fbpx
Zoeken
Zoek binnen Karakters

Een mysterieus zijstraatje van de literatuur: het verhaal van de Franse schrijver en 'dichter van de dingen' Francis Ponge

Wanneer sloot je bewust een deur? Genoot je daarvan? Na het lezen van Francis Ponge (1899-1988) zal elke lezer op die laatste vraag bevestigend antwoorden. Ponge wordt immers ook wel de ‘dichter van de dingen’ genoemd door zijn belangstelling voor alledaagse objecten zoals een kratje, kaars, sinaasappel of brood: ’s Avonds, na een zware werkdag, zette hij zich aan zijn bureau en werkte zo’n twintig minuten aan een gedicht over een willekeurig voorwerp dat hem boeide, waarna hij van slaperigheid geen woord meer op papier kreeg. Hoewel Ponge’ naam tegenwoordig niet vaak meer klinkt, had hij een grote invloed op auteurs die wel degelijk vooraanstaande posities innemen in het hedendaagse literatuurlandschap. Denk aan Italo Calvino, André Breton en, iets dichterbij, Charlotte Mutsaers. Wie was deze figuur die zich zo bevlogen bezighield met alledaagse objecten? Karakters neemt je mee naar een mysterieus zijstraatje van de literatuur.

Een bewogen leven

Francis Ponge wordt geboren in Montpellier in 1899. Hij groeit op in het burgerlijke, protestantse milieu van Avignon: bergwandelingen met zijn gouvernante, de Zuid-Franse zon op z’n kruin, voor zijn moeder uit hollen langs de Rhône. Op zijn tiende verhuist zijn gezin voor zijn vaders werk – een bankier – naar Caen. Schouder aan schouder met zijn gegoede oom en tante, reist Francis bovendien door Nederland, België en en Engeland, landen waar zijn interesse voor politiek wordt gewekt. Het mag duidelijk zijn dat hij in zijn jeugd al veel van de wereld ziet.

Francis is een briljante leerling, maar door de vele verhuizingen en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog is zijn intellectuele en artistieke ontwikkeling gefragmenteerd. Van jongs af aan wordt hij gedwongen zich telkens aan te passen aan de wendingen die zijn leven neemt. Zo zet hij zich op zijn vijftiende in voor het militair hospitaal in Caen en besluit hij op zijn zestiende in het leger te gaan omdat zijn neef is gesneuveld aan het front. In datzelfde jaar haalt hij bovendien het hoogste cijfer voor een essay getiteld ‘de kunst van het denken’. Een acute blindedarmontsteking weerhoudt Francis ervan zijn heroïsche plan door te zetten. Tijdens zijn ziektebed schrijft hij zijn eerste sonnetten onder het pseudoniem Paul-Francis Nogère.

Na een jaar dienstplicht te hebben gedaan in de infanterie van Metz studeert Ponge Rechten en Filosofie in Sorbonne. Hierna werkt hij als als bureauredacteur voor uitgeverij Gallimard – de uitgeverij van onder anderen Marcel Proust, Albert Camus en Jean-Paul Sartre), en sluit zich aan bij de Socialistische Partij. Hij ondertekent bovendien het manifest ‘Het surrealisme ten diensten van de revolutie’. Het surrealisme is een kunststroming die, onder leiding van André Breton, ontstaat als reactie op de loopgravenoorlog. Breton was als brancarddrager getuige van de gruwel aan het front: volgens hem is het surrealisme in de eerste instantie bedoeld als een revolutie van de geest, een bevrijding van de verbeelding, een kritische houding tegenover de onrechtvaardigheid en de uitbuiting die op wereldschaal plaatsvindt. Uit die mentale revolutie kan een maatschappelijke revolutie voortkomen. Ponge wordt onmiddellijk enthousiast van de radicale stroming en zet zich aan zijn bureau.

Dat is waar zijn ‘ware’ schrijven begint: zijn eerste gedichten verschijnen in het door André Gide opgerichte literaire tijdschrift Nouvelle Revue Française. De publicaties leveren Ponge direct een goede reputatie op in de Franse literaire kringen en brengen hem tevens in contact met Jean Paulhan, die op dat moment de regie heeft over het literaire tijdschrift. Paulhan ontpopt zich tot Ponge’ mentor en gidst hem in de zoektocht naar zijn literaire stem. Overigens is Ponge niet lang deel van de surrealistische beweging waar hij zo direct zo warm werd onthaald. De reden: de vader van het meisje met wie hij wilt trouwen, Odette Chabanel, kan een surrealist als schoonzoon niet verdragen.

Na de voltrekking van het huwelijk en de geboorte van zijn dochter Armande raakt Ponge steeds politieker geëngageerd: hij treedt toe tot de communistische partij en werkt twaalfurige dagen bij Hachette. Door de overvolle werkdagen, die hij nodig heeft om zijn gezin financieel te onderhouden, is hij steeds meer toegewezen op de avonden om zijn eigen literatuur te schrijven.

Het uitbreken van de tweede wereldoorlog geeft een volgende drastische wending aan Ponge’ leven: hij wordt gemobiliseerd, maar komt niet opdagen en schrijft voor verzetskrant Progrès de Lyon. Het duurt niet lang voor hij noodgedwongen met zijn gezin moet vluchten voor de oprukkende Duitse linie. Hij verlaat huis en haard en trekt zuidwaarts, waar hij zich voor het verzet blijft hardmaken tot het einde van de oorlog. Na de oorlog werkt Ponge een tijdje als redacteur voor het communistisch weekblad Action, maar voelt zich al gauw bekneld door de steeds dwingendere opvattingen van de partij. Hij begint te doceren bij de Alliance Française, een organisatie met als doel de Franse taal en cultuur internationaal te bevorderen, en blijft daar tot zijn pensionering werkzaam.

In zijn latere leven groeit de belangstelling voor zijn werk, ook buiten Frankrijk. Dat is dan ook de periode waarin zijn bekendste werken, waar hij soms jaren aan werkt, verschijnen. Namens de dingen, een verzameling poëzie-gedichten die kan worden gezien als aanzet voor de kosmogonie die Ponge wilde schrijven, verschijnt als hij al drieënveertig jaar oud is. Proëmia, waarin hij zijn poëtica en levensfilosofie uiteenzet, verschijnt zo’n zes jaar later. Ondertussen stapelen de literaire prijzen zich op – Prix International de poésie in 1959, de Neustadt International Prize for Literature in 1974 en de Grand Prix de l’Académie Française in 1984 – en wordt hij uitgenodigd om literatuurlezingen te geven op universiteiten in onder andere Canada en de Verenigde Staten. Ondanks die lof en bewondering heeft Ponge nooit van zijn pen kunnen leven. Hij sterft in 1988 in het bergachtige Bar-sur-Loup, waar bij wijze van eerbetoon een feestzaal naar hem is vernoemd.

Een nieuwe vorm

Francis Ponge’ werk is niet narratief van aard. Hij gelooft dat zaken die veel schrijvers als vanzelfsprekend opvoeren in hun verhalen – zoals gebruikersvoorwerpen of natuurverschijnselen – nog nauwelijks verkend zijn. Narratieven zouden hier veel te snel aan voorbijgaan. Focus je op het eerste het beste ding dat voor je neus verschijnt en je zult gauw zien dat er nog lang niet alles over is gezegd. In plaats van narratieven te construeren, stelt Ponge zich ‘een reis door de dichtheid van de dingen’ voor: dát is het domein van de schrijver. ‘De beste keuze is alle dingen te beschouwen als onbekend en te gaan wandelen of zich onder een boom of in het gras uit te strekken, en weer helemaal bij het begin te beginnen,’ schrijft hij in Proëmia. Zijn ambitie is vanuit dat nulpunt een literaire ‘kosmogonie’ op te bouwen: een leer die het hele heelal omhelst. In die kosmogonie wilt hij laten zien hoe elk ding is betoverd met zeldzame eigenschappen, hoe zelfs de kleinste dingen een wereld bevatten en hoe alles schittert in uitzonderlijkheid. Soms lijkt een onverwachts dwarsverband genoeg: ‘Het oppervlak van het brood is wonderbaarlijk, in de eerste plaats vanwege die bijna panoramische aanblik die het biedt: alsof je binnen handbereik de beschikking had over de Alpen, het Taurusgebergte of de ketens van de Andes,’ schrijft hij in Namens de dingen.

Maar Ponge gaat verder. Voor zijn reis door de dingen ontwikkelt hij een geheel oorspronkelijke methode. Hij zoekt een manier om zijn taal zo naadloos mogelijk met zijn onderwerpen te laten samenvallen. Zo wil hij het object laten spreken, in plaats van die – doorgaans menselijke – betekenissen op te leggen, zoals de literatuurtraditie voorschrijft. Naast het vermijden van symbolisme, emoties en personages die zich in socio-culturele contexten ontwikkelen, werkt hij met een radicale nadruk op de taal zelf: door zowel een object als de taal die met dat object verwant lijkt te ontleden, vindt hij hun raakvlakken. In het gedicht De Garnaal (uit Namens de dingen) neemt hij de merkwaardige, geknikte vorm van de garnaal als uitgangspunt voor zijn zinsbouw, zodat de tekst en de garnaal in elkaar overlopen. Juist door met de taal zo dicht mogelijk bij zijn onderwerp te komen, weet hij het onderwerp nieuw te maken. Dat is volgens Ponge de grootste verdienste van taal en van de mens die de taal gebruikt: de mens kan de wereld van een frisse nieuwe laag voorzien, als hij de dingen maar laat spreken.

Hij realiseert zich wel dat het onmogelijk is over dingen te schrijven zonder de mens daarin te betrekken. In de literatuur is er altijd een verband met de mens: dat is tenslotte degene die óver de dingen spreekt, schrijft en leest. Hoewel er niet aan de mens is te ontsnappen, benadert Ponge de mens zelf als natuurverschijnsel (in plaats van als een gecultiveerd, rationeel wezen). Zoals een boom bladeren maakt, zo redeneert Ponge, zo produceert de mens taal om zich uit te drukken en een plaats in te nemen in de orde van de natuur.

Zijn meest dierbare schrijfgezel is de Littré, een Frans woordenboek van dertig delen dat is uitgegeven door uitgeverij Hachette. Ponge behandelt het boek, dat elk woord van zijn of haar etymologie voorziet, als een soort landkaart vol nog niet verkende plekken. Hij houdt zich bevlogen bezig met de betekenisvertakkingen en verschuivingen die de tijd heeft aangericht. Een voorbeeld van die betekenisverschuivingen vinden we in de titel van Namens de dingen. ‘Dingen’ dekt immers niet alle ladingen van het vertaalde ‘choses’, uit de oorspronkelijke titel Le parti pris de choses: zo verwijst het bijvoorbeeld naar het Latijnse ‘causa’, waardoor ook ‘omstandigheden’ of ‘gevolgen’ in de Franse titel doorklinken. Ponge is een verkenner van de verhoudingen tussen de choses, zoekend naar het universele punt waarin zij komen los te staan van hun context en zelf beginnen te spreken.

Uitdrukkingsdrift

Naast objecten aan het woord te laten, neemt Francis Ponge in Proëmia ook zelf het woord. Hij schrijft dat het gebruiken van taal ook een manier is om zichzelf als mens te doen gelden, een houding aan te nemen in een absurde wereld en een indruk achter te laten. Ponge is ervan overtuigd dat het uitdrukken een noodzaak is: wie zich niet uitspreekt, zal verzwolgen worden door de tijd. Het gaat Ponge niet zozeer om het uitspreken van een absolute waarheid – hij gelooft niet dat die zich door taal laat uitdrukken – en evenmin om het voltooien van een tekst. Voltooiing bestaat immers niet. De taal kan enkel achter de wereld aan hollen, zoals de mens taal gebruikt in een poging zichzelf uit te drukken, een brug te slaan tussen zichzelf en de wereld. Volgens Ponge moet de mens zichzelf doen gelden door zich uit te drukken. En niet zomaar uitdrukken: hij moet zichzelf als een God zien, die met zijn taal de realiteit en zichzelf vormgeeft. De mens moet een pose aannemen, zoals een boom zich statig opstelt, een bloem met zijn gezicht naar de zon groeit, een kratje zich opent om zich te laten vullen met spullen. Het aannemen van een pose en het scheppen van een zelf ligt volgens Ponge in de aard van de mens besloten. Hij zegt dan ook: de toekomst van de mens is de mens zelf.

Ponge’ poëtica lijkt overigens niet enkel voort te komen uit esthetische overwegingen: hij was tenslotte opgegroeid in de oorlog, had massavernietiging, epische heldenverhalen en grootscheepse verplaatsingen van dichtbij meegemaakt. Hij werd door maatschappelijke omstandigheden van jongs af aan gedwongen na te denken over politiek. Maar wat zijn oeuvre vooral lijkt uit te drukken is een terugkeer naar het kleine en kwetsbare, een herschrijving van wat als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Een liefdevolle aandacht voor dingen die in de mallemolen van de oorlog werden vertrapt, misbruikt, ingezet en verkwist.

Na de oorlog, in de wederopbouw, werd Ponge voor de zoveelste keer om zijn oren geslagen met industriële herrie en de razendsnelle opbouw van een nieuwe maatschappelijke orde.
Hoewel Ponge een groot deel van zijn leven werd omringd door mensen en rumoer, had hij eigenlijk behoefte aan een plek om te bezinnen en te bewonderen. Zo romantiseerde hij het idee van een gevangeniscel, of een solitair leven op het platteland. Daar zou hij zich nooit vervelen, maar juist de tijd en ruimte hebben om gedachten af te maken, woorden te proeven en bestuderen, naar alles om zich heen te kijken en luisteren.

Op latere leeftijd trekt hij zich dan ook volledig terug van het publieke leven en het oorverdovende gedender van de industrie. Hij is tot de conclusie gekomen dat zijn omgeving een directe weerslag heeft op zijn binnenwereld, dat elke gedachte wordt afgesneden door voorbijrazende vrachtwagens in zijn hoofd, verstikkende fabrieksdampen zijn zicht vertroebelen en de uitlaatgassen die hij inademt zijn reukvermogen aantasten. Hij schrijft: ‘Ik heb opgemerkt dat de Natuur, die veel machtiger is dan de mens, tien keer zo weinig lawaai maakt, en dat de natuur in de mens, ik bedoel het verstand, helemaal geen geluid maakt.’

Boeiend is het feit dat een deel van Ponge’ werk zijn waarde vindt in het onvoltooide karakter ervan. Neem Het zakboekje van het pijnboombos, een onderzoek dat naar een gedicht over een dennenbos zal moeten leiden, zonder dat het gedicht ooit wordt afgerond. De zoektocht is vooral talig van aard: hij beschrijft zijn speurtocht naar de oorsprong van woorden, geeft een dagverslag van zijn geschuif met zinnen en neemt een deel van een correspondentie met een literatuurcriticus in het boekje op. Aan het einde van het zakboekje komt hij tot de conclusie dat zijn gedicht nooit toereikend zal zijn om het dennenbos te vangen. Het gedicht is onvoltooid, maar de zoektocht staat tenminste in aangename vorm op papier. Hij heeft in het zoeken een houding aangenomen. De zoektocht is de schepping geworden.

Uit Het zakboekje van het pijnboombos blijkt tevens hoe streng Ponge het schrijverschap benadert: hij vindt dat hij enkel naar buiten mag brengen wat uniek is en wat uitsluitend hij naar buiten kan brengen. Alles wat al eens eerder is gezegd, is volstrekt zinloos om nog eens te herhalen. Een schrijver, zo zegt Ponge, verdient het pas een schrijver te worden genoemd wanneer hij inschrijft tegen alles wat er vóór hem is verschenen, zowel qua inhoud als vorm.

Nalatenschap

In een tijd van explosieve blockbusterfilms, epische series met acht seizoenen en een overdaad aan drukke online content, werkt het lezen van Francis Ponge bijna medicinaal: zijn vertraging, zijn bedachtzaamheid, zijn liefdevolle aandacht en het uitblijven van uitgesproken opvattingen stellen gerust. Hij laat zijn lezers met nieuwe ogen en oren naar alledaagse objecten kijken, die, als je maar genoeg geduld hebt, vanzelf terug gaan spreken en ons met dankbaarheid vervullen. Zo schrijft hij over de deur: ‘Koningen raken geen deuren aan. Zij kennen dit geluk niet: zachtjes of bruusk een van die grote, vertrouwde panelen voor je uit duwen, je er naar toekeren om haar weer te sluiten…’
Ponge lijkt dus vooral terug te gaan naar nieuwsgierigheid. Hij schrijft als een kind dat tijdens een wandeling achterblijft op zijn ouders en met een stokje in een hondendrol prikt of een dennenappel in zijn hand weegt. Nog niets is vanzelfsprekend, vluchtig of oppervlakkig: de hele wereld spreekt het kind nog ongefilterd aan.

Ponge was een kunstenaar van het in-leven-zijn, zonder de aandacht op zichzelf te vestigen. Hem te lezen betekent in een staat van verhoogde alertheid te raken, zodat het vanzelfsprekende en alledaagse er weer volkomen nieuw uitziet en doodgewone dingen indruk maken.

Meer weten over het werk en leven van Francis Ponge?

In de film Dieu Sait Quoi (1997) doet Jean-Daniel Pollet een poging Ponge’ werk filmisch te vertalen: onder het voorlezen van Ponge’ gedichten, strekt zich een beeldenlandschap uit zonder personages of verhaal, maar vol objecten als kannen en kruiken, natuurgeluiden en Provençaalse landschappen. Benieuwd naar de film? Een fragment is hier te bekijken.

Italo Calvino heeft een essay gewijd aan het werk van Francis Ponge in zijn bundel Waarom zou je de klassieken lezen. Benieuwd naar het werk en leven van Italo Calvino? We schreven eerder een uitgebreid artikel over de Italiaanse schrijver.

In haar bundel Zeepijn legt Charlotte Mutsaers uit hoe Francis Ponge haar werk beïnvloedde. Zeepijn verscheen bij De Bezige Bij maar is helaas enkel nog in antiquariaten te vinden.

Zowel Proëmia als Namens de dingen zijn in Nederlandse vertaling beschikbaar bij uitgeverij Vleugels. Het zakboekje van het pijnboombos verscheen in 2018 bij Koppernik maar is intussen uitverkocht.