijkheid, ervaart hij door die eenzaamheid een vervreemding van het nationalistisch verhaal wat hij later ‘een breuk met de groep, de natie’ zal noemen. Die breuk is de kiem voor de thema’s die hij in zijn boeken zal uitwerken.

Zijn vader wilt dat hij rechten gaat studeren, maar Witold stuurt zijn spreekwoordelijke knecht naar de aula, omdat die in zijn woorden ‘nou eenmaal slimmer was dan hijzelf’. Alleen de filosofie interesseert hem, en vooral Friedrich Nietzsche en Arthur Schopenhauer spreken hem aan. Nadat hij zijn studies heeft afgerond, in 1927, vertrekt hij naar Parijs. Daar leidt hij een jaar lang een wild leven en neemt zijn interesse in de juristiek nog meer af. Tijdens de nachten die hij doorbrengt in de Parijse cafés ondervindt hij voor het eerst aan den lijve het westerse superioriteitsgevoel, waartegen hij het gevoel heeft zich te moeten verzetten.

Bij terugkomst in Polen probeert Gombrowicz nog een laatste keer zijn carrière in de rechtszaal te lanceren, vooral om op kosten van zijn vader te kunnen blijven leven, maar hij voelt zich meer verwant met de crimineel dan met de rechter. Zijn vrije tijd brengt hij door in literaire cafés, waar hij naar eigen zeggen urenlang onzin uitkraamt, zwarte koffie drinkt en zijn gesprekspartner onderwerpt aan allerlei psychologische spelletjes. In die cafés ontmoet hij leden van Skamander, een groep avant-gardedichters die zich actief afzette tegen de romantische literaire stroming van die tijd, die een heldhaftig nationalistisch verhaal voorschrijft. De Skamanderleden spelen in hun werk met taal, genieten van humor en ironie en schuiven eenvoudige mensen naar voren. Geïnspireerd door hun werk begint Gombrowicz verhalen te schrijven, die in 1933 gepubliceerd worden onder de titel Memoires uit de rijpingsjaren. Wanneer zijn vader sterft in 1935, erft hij een deel van het landgoed waarop hij geboren is en kan hij zijn inkomsten vanaf dan uit de huur halen. Naar de rechtbank hoeft hij dus niet meer terug te keren en met veel plezier vult hij voortaan zijn dagen met schrijven. Het is in deze jaren dat Gombrowicz veel met de kunstenaar en schrijver Bruno Schulz optrekt. Urenlang wandelen ze samen door Warschau, pratend over literatuur en schrijverschap. Desondanks zal Gombrowicz hem nooit als vriend zien, omdat volgens hem de verhouding scheef zat: Schulz bewonderde hem, maar omgekeerd kon Gombrowicz Schulz’ werk niet in dezelfde mate op prijs stellen.

In 1937 debuteert Gombrowicz met Ferdydurke, uitgegeven met illustraties van Schulz. Het boek ontvangt zowel kritiek als bewondering en geeft hem enige beruchtheid in het literaire milieu. Even later publiceert het tijdschrift van Skamander zijn theatertekst Yvonne, prinses van Bourgondië, en schrijft hij een feuilleton – De beheksten – onder een pseudoniem, dat pas na zijn dood onder zijn eigen naam zal worden uitgegeven.

Maandag: ik. Dinsdag: ik. Woensdag: ik.

De meest ingrijpende gebeurtenis in Witold Gombrowicz’ leven is het Molotov-Ribbentrop Pact van 23 augustus 1939, waarin Hitler en Stalin overeenkomen elkaar niet aan te vallen. Gombrowicz besluit op dat moment te blijven waar hij is: in Buenos Aires, ver van Polen en de naderende oorlog.

Enkele dagen voordien was hij daar in de haven aan wal gegaan, samen met de rest van de nietsvermoedende passagiers en bemanning van de MS Chrobry, het nieuwste Poolse zeevaartschip, ontworpen voor passagiersvervoer tussen Zuid-Amerika en Polen. Gombrowicz werd uitgenodigd door de scheepvaartmaatschappij om mee te gaan op de eerste reis van het schip en zo publiciteit te geven aan de nieuwe trans-Atlantische lijn. De bedoeling was dat hij na een verblijf van enkele dagen in Argentinië terug naar Polen zou gaan, maar daar gooit de Geschiedenis met een grote G roet in het eten. In het non-agressiepact tussen Duitsland en de Sovjet-Unie ziet Gombrowicz juist veel potentiële agressie tegenover Polen, dat precies tussen die twee in ligt. Wanneer de Chrobry op 25 augustus weer richting Europa vertrekt, blijft de 35-jarige Witold achter. Vanop een afstandje houdt hij de ontwikkelingen in Polen in de gaten. Al na enkele dagen ziet Gombrowicz zijn vermoeden bevestigd: op 1 september 1939 valt Duitsland Polen binnen. Even later bezet ook Rusland het oostelijke deel van het land. De schrijver wordt een exilé, maar zonder veel tegenzin: hoewel hij puur per ongeluk in Argentinië was beland, blijkt hij juist daar zijn eigen stem, voor het eerst, te kunnen horen. Ook wanneer de oorlog voorbij is en Europa langzaam weer opgebouwd wordt, blijft Gombrowicz in Buenos Aires hangen. Hij zal uiteindelijk pas 24 jaar later naar Europa terugkeren, maar nooit zal hij nog een voet in Polen zetten, hoewel hij wel altijd in het Pools blijft schrijven. In de onmogelijkheid als schrijver die taal los te laten, bevindt hij zich weer ‘tussen’ verschillende plekken.

Armoede kenmerkt zijn eerste jaren in Argentinië, waar hij de taal niet spreekt en geen vast inkomen heeft. Ondanks zijn penibele omstandigheden voelt hij zich bevrijd in dit land waar hij toekomst noch afkomst heeft. De eerste pagina van zijn eerste gepubliceerde dagboekfragment is bondig maar spreekt boekdelen: ‘Maandag: ik. Dinsdag: ik. Woensdag: ik. Donderdag: ik’. Hij kan verdwijnen, opgaan in de menigte van Buenos Aires en voluit nieuwe ervaringen opdoen. Voor het eerst voelt hij zich in de marge, ver van Polen, waar hij deel uitmaakt van een Groot Nationaal Verhaal. Hij omringt zich met andere Poolse exilés en jonge Argentijnse artiesten en schrijvers, die hem steeds genoeg geld toestoppen om te overleven. Verschillende keren vertrekt hij uit zijn kamer zonder te betalen. Het grootste deel van zijn dagen brengt hij al schakend door in café Rex, zijn tweede woonkamer. ’s Nachts bezoekt hij geregeld de stations- en havenwijk Retiro, waar de meesten van zijn vrienden het liefst ver uit de buurt blijven. Net als in Polen wordt hij aangetrokken tot de marginaliteit, waar volgens hem het échte leven zich afspeelt.

Hoewel hij af en toe artikels en verhalen publiceert in Argentijnse bladen, schrijft Gombrowicz in de oorlogsjaren niets serieus. De literaire kring van Buenos Aires kan hem gestolen worden. Jorge Louis Borges, mecenas van deze jonge schrijvers, vindt hij maar een arrogante zak, en hij schrijft schertsend in zijn dagboek dat ‘hun literatuur […] er een van mooie woorden [is]. Om kunstenaar te zijn is het genoeg zich fraai uit te drukken’ en ‘mij fascineerde in dit land de onderlaag, en hier [het diner met Borges en zijn protégés] was de bovenkant. Ik was betoverd door de duisternis van het Retiro, zij door de lichten van Parijs.’

Op zijn eigen manier begint Gombrowicz in 1945 aan de vertaling van Ferdydurke naar het Spaans. Vrienden en geïnteresseerden komen dagelijks samen in café Rex om aan de vertaling te werken en te discussiëren over de betekenis van verschillende passages. Het collectieve vertaalproces duurt meer dan een jaar, en Gombrowicz houdt er een aantal goede vrienden aan over. Wanneer de oorlog in Europa voorbij is, zoekt Gombrowicz weer contact met zijn Poolse vrienden en familie, en dipt hij zijn pen weer in de Poolse taal. Polen is ondertussen in de Sovjet-invloedssfeer komen te liggen en Gombrowicz’ vooroorlogse werk wordt gecensureerd, net als het werk van andere Skamander-leden. Jarenlang wilt geen enkele uitgeverij zijn nieuwe theaterstuk Het huwelijk uitgeven, waardoor de Spaanse vertaling in Argentinië eerder gepubliceerd wordt dan het Poolse origineel.

Tussen Buenos Aires en Parijs

Na een jaar of zeven als een ratje te hebben geleefd, biedt een Poolse kennis hem een job aan bij de Poolse Bank in Buenos Aires. Het is de enige vaste job met salaris die Witold Gombrowicz in zijn leven zal hebben, maar van werken komt niet veel in huis. Hij maakt van de makkelijke en betaalde uren achter een bureau gebruik om Trans-Atlantisch te schrijven: een transgressief autofictief memoir over zijn eerste jaren in Argentinië, dat om dezelfde redenen als Het huwelijk geen uitgeverij vindt.

Ondertussen organiseert zich in Parijs een groepje Polen dat, na zich te hebben aangesloten bij de geallieerden tijdens de oorlog, niet terug wil naar het nu communistisch vaderland. Op zoek naar een manier om een Poolse anti-totalitaire culturele scène te creëren, stichten deze verbannen soldaten Kultura, een literair revue en cultureel instituut, dat Gombrowicz’ belangrijkste uitgever wordt. Een aantal maanden lang publiceert Kultura delen van Trans-Atlantisch, die op veel commentaar vanuit de Poolse gemeenschap kunnen rekenen en door sommigen zelfs schandalig worden genoemd. Ook de volgende tekst van Gombrowicz die Kultura publiceert, Tegen de dichters, veroorzaakt een grote polemiek. De tekst is gebaseerd op een lezing die hij een aantal jaar eerder in Buenos Aires gaf en ook daar stof deed opwaaien. Dat zijn Poolse lotgenoten niets van hem willen weten, deert hem niet. Gombrowicz geniet van de opschudding die hij veroorzaakt.

In 1953 worden dan eindelijk Trans-Atlantisch en Het huwelijk in één volume uitgegeven bij Kultura. Datzelfde jaar worden, zonder dat Gombrowicz het zelf weet, delen van Ferdydurke in het Frans vertaald en uitgegeven. Vanaf dan komt Gombrowicz’ schrijverschap in een stroomversnelling. Kultura vraagt hem een dagboek te schrijven, dat op regelmatige basis in hun revue zal verschijnen en dat hij tot zijn dood zal bijhouden. Nu hij weer de pen en daarmee het polemische zwaard heeft opgenomen, stopt hij te werken bij de Poolse Bank en begint aan De pornografie. Wanneer in 1957 het communistisch regime in Polen de teugels van de censuur even laat vieren, krijgt Gombrowicz zijn broer zover zijn werken naar Poolse uitgevers te sturen. Al zijn werk wordt in dat jaar in Polen gepubliceerd (behalve zijn Dagboek, dat te controversieel is), en ook zijn theaterstukken worden opgevoerd. Tegelijkertijd wordt er in Frankrijk over zijn werk geschreven en wordt Ferdydurke naar steeds meer talen vertaald, maar niet naar die van het Oostblok, waar zijn werk na amper een jaar weer op de zwarte lijst wordt gezet.

Wanneer hij in 1963 wordt uitgenodigd door de Ford Foundation om een jaar in Berlijn te komen schrijven, heeft hij net De pornografie gepubliceerd en is hij bezig aan Cosmos, wat zijn laatste en prijswinnende roman zal worden. Hij vertrekt uit Argentinië, zijn nieuwe thuisland, met het idee een paar maand later terug te komen. Maar de geschiedenis herhaalt zich: net zoals hij Polen nooit meer zou terugzien, zal hij ook nooit meer voet op Argentijnse grond zetten. Zijn verslechterende gezondheid houdt hem in Europa. De astma speelt op, en hij krijgt ook last van zijn hart. Na een verblijf van twee maanden in een Berlijns ziekenhuis besluit hij naar Frankrijk te gaan, waar hij via zijn contacten bij Kultura de jonge Marie-Rita Labrosse leert kennen.

Toen hij tijdens zijn jonge jaren in Parijs verbleef, werd hij na een reisje naar Zuid-Frankrijk naar eigen zeggen verliefd op de Middellandse Zee. Het is dan ook daar waar hij naar terug wil keren op zijn niet-zo-heel-oude dag. Samen met Rita Labrosse verhuist hij in 1964 naar Vence, waar ze veel vrienden ontvangen en genieten van het rustige Zuid-Franse leven. Twee jaar voor zijn dood ontvangt hij de Prix Fermentor voor Cosmos. Voor schrijven heeft hij daarna te weinig fut. Na een hartaanval in 1968 trouwt hij met Rita, nog geen half jaar later sterft hij in zijn slaap aan ademnood en een tweede hartinfarct. Hij is dan 64.

Smoelen

Doorheen zijn leven waagt Witold Gombrowicz’ zich aan meerdere literaire genres, pogingen die steeds, zij het na een tijdje, op succes kunnen rekenen. Zijn werken worden in de tweede helft van de twintigste eeuw in verschillende talen vertaald, verfilmd, opgevoerd of tot hoorspel gesmeed, in Polen en ver daarbuiten. Met zijn talloze kortverhalen, romans, dagboekfragmenten en toneelstukken zet hij zichzelf op de literaire kaart. Toch is zijn experimentele werk vaak weerbarstig en de wereld die hij schept onherbergzaam, vol ambigue en bevreemdende verhalen en psychologische spelletjes.

Ondanks de donkere en satirische wereld waarin Gombrowicz zijn lezer uitnodigt, is het toch de schaterlach die zijn schrijven uitlokt die de lezer het meeste bijblijft. In het voorwoord van de nieuwe Engelse vertaling uit 2000, beschrijft Susan Sontag Ferdydurke – Gombrowicz’ debuut – als ‘extravagant, briljant, verontrustend, moedig, grappig, wonderlijk… Lang leve zijn sublieme spotternij.’ Ferdydurke is Gombrowicz meest vertaalde en meest jeugdige werk, en de gemakkelijkste introductie tot zijn oeuvre, waar de fundamenten voor de thematieken van zijn later werk al in gelegd worden.

Genoeg gepraat, vooruit, laat me je knaap zien in plaats van over hem te kletsen, dan kom ik ook met de mijne voor de dag! Dan zullen we zien wie voor wie zal vluchten! Laat zien! Laat zien! Genoeg van die frasen, genoeg van die halfslachtige, beschaamde smoelen en smoeltjes, die delicate, maagdelijke snoetjes waarmee de mens zich voor zichzelf verstopt. Verdomme nog an toe, ik daag je uit tot een duel met echte grimassen, grimassen met je hele smoelwerk, en je zult zien dat je knaap de benen neemt! Genoeg gepraat!

Deze uitdaging tot smoelengevecht is een sprekende illustratie van de psychologische thematiek van Ferdydurke, waarin het innerlijke van de personages in voortdurend gevecht is met het masker dat de ander hem oplegt. Het 30-jarige hoofdpersonage wordt op een dag door zijn oude leraar klassieke talen terug naar de middelbare school gestuurd omdat hij de Latijnse bijwoorden niet meer kan opnoemen, noch de werkwoorden vervoegen. Op school merkt niemand dat hij daar eigenlijk niet hoort: zijn context heeft hem geconditioneerd tot tiener, en zo heeft hij zich dan ook te gedragen. De blikken van zijn klasgenoten, hun moeders die door het hek gluren, de schoolfrikken, vervormen zijn gezicht tot dat van een 15-jarige. Gevangen in de blik van de ander probeert ieder personage vergeefs via een verwrongen grimas uiting te geven aan zijn eigenheid, terwijl iedereen tegelijkertijd ook een masker aan de ander oplegt.

Met dit groteske verhaal probeert Gombrowicz vorm te geven aan zijn idee dat een authentieke persoonlijkheid niet bestaat en dat mensen elkaar vormen, en niet zichzelf. Tegelijkertijd vechten de personages in Ferdydurke niet alleen tegen een opgelegde smoel, maar ook tegen de onmogelijkheid hun eigen kinderlijkheid te overstijgen. Het lukt hen maar niet een vaste, eigen vorm aan te nemen, en dat komt volgens Gombrowicz omdat dat niemand ooit zal lukken. De mens zal altijd in het onaffe blijven hangen, hoe hard hij ook zijn best doet een volwassen masker op te zetten. Het smoezelige en de onrijpheid brengen echter volgens Gombrowicz de creativiteit en vitaliteit van de mens voort. Hijzelf zegt nooit een man van middelbare leeftijd te zijn geweest: hij was jong, tot hij op een dag opeens oud was. Het is volgens Gombrowicz dan ook in de immaturiteit dat ‘een zekere schaamtelijke poëzie geboren wordt, een zekere benarde schoonheid’.

Aan de onderontwikkeling is dus niet te ontsnappen, en ze is zelfs te verkiezen boven wat hij het ‘het ontwikkelde’ of ‘het beschaafde’ noemt. Dat gevoel zegt Gombrowicz al in zijn vroege leven te hebben gehad, toen hij zijn dagen liever met de knechten in de keuken doorbracht dan in het salon met zijn broers. Ook daar gaat Ferdydurke over: het bespotten van de gemaskerde bovenklasse, de ‘culturele tantes’ en de schoolfrikken, alles wat superieur verondersteld wordt te zijn. Maar ook het ideaal van het boerenjongensleven moet eraan geloven. In Ferdydurke krijgt alles ervan langs wat vorm heeft, wat elke keer weer hilarische situaties oplevert.

De Grote immaturiteit van de mensheid / Vormeloosheid in al haar vormen

De tegenstellingen superieur-inferieur en maturiteit-immaturiteit hangen samen met Gombrowicz’ grootste onderzoek: de spanning tussen vorm en vormeloosheid. Gombrowicz blijft zijn hele leven lang pogen de vorm uit te werken en vervolgens onderuit te halen, zij het steeds op andere manieren en niveaus. In zijn vroege werk krijgen zijn personages vooral vorm opgelegd, zoals in Trans-Atlantisch, waar het personage probeert te ontsnappen aan de Poolse vorm. In zijn later werk gaat zijn het juist de personages die vorm opleggen aan de wereld rondom hen. In De pornografie zijn zijn personages schandelijk manipulatief, en in Cosmos, zijn laatste roman, zoekt het hoofdpersonage een betekenis en een patroon in de kleinste details rond hem, een betekenis/vorm die enkel hij ziet, waar hij naar gaat leven en handelen. Zodoende legt hij zijn vorm, zijn wereld, op aan de mensen rondom hem, met gruwelijke gevolgen.

Vorm forceert zich niet enkel op individueel psychologisch niveau, maar ook op nationaal en internationaal niveau. Zo steekt Gombrowicz graag de draak met het Poolse nationalistische verhaal, dat de Poolse cultuur in een vaste vorm wilt gieten, en later met het totalitaire regime, dat het arbeidersleven verheerlijkt. Ook religie, traditie en rituelen leggen een vorm op aan het alledaagse leven en moeten dus op de schop. Daar is zijn Trans-Atlantisch een uitwerking van. Wanneer hij in Parijs vertoeft tijdens zijn studententijd, voelt hij een groot verschil tussen de westerse, rijpe, superieure cultuur en de Poolse, die als onderontwikkelde tweederangscultuur werd weggezet. Hier is in Gombrowicz’ logica de Poolse cultuur dan weer dat wat verdedigd moet worden, omdat die echter zou zijn dan de ontwikkelde, vastomlijnde westerse. In Argentinië herkent hij die tweederangspositie, en het is ook daarom dat hij Jorge Luis Borges en diens literaire club niet kan uitstaan: ze proberen allemaal de vorm van Europa aan te nemen, zien zichzelf als rijp en af.

Ook de dichtkunst moet het ontgelden. In 1955 geeft Gombrowicz een lezing die Tegen de dichters als titel draagt. Dichters zouden een tekst scheppen die ontdaan is van alle antipoëtische elementen, die een pure wereld oproept en dus een wereld zonder enige werkelijkheidszin. In een interview in 1969 zegt hij de vijand van de schilderkunst te zijn, omdat die zich alleen maar een vorm zou laten opleggen door een corrupte kunstmarkt. Verder hekelt hij in datzelfde interview ook het idee van de allereigenste expressie in de kunst. Zijn eigen werk is altijd experimenteel en ‘geeft zichzelf vorm, buiten mij om’. Met die handige zinsnede stelt hij zichzelf buiten beeld. Eenmaal zijn werk in de wereld is, lijkt het alsof hij er niet zo veel meer mee te maken wilt hebben. Zo gaat hij bijvoorbeeld nooit naar de repetities of voorstellingen van zijn theaterstukken en wilt hij niets te maken hebben met hun productie of met de keuzes van de regisseur. ‘Met dit soort zaken word ik gelovig uit luiheid, en heb ik vertrouwen in de Almachtige.’

Schenenschoppen

De eeuwige ironie, dus. Die maakt dat Witold Gombrowicz zowel voor de lezer als voor zijn schrijver-tijdgenoten zo on(be)grijpbaar is. In een eeuw waarin iedereen zich vastklampt aan ideologie, blijft Gombrowicz glibberig. Zijn meningen kunnen áltijd op veel kritiek rekenen, en dat was precies zijn bedoeling. Elk van zijn publicaties brengt een polemiek op gang en nooit laat hij zich in een hokje duwen. Wordt hij bij de absurdisten gerekend, dan maakt hij duidelijk dat hij zijn theater al decennia voor Eugène Ionesco en Samuel Beckett schreef. Wordt hij als antinationalistisch bestempeld, dan wijst hij op het belang van de onrijpe Poolse cultuur in verhouding tot de westerse. ‘Het vaakst was ik simpelweg de negatie van dat waar mijn gesprekspartner voor stond.’

Zijn boeken en verhalen staan bol van de parodieën van bestaande belangrijke Poolse literatuur, wat hem niet in dank wordt afgenomen. Personages gaan vaak de grenzen van het seksueel en moreel normatieve over, begaan grove daden zonder wroeging. Zijn dwarse stijl beperkt zich echter niet alleen tot reactionaire polemieken of controversiële inhoud. Het is namelijk zijn taal die misschien nog het allermoeilijkst te grijpen valt, zowel voor Poolstaligen als voor de vertaler. Onder invloed van Skamander, de avant-gardegroep van het interbellum, ontwikkelt Gombrowicz een liefde voor neologismen en het spelen met de taal. In elk van zijn boeken weeft hij verschillende taalregisters door elkaar heen en zijn er verschillende zelf-uitgevonden, onvertaalbare woorden te vinden, waarvan er velen in het standaard Pools zijn overgenomen. De roman Trans-Atlantisch staat bekend als zijn moeilijkst vertaalbare werk, omdat het geschreven is in een oud Pools episch genre, dat het adellijke dagelijkse leven verhaalt. Het barokke taalgebruik wordt in Trans-Atlantisch verweven met ordinair dialect en Gombrowicz’ geheel eigen taaltje. Het gros van Gombrowicz’ oeuvre is tijdens zijn leven in het Frans en Spaans verschenen, en vervolgens vanaf die beschikbare vertalingen naar andere talen. Veel woordkunst is daardoor verloren gegaan, maar gelukkig zijn er nu steeds meer vertalingen beschikbaar die rechtstreeks uit het Pools zijn vertaald.

Strak afgelijnd gezicht

Zijn hele leven heeft Witold Gombrowicz plezier gehaald uit schenenschoppen en zo vormeloos mogelijk te zijn. Of dat is tenminste wat hij wilde doen geloven. Veel van zijn meningen waren natuurlijk vooral provocerend. Hij hield bijvoorbeeld heel erg van schilderkunst en zowel in Polen als Argentinië als in Frankrijk ging hij nauwe vriendschappen aan met schilders, wier werk hij in zijn werkkamer hing – al hing hij de doeken soms ondersteboven, om toch weer een beetje tegendraads te doen.

Hoewel zijn enige standvastige mening die tegen de vorm was, is zijn eigen smoel sterk afgelijnd. Gombrowicz het publieke personage is vooral bekend van zijn dagboeken, die hij schreef met het oog op publicatie. De zelfverkondigde jeugdigheid en vormeloosheid zijn zorgvuldig gecureerd. Zijn dagboekfragmenten zijn de overpeinzingen van een schrijver en opiniemaker, bedoeld voor een lezersoog. Over Gombrowicz’ privé-aangelegenheden komen we maar weinig te weten. In hoeverre was zijn vriendschap met Schulz bijvoorbeeld echt onbeduidend voor hem, en miste hij Polen echt nooit, in al die Argentijnse jaren? Natuurlijk zijn er de getuigenissen van zijn vrouw en vrienden die na zijn dood zijn opgetekend, maar de brieven naar zijn moeder en zuster zijn op zijn vraag vernietigd na hun dood. Waar Gombrowicz de broer en zoon – de immature rollen bij uitstek – allemaal over nadacht, blijft verstopt achter een vorm die heel hard probeert er niet eentje te zijn. Dus, om het met zijn eigen woorden te zeggen: ‘Punt en slot, Wie dit leest is een zot.’

Meer weten over het werk en leven van Witold Gombrowicz?

Na het lezen van dit artikel honger gekregen naar de boeken van Witold Gombrowicz? Bestel alle leverbare titels via de webshop van onze onafhankelijke boekhandel Buchbar en steun daarmee rechtstreeks de werking van ons literair platform.

Zo goed als alle belangrijke werken van Witold Gombrowicz werden intussen naar het Nederlands vertaald door Paul Beers, die over het leven van Gombrowicz ook een boek heeft gepubliceerd met als titel Witold Gombrowicz door de jaren heen. Beers vertaalde daarnaast het oeuvre van Ingeborg Bachmann – over wie we eerder een portret publiceerden – en werken van Thomas Mann – over wiens De Toverberg we eerder een artikel schreven –, Golo Mann, Jean-Paul Sartre en Marguerite Yourcenar.

De Franse schrijver Dominique de Roux publiceerde eind jaren zestig Gesprekken met Witold Gombrowicz. Wie het denken van Gombrowicz beter wil begrijpen, raden we ten zeerste aan dit boek te lezen – dat wel alleen nog maar antiquariatisch verkrijgbaar is.