fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

God, Liefde en de Dood: wie was Gerard Reve en welke ideeën gaven vorm aan zijn wereldbeeld?

Wie de naam Gerard Reve (1923-2006) hoort vallen, denkt doorgaans aan twee zaken: de grote drie, of helemaal niets, omdat de persoon in kwestie nog nooit van Gerard Reve heeft gehoord. Reve wordt tegenwoordig vaker wel dan niet in één adem genoemd met twee andere grootheden uit de Nederlandse literatuur: Willem Frederik Hermans en Harry Mulisch. Toch hebben deze drie schrijvers, op inhoudelijk vlak, weinig raakpunten met elkaar en kunnen we de term ‘de grote drie’ vooral beschouwen als een commercieel fabrikaat uit de jaren zeventig.

Dat gezegd zijnde, is de schrijver van De avonden en Nader tot U altijd al een excentriekeling geweest in de literatuur uit de twintigste eeuw: een charismatische, homoseksuele ex-communist, die zich bekeerde tot het katholicisme en in zijn werk resoluut een existentieel en vaak met ironie overgoten standpunt hanteert. Doorheen zijn schrijverschap werd hij door anderen al eens beschouwd als dé Nederlandse volksschrijver, een titel die hij zichzelf graag eigen maakte omdat zijn werk (ondanks de zwaarwichtige thematiek), steeds in een vlekkeloze, glasheldere taal werd geschreven en een stevige dosis humor bevatte. Reve stelde steeds het contrast scherp tussen de romantische thema’s van zijn werk, en de gedurfde uitspraken waarmee hij al eens uitpakte. Hij omschreef zichzelf vanaf eind jaren zestig voortdurend als een ‘romantisch-decadent schrijver’ en beschouwde ‘de ontoereikendheid van de menselijke liefde en de totale afhankelijkheid van de mens van Gods genade,’ als de overkoepelende boodschap doorheen zijn proza en poëzie. Dit gekoppeld aan een virtuoze stilering en een reviaans taalgebruik dat naadloos van het plechtige naar het platvloerse schippert, wordt zijn werk door andere schrijvers dikwijls ‘onnavolgbaar’ en ‘onvertaalbaar’ gedoopt.

Religie, erotiek, ironie, symbolisme, sadisme, pessimisme en de dood: het zijn slechts enkele van de motieven die Reve’s mysterieuze oeuvre kenmerken. Welke ideeën gaven vorm aan het wereldbeeld van één van de meest intrigerende Nederlandstalige schrijvers? En hoe vertaalde dit zich in zijn visie op literatuur en kunst?

Armoede voor een ideaal

In de documentaire Reis naar het einde van de nacht, (die Reve samen met Erik Lieshout in 1988 maakte ter ere van het gelijknamige boek van de Franse auteur Louis-Ferdinand Céline), geeft de Nederlandse schrijver, wandelend door de Passage Choiseul, een schets van Célines jeugd, die arm maar proper was. De zogenaamd nette armoede, de armoede waarvoor men niet durft uit te komen, was volgens Céline de grootste verschrikking. Reve voegt hier tijdens zijn uiteenzetting in de documentaire echter een derde soort armoede aan toe: de armoede van zijn jeugd, de armoede voor een ideaal. Geboren als Gerard Kornelis van het Reve op 14 december 1923 te Amsterdam, stond Reves jeugd, naar eigen zeggen, in het teken van de proletarische wereldrevolutie en de socialistische beweging. Als peuter verhuisde Gerard met zijn broer Karel van het Reve en zijn ouders naar het nieuwgebouwde tuindorp Watergraafsmeer; in de volksmond werd deze buurt algauw ‘Betondorp’ gedoopt. De gevoelens van Reve naar Betondorp toe, kunnen we als grauw en ongelukkig bestempelen. Later zou hij in een televisie-interview uit 1963 zijn herinneringen aan Betondorp treffend als volgt afschilderen:

‘Over de hele buurt, de huizen, tuinen, daken, straten, pleintjes, heeft altijd voor mij een sfeer gehangen van onpeilbaar diepe, onontkoombare weemoed. ‘Laat elke hoop varen, gij die hier opgroeit’ aldus zou ik mijn gevoelens kunnen samenvatten (…) Vrees, gevaar, eenzaamheid, de huizen evenzovele grotten en holen, bewoond door onberekenbare demonen, dat is eigenlijk mijn jeugd.’

Gerard Reve

Uiteraard gekleurd door latere reflecties over zijn kindertijd, kunnen we deze uitspraak als emblematisch beschouwen voor het angstige en sombere wereldbeeld van de kleine Reve. Zijn ouders, Janetta Doornbusch en Gerardus van het Reve, leerden elkaar kennen in de socialistische beweging en trouwden omstreeks 1916. Gerards vader was journalist en schreef voor diverse tijdschriften en socialistisch-marxistische publicaties. Gerard en Karel groeiden beslist niet op in een anti-intellectueel of ongeletterd gezin, maar het communistisch en strijdvaardig milieu liet blijvende sporen na bij de twee broers. Ondanks het feit dat Reve in latere interviews en geschriften liet uitschijnen dat hij van kindsbeen af al niets voelde voor de overtuigingen van zijn ouders, leren de biografische gegevens ons iets anders: het zou tot in de jaren vijftig duren vooraleer de Nederlandse schrijver zich voorgoed zou keren tegen alles dat naar marxisme en communisme rook. De redenen voor deze ommekeer zijn uiteenlopend en hebben zowel met de persoonlijkheid van Reve als met zijn ervaringen in de socialistische beweging te maken. Als kleine jongen was de schrijver in spe gefascineerd door clubs en het uitvoeren van ritueeltjes; samen met zijn ervaringen tijdens de zomerkampen van de Pioniers (een communistische jeugdorganisatie), vormen deze herinneringen een belangrijke bron aan inspiratie voor latere verhalen waaronder De vacantie en Werther Nieland. In hoeverre Reve latere inzichten toepaste op zijn kindertijd om deze te gebruiken voor literaire doeleinden, blijft altijd een beetje gissen. Het is echter duidelijk dat Reve op de zomerkampen van de Pioniers waarschijnlijk voor het eerst in aanraking kwam met zijn gevoelens naar jongens toe; ook was de jaloerse en grillige verhouding met broer Karel reeds aanwezig.

Van 1936 tot 1940 liep Reve school op het Vossius gymnasium in Amsterdam-Zuid, een middelbare school die al eens ‘rood en jood’ werd genoemd door de grote hoeveelheid kinderen uit socialistische en semitische gezinnen. In één van zijn latere werken, Moeder en zoon, zou hij de school en het lerarencorps – op enkele uitzonderingen na – er stevig van langs geven. ‘Een dode doos, een lege koektrommel, een roestige bonbonnière vol verschraalde geuren,’ klonk het. Volgens sommigen was het toen al duidelijk dat Reve literaire aspiraties had, anderen merkten hier dan weer niets van. Het zou een overstatement zijn deze middelbare school jaren ongelukkig te noemen, maar hij verloor wel steeds meer en meer de gezonde goesting school te lopen. De oorlogsjaren die uiteindelijk zouden leiden naar het schrijven van De avonden, werden getekend door de woelige periode van de Nederlandse bezetting, worstelingen met depressies; een zelfmoordpoging en zijn relatie met zangeres in spe Tine Fraterman.

Literaire doorbraak en ‘de Engelse jaren’

Van 1945 tot 1947 werkte Gerard Reve als journalist voor Het Parool, deze korte ervaring kunnen we als een scharniermoment beschouwen. Tegen de achtergrond van professionele desillusies, stortte hij zich op het schrijven van onder andere De laatste jaren van mijn grootvader en De ondergang van de familie Boslowits, een novelle van zo’n vijftig pagina’s over de vernietiging van een bevriende joodse familie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het verhaal is grotendeels gebaseerd op autobiografische elementen, en schetst een uiterst afstandelijk en tragisch beeld van de joodse familie zonder de oorlog expliciet bij naam te noemen. Volgens een veel latere recensie van Het Parool, zouden de sobere 51 pagina’s van De ondergang van de familie Boslowits hele boekenkasten kunnen vervangen. Vanaf de jaren zestig zou De ondergang van de familie Boslowits frequent worden gebundeld met de novelle Werther Nieland, en samen als één van de hoogtepunten in Reve’s werk worden beschouwd. Het werk van de beginnende schrijver laat zich kenmerken door een eenvoudige en beschrijvende taal, die op een afstandelijke en analyserende wijze ‘het mysterie zelf’ voelbaar wil maken. Door helder en secuur te observeren, schildert Reve de banale realiteit als iets hoogst eigenaardig en angstwekkends af.

Tijdens deze periode kwam Reve in contact met een beslissende figuur in zijn leven, de psychiater en bacterioloog C.J Schuurman. Schuurman was een jungiaans geïnspireerde therapeut die Reve zou hebben aangespoord tot schrijven om zodoende uit zijn neuroses en depressies te klimmen. In Nop Maes’ driedelige biografie over Gerard Reve (Kroniek van een schuldig leven), wordt een voorsmaak gegeven van Schuurmans benaderingen, die op hun beurt gedeeltelijk het wereldbeeld van de latere schrijver zouden vormen. Volgens Schuurman waren verlangens louter signalen van wat in ‘de scheppende ondergrond tot realisatie drong.” In hoeverre Schuurmans therapie Reve heeft ondersteund bij het schrijven van De avonden is onderwerp van discussie, maar het is zeker dat hij door de psychiater werd bewogen om in het reine te komen met zijn homoseksuele geaardheid, introversie en nood tot schrijven. Wie Reves latere bespiegelingen over filosofie, cultuur en religie leest, zal duidelijk de invloed van Carl Gustav Jung en Arthur Schopenhauer zien doorschemeren; zijn nadruk op een pessimistisch tijdsbesef en de mens als betekenisgevend en scheppend wezen, zijn deels aan deze denkers ontleend. In een brief aan Josine en Lennie Meyer uit 1963, schetst Reve duidelijk wat hij in zijn latere brieven, als bekentenisliteratuur, tracht te doen:

‘Ik zoek niet naar wetenschappelijke waarheid, maar naar formuleringen, die het woordloze en onzegbare de eer en plaats geven die het toekomt. Eén ding weet ik zeker: dat ik, door Schuurmans behandeling, schrijf en durf te schrijven.’

De avonden

Tegen het einde van 1946 legde Reve op de typemachine van zijn vader het plan vast een lang verhaal te schrijven, ‘een novelle voor De Bezige Bij.’ De roman die hij uiteindelijk De avonden zou dopen, groeide uit tot een onverhoopt succes. Het verhaal beschrijft de laatste tien winterdagen van 1946 en is legendarisch geworden door zijn nihilistische insteek en zwarte humor. Een epische vertelling over de leegte van verveling en de somberte van een naoorlogs Amsterdam, legt De avonden vooral Reves onmogelijkheid tot ware connectie met zijn gezin en vrienden bloot. Het hoofdpersonage, Frits, is een kantoorklerk die zijn dagen vult met het ronddwalen in de stad op zoek naar afleiding en zingeving. Door het gebrek aan sensationele gebeurtenissen en het autobiografische karakter, werd het boek weleens ‘de grootste roman waarin niets gebeurt’ genoemd.

De avonden choqueerde aanvankelijk veel critici door de beklemmende inhoud en katapulteerde de toen amper vijfentwintig jaar oude schrijver tot een veel becommentarieerd figuur. Reve kon hier moeilijk mee om en gaf meer dan eens te kennen dat hij zijn debuut een ‘naar’ en ‘primitief’ werk vond. De fixatie op De avonden en diens statuut als klassieker is, indien we Reve mogen geloven, grotendeels onterecht. Reve beschouwde zijn debuut als kwalitatief van een mindere orde dan zijn latere boeken waaronder Op weg naar het einde, Nader tot U en De taal der liefde. Wellicht is dit niet meer dan begrijpelijk aangezien zijn typische thema’s en zijn brutale bekentenissen nog niet aan bod komen in De avonden. In voorgenoemde klassieker zien we nog de naturalistische en nihilistische Reve aan het werk, een angry young man met een sobere en economische pen. De Reve vanuit het latere werk heeft vrede genomen met zijn homoseksuele geaardheid en drang naar het religieuze: we zien een schrijver die op virtuoze wijze zijn dagelijkse rompslomp en verlangens tot diepzinnige én controversiële literatuur verheft. Op die Reve zal het echter nog even wachten zijn: de periode tussen 1948 en 1959 wordt beheerst door zijn huwelijk met dichteres Hanny Michaelis en een herhaaldelijk heen en weer schipperen tussen Amsterdam en Engeland. Er niet in slagend een vervolg te breien aan zijn eerste succes, zal hij zelfs beslissen enkel nog in het Engels te schrijven (een keuze waar hij niet veel later op terug kwam). Op zijn vele trips naar Engeland – die het huwelijk met Michaelis op den duur deed verwateren –, volgde Reve een theateropleiding en werkte hij zelfs even als verpleger in het National Hospital for Nervous Diseases. Hij kwam ook in contact met de gay scene in Londen en worstelde aanhoudend met de ervaringen die hij er opdeed. Het moeilijke huwelijk met Michaelis en hun briefwisseling geeft geïnteresseerden een aandoenlijke inkijk in het leven van de zoekende kunstenaar. Hoe dan ook: Reves pogingen om door te breken in de Engelstalige wereld bleven min of meer onder de radar en het huwelijk met Michaelis werd na zijn affaire met Wim – in zijn boeken naar verwezen als ‘Wimie’ – Schumacher, stopgezet. Het is eveneens tijdens deze jaren dat Reve zich het schrijven van brieven eigen zal maken als medium voor zijn opkomende werk. Na de stukgelopen affaire met ‘Wimie’ en een aantal gefnuikte pogingen toegang te vinden in de theaterwereld, leek niets erop te wijzen dat deze schrijver in de jaren zestig zijn daverende rentree zou maken in de Nederlandse literatuur met de intieme en controversiële brievenboeken Op weg naar het einde en Nader tot U.

Van schandaal tot onderscheiding

Als gevolg van een aantal zwerftochten (waaronder in Spanje en Marokko), kwamen brieven tot stand die frequent werden gepubliceerd in het literaire tijdschrift van uitgeverij Van Oorschot, Tirade. Aanvankelijk was de bedoeling een kortere bundel uit te geven, maar dat liep anders. In 1963 verscheen Op weg naar het einde, en hiermee werd in zekere zin de toon gezet voor later werk. Reve hanteerde een vernieuwende en enigszins radicale eerlijkheid in zijn brieven; de lezer werd meegezogen in de homo-erotische en mystieke denkwereld van een schrijver die dat nog eens briljant en humoristisch wist neer te schijven. De sombere toon werd er niet beter op, maar Reves verzoening met zijn verlangens werkte inspirerend op een groot en divers publiek. Vanuit heel Nederland, kreeg de schrijver een leger bewonderaars die hem overlaadde met brieven en attenties. Deze trouwe schare bewonderaars zou doorheen de jaren groeien en soms bijna devotionele dimensies aannemen, de termen ‘reviaans’ werd gemeengoed in de Nederlandse taal. Ongeveer een jaar na de publicatie van Op weg naar het einde, verkaste Reve naar het Friese dorpje Greonterp in ‘Huize het Gras’, waar hij samenwoonde met ‘Tijgetje’ (Willem Bruno van Albada) en ‘Woelrat’ (Henk van Manen).

In de drie jaren die zouden uitmonden in de publicatie van Nader tot U, bekeerde Reve zich definitief tot de Rooms Katholieke Kerk. Dit proces had veel voeten in de aarde, net door de provocerende en seksuele exploitaties in zijn werk. In de autobiografische roman uit 1980, Moeder en zoon, zou hij later een gefictionaliseerde schets geven van zijn bekering tot het Rooms Katholieke geloof. Reve vond in de Kerk om verschillende redenen een geloof dat het sterkst resoneerde met zijn innerlijke zoektocht: de centrale rol van het Raadsel, de heroïek van Christus als verlosser en de gestileerde grandeur van de katholieke rituelen en kunst. De al dan niet historiciteit van Christus en bijbelse verhalen was voor de schrijver geen kwestie; belangrijk was dat ze een geleefde realiteit beschreven en een uiting gaven aan de menselijke nood om in contact te komen met het alles overstijgende en goddelijke. Als rasechte idealist erkende hij de beslissende rol die ideeën, symbolen en kunst spelen in de zoektocht van de mens naar duiding van de realiteit, die per definitie een raadsel zal blijven. Hier zien we duidelijk de invloed van Jung: Reve ontleende aan hem de opvatting over religie als de veruitwendiging van innerlijke processen, door middel van symbolen. De mediagenieke schrijver hekelde meer dan eens de ‘tirannie van het letterlijke’ en de ‘symboolblindheid’ van de doorsnee Nederlander; volgens hem waren ze representatief voor een maatschappij die vooruitgang en vernietiging centraal stelde boven betekenisgeving en verwondering.

Het is echter de publicatie van Nader tot U in 1966 die de aandacht zou opeisen bij de nationale controverse rond het zogenaamde ‘Ezelproces’, waarin Reve werd aangeklaagd voor godslastering aan de hand van een passage waarin hij de liefde bedreef met God in de vorm van een onschuldig ezeltje. Op 22 februari 1966 stelde SGP-parlementariër ir. C.N. van Dis, kamervragen over Reves uitlatingen en drong aan op vervolging op grond van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht. De eigenlijke aanleiding voor deze kamervragen was echter een eerder gepubliceerd stuk in het tijdschrift Dialoog, waar het bekendere fragment uit Nader tot U op verder borduurde. Opmerkelijk is dat Reve zelf wel wat zag in een strafrechtelijke vervolging, hij beschouwde dit als een uitgelezen kans om zijn godsbeeld te onderbouwen en de absurditeit van de wetgeving rond Godslastering aan te kaarten. De politieke rel draaide rond de volgende twee fragmenten:

‘Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, zodat ik niet te veel schrammetjes krijg, als hij spartelt bij het klaarkomen.’

‘En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een eenjarige, muisgrijze ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: „Gerard, dat boek van je – weet je dat ik bij sommige stukken gehuild heb?” „Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U”, zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een present-eksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: „Voor De Oneindige. Zonder Woorden”.’

Reve won uiteindelijk glansrijk het proces rondom deze passages en zijn befaamde Pleitrede voor het hof, wordt door critici beschouwd als een briljant pleidooi. In dit pleidooi onderbouwt Reve hoe zijn Godsbeeld niet in strijd met de wetgeving rond godslastering kón zijn, terwijl hij diezelfde wetgeving op juridische en theologische gronden, volledig afkraakt. Het blijft een belangrijk document dat een goed inzicht geeft in Reves religieuze en artistieke overtuigingen, die vaak in elkaar overstroomden. Na afloop van het proces, ontving Reve de P.C. Hooft-prijs. Bij ontvangst van de prijs gaf hij toenmalig minister van Cultuur, Marga Klompé, twee fikse kussen. Dit mondde opnieuw uit in een klein mediarelletje. De toekenning van de P.C. Hooft-prijs kunnen we als de kers op de taart beschouwen van een schrijverscarrière die zowel op literair als ook op mediatiek vlak zijn hoogtepunt bereikte. Op 23 oktober 1969 werd naar aanleiding van de toekenning van de prijs, een huldiging georganiseerd in wat volgens Reve ‘de eeuwige schouwburg en poppenkast’ was, een rooms-katholieke kerk. De Allerheiligste Hartkerk in Amsterdam werd het decor van een huldiging die werd afgewisseld met muziek en andere intermezzo’s. Het gebouw zat bomvol met een rokend en drinkend publiek, wat opnieuw de nodige controverse opleverde. Ondertussen werd de schrijver geïnterviewd vanuit een gotische troon terwijl hij zijn opvattingen over kunst en het leven uit de doeken deed. Een minder theatrale triomf valt moeilijk te bedenken.

Over kunst en de rol van de kunstenaar

De heisa rond Gerard Reves religieus-erotische uitlatingen en zijn huldiging in de Allerheiligste Hartkerk, zijn enigszins symbolisch voor zijn opvattingen over kunst, religie en het leven. In later werk en televisie-optredens zou de serieuze Reve frequent worden afgewisseld met de spottende en humoristische Reve, toch bleef hij zijn hele leven doordrongen van een hoogstpersoonlijke zoektocht naar redding. Wat was nu precies zijn visie op het belang van de kunsten? En waarom waren ze voor Reve onlosmakelijk verbonden met religie?

Reve sprak vaak over kunst als stilering. Stilering was volgens Reve het verwijderen van het bijkomstige door middel van vormgeving, waarbij enkel nog overblijft wat (voor de kunstenaar) de essentie is. De schrijver had vanaf het begin van zijn carrière een bloedhekel aan ‘relevante’ en ‘actuele’ kunst, hij beschouwde dit als een uitholling van de artistieke bezigheid. We zien hier zijn preoccupatie met het ‘eeuwige’ en ‘goddelijke’ terugkomen: grote kunst hoeft niet mee te zijn met zijn tijd, kunst staat in principe steeds bóven de tijd (anders is het geen kunst). Vandaar ook het belang van ‘stilering’ (stijl). Het maakt niet uit wát de kunstenaar maakt – want ieder thema kan kunst zijn –, maar hoé hij het maakt. Reve had een vrij klassieke en ambachtelijke opvatting over kunst, het ‘kunnen’ in kunst stond centraal. Wie zich niet verdiept in zijn vak, zal nooit iets esthetisch tot stand kunnen brengen. Reve verkondigde vaak dat hij niets te maken wou hebben met ‘goede smaak’ of ‘goede manieren’ en hij had een voorliefde voor antieke kitsch, knuffels en ansichtkaartjes.

Zijn kunstopvattingen waren beslist niet burgerlijk of mainstream: voor Reve waren kunst en religie onlosmakelijk met elkaar verbonden en was kunst het instrument van de religie par excellence om mystieke waarheden uit te drukken.

‘Het grote thema van alle kunst is de dood’ luidt een bekend motto van de schrijver. Dit niet in letterlijke zin, maar eerder als beweegreden voor het scheppen van kunst als middel om de chaos van de werkelijkheid te bedwingen. Kunst is orde scheppen in de chaos, in afwachting van de Dood (die Reve vaak met hoofdletter schreef). De Dood vormt, volgens Reve, de grootste drijfveer in de zoektocht naar betekenisgeving; deze betekenisgeving vind het sterkst zijn uiting in religie en de kunsten. Er zijn twee andere woorden die hij stelselmatig met een hoofdletter schreef: de Liefde en God. Voor Reve betekenden deze drie woorden eigenlijk hetzelfde, ze beschrijven alle drie het verheven en ondoorgrondelijke aspect van het leven.

Deze visie op kunst, verklaart ook waarom Reves boeken vaak slechts simpele verhalen vertellen. Er is haast geen sprake van grote complottheorieën, mysterieuze moordzaken, epische familiegeschiedenissen of sciencefiction. Reves romans gaan steeds over dagdagelijkse gebeurtenissen. Het is echter in deze simpele gebeurtenissen dat Reve zich resoluut focust op wat hij het ‘Wereldraadsel’ noemde: de eigenaardigheid van de realiteit. De semibiografische hoofdpersonen in de romans van Reve zijn vaak uitvergrote alter ego’s van de schrijver: homofiele en sadistische mannen met een obsessief verlangen naar erotiek en ‘verlossing’, aangevuld met een sterk ontwikkeld schuldgevoel.

Hoe zwaarwichtig deze thema’s mogen klinken, Reves boeken zijn steeds overgoten met ironie en provocerende humor. Het is vaak als de kracht van Reves werk beschreven, dat hij als geen ander een lach en een traan weet te bewerkstelligen op amper één pagina; zijn hoofdpersonages houden zich vaak ‘van den domme’ en verliezen zich schaamteloos in hun absurde fantasietjes. Reviaanse verhalen distilleren uit de schijnbaar doodgewone realiteit, steeds universele en grote thema’s. Hier draaide het voor de Amsterdamse schrijver ook om: kunst focust zich steeds op het ‘wezenlijke’ en heeft geen grote of complexe thema’s nodig. Religie en kunst waren voor Reve ‘duiding’ van de werkelijkheid en maakten doormiddel van symbolen en stilering het ‘wezenlijke’ tastbaar. Deze zoektocht naar het ‘wezenlijke’, doormiddel van een constante ontleding van verlangens en fantasieën, maakte Reve tot een eenzaam en excentriek mysticus in een periode van maatschappelijke vernieuwingen en modernisering. Toch leverde dit hem een groot aantal bewonderaars op uit alle lagen van de bevolking; van jonge kunstenaars en de homogemeenschap, tot oudere lezers en geestelijken. De toewijding die hij had voor het mysterieuze en ervaringsgerichte aspect van het leven, vertaalt zich ook in de manier waarop hij zoiets als ‘God’ definieerde. God was voor Reve geen onbereikbare en wraakzuchtige heerser, maar “het diepst verborgene, meest weerloze, allerwezenlijkste en onvergankelijkste in onszelf”. Een kwetsbare en eenzame God, het onbegrijpelijke en onuitspreekbare in onszelf. In zijn misschien wel bekendste gedicht, Dagsluiting, wordt dit begrip van God als een intiem onderdeel van onszelf ontroerend beschreven:

‘Eigenlijk geloof ik niets, / en twijfel ik aan alles, zelfs aan U. / Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft, / dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam, / en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt / zoals ik U.’

Reve onderzocht in zijn werk constant de verhouding tussen het gevangen individu en de overrompeling van de wereld. De gezochte conversatie met God, zoals in Dagsluiting, is onherroepelijk ook steeds een gesprek met onszelf. Net als God, is de kunstenaar eenzaam en kiest hij resoluut het pad van de schepping. Deze reviaanse focus op het ‘sublieme’ en ‘wezenlijke’, is vandaag de een curieuze opvatting geworden als het over kunst en literatuur gaat. Voor Gerard Reve was het echter het enige waar kunst over kón gaan. Welke eeuwigheidswaarde bezit het werk van een schrijver, die leefde voor een zoektocht naar het eeuwige? Dat kan alleen de toekomst uitwijzen.

Een aantal typisch reviaanse quotes

Los van de thematiek in werk van Gerard Reve, zouden we bijna vergeten dat de schrijver zijn lezers en de media geregeld trakteerde op ironische uitspraken en sarcastische pareltjes. Een – veel te beperkte – bloemlezing:

‘Ik ben een psychopaat, maar ik bedoel het goed.’

‘Ik houd mij altijd aan de feiten, want die zijn al krankzinnig genoeg.’

‘Zelfmoord? Ach, op mijn leeftijd loont het eigenlijk de moeite niet meer.’

‘Ik gun Harry Mulisch en Jan Wolkers een communistisch concentratiekamp. Van harte.’

‘Vooruitgang bestaat niet en dat is maar goed ook, want zoals het is, is al erg genoeg.’

‘Wanneer je jezelf niet kunt ironiseren, maak je jezelf bespottelijk.’

‘Je gaat dood of je blijft leven, het zit altijd goed.’

‘Wie in staat is, onvoorwaardelijk lief te hebben, heeft de Dood overwonnen en is eeuwig.’

Meer weten over Gerard Reve?

Het integrale, anderhalf uur durende interview met Gerard Reve in de Allerheiligste Hartkerk te Amsterdam in 1969, kan je nog altijd bekijken via de VPRO.

Op NPO Start staat een gratis te bekijken, tweedelige documentaire over Gerard Reve. De documentaire is enkel samengesteld uit aan elkaar geplakte interviews en televisieoptredens van Reve.

Een andere documentaire die de moeite loont om volledig te bekijken, is ‘Ze willen dat ik schrijf’ uit 1998 en je hier kan terugvinden.

Ook de film van Gerard Reve en Erik Lieshout over Louis-Ferdinand Céline ‘Reis naar het einde van de nacht’ (1988) is nog steeds te bekijken.